Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3606

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
13-12-2016
Zaaknummer
200.181.512/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitlevering naar de VS; dreigende schending van art. 3 EVRM wegens risico op de facto levenslange gevangenisstraf dan wel onmenselijke of vernederende behandeling in de gevangenis?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.181.512/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 493816/KG ZA 15/1178

arrest van 13 december 2016

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. T. de Boer te Amsterdam,

tegen

de Staat der Nederlanden (ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 20 november 2015 heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 27 oktober 2015, in kort geding tussen partijen gewezen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] zijn eis verminderd en tegen het bestreden vonnis drie grieven aangevoerd, die door de Staat bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden. Op 7 november 2016 hebben partijen de zaak voor het hof doen bepleiten, [appellant] door zijn advocaat en de Staat door mr. M.F.H. Hirsch Ballin, advocaat te Den Haag. [appellant] heeft bij die gelegenheid nog producties in het geding gebracht. De advocaten hebben zich daarbij van pleitnota’s bediend die zijn overgelegd. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1

Geen grieven zijn gericht tegen de feiten zoals deze onder 2.1 tot en met 2.10 van het bestreden vonnis zijn vermeld. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.2

[appellant] heeft de Amerikaanse nationaliteit. Hij woont en werkt in Nederland.

1.3

De Amerikaanse autoriteiten hebben Nederland om de uitlevering van [appellant] gevraagd teneinde hem in de Verenigde Staten (VS) te kunnen vervolgen. Hij wordt verdacht van ontuchtige handelingen met een kind jonger dan veertien jaar, gepleegd in 2011-2012 toen [appellant] in zijn toenmalige woonplaats in Oregon verbleef.

1.4

Bij uitspraak van 23 september 2014 heeft de rechtbank Amsterdam de uitlevering van [appellant] toelaatbaar verklaard. Het tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep heeft de Hoge Raad bij arrest van 26 mei 2015 verworpen.

1.5

Bij beschikking van 8 juli 2015 heeft de minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister) besloten de uitlevering van [appellant] toe te staan.

1.6

[appellant] heeft hierop de Staat in kort geding gedagvaard. Hij stelt zich op het standpunt dat de Staat onrechtmatig handelt indien hij zou worden uitgeleverd aan de VS. Hij baseert dit standpunt, voor zover in hoger beroep van belang, op de stelling dat uitlevering naar de VS in strijd zou komen met art. 3 EVRM, omdat

(i) [appellant] in de VS een reëel risico loopt te worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, zonder vooruitzicht op vervroegde invrijheidsstelling;

(ii) [appellant] vanwege zijn homoseksuele geaardheid en vanwege de tegen hem gerezen verdenking van pedofilie, tijdens detentie een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van geweld van medegedetineerden en bewakers.

[appellant] vordert, na vermindering van eis, een verbod om hem aan de VS uit te leveren, althans een verbod hem uit te leveren zolang door de verantwoordelijke autoriteiten in de VS geen garanties zijn verstrekt die ertoe strekken een inbreuk op art. 3 EVRM te voorkomen.

1.7

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen. De voorzieningenrechter acht geen reëel risico aanwezig dat [appellant] zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 675 maanden of een gevangenisstraf van meer dan drie keer 75 maanden, geheel opeenvolgend ten uitvoer gelegd. Strafopleggingen van deze duur (waarmee de voorzieningenrechter kennelijk doelt op: een strafoplegging van drie keer 75 maanden) zijn volgens de voorzieningenrechter niet in strijd met art. 3 EVRM, terwijl bovendien de mogelijkheid bestaat dat in het kader van plea bargaining een lagere of een voorwaardelijke straf wordt opgelegd. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat de VS partij zijn bij het IVBPR en dat er daarom in beginsel van moet worden uitgegaan dat de om uitlevering verzoekende staat art. 7 IVBPR, waarin een verbod op foltering en onmenselijke behandeling is neergelegd, zal eerbiedigen. De door [appellant] in het geding gebrachte stukken rechtvaardigen niet de conclusie dat juist hij een reëel risico loopt op een met art. 3 EVRM strijdige behandeling. Voor zedendelinquenten gelden geen aangewezen inrichtingen en in het kader van de selectie voor een penitentiaire inrichting vindt een beoordeling plaats van de persoon en achtergrond van de verdachte/veroordeelde. De veroordeelde kan zorgen over zijn veiligheid melden aan de security staff en aan zijn correctional officer, waarmee bij het opstellen van een detentieplan rekening kan worden gehouden. Tot zover het oordeel van de voorzieningenrechter.

2.1

Met grief 1 komt [appellant] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter, dat er geen reëel risico bestaat dat hij in Oregon zal worden veroordeeld tot een de facto levenslange gevangenisstraf.

2.2

Blijkens de “Secret Indictment ballot measure 11” (bijlage bij productie 1 [appellant], hierna: de indictment) van de Grand Jury of Multnomah County, State of Oregon, wordt [appellant] vervolgd voor negen afzonderlijke “counts” van “sexual abuse in the first degree” (hierna door het hof ook wel aan te duiden als: feiten). Twee feiten zouden zijn gepleegd in oktober 2011 (aanraken van borst/onderlichaam en benen), twee in november 2011 (aanraken van borst/onderlichaam en benen), twee in december 2011 (aanraken van borst/onderlichaam en benen), twee in januari 2012 (aanraken van borst/onderlichaam en benen) en één in januari 2012 (aanraken van penis).

2.3

Tussen partijen is niet in geschil dat, naar het recht van de staat Oregon, waar [appellant] na uitlevering zal worden berecht, op ieder feit, indien bewezen, een mandatory sentence staat van 75 maanden gevangenisstraf. Dit betekent dat de rechter verplicht is deze straf voor ieder bewezen feit op te leggen.

2.4

Indien aan een verdachte als [appellant] voor meerdere feiten een (mandatory) sentence wordt opgelegd, moet de rechter bepalen in hoeverre de straffen opeenvolgend dan wel gelijktijdig moeten worden uitgezeten. Uit de affidavit (productie 4 [appellant]) van advocaat Reese (hierna: Reese), alsmede het bijgevoegde Legal Memo (productie 4b) leidt het hof af dat indien de rechter oordeelt dat ieder tenlastegelegd en bewezen feit een separate episode vormt, hetgeen het geval zal zijn indien de feiten “do not arise from the same continuous and uninterrupted course of conduct”, de rechter de keus heeft om te bepalen dat de straffen voor elk feit opeenvolgend of gelijktijdig moeten worden uitgezeten. Dit volgt uit 2013 ORS § 137.123 (Provisions relating to concurrent and consecutive sentences) onder (2). Bij feiten die niet separate episodes vormen mag de rechter de straffen alleen dan opeenvolgend opleggen indien (zie 2013 ORS § 137.123 onder 5)

“[..] the criminal offense [..] was not merely an incidental violation of a separate statutory provision in the course of the commission of a more serious crime but rather was an indication of defendants willingness to commit more than one criminal offense, or [t]he criminal offense […] caused or created a risk of causing greater or qualitatively different loss, injury or harm to the victim […] than was caused or threatened by the other offense or offenses committed during a continuous and uninterrupted course of conduct.”

2.5

Reese stelt verder:

“Oregon cases do not demonstrate a pattern regarding whether multiple convictions for abuse are sentenced concurrently or consecutively – there are too few such cases and the cases do not provide significant detail regarding the facts of the underlying offenses.”

Reese wijst er nog wel op dat voor het enigszins vergelijkbare geval van merger (waar het naar het hof begrijpt gaat om de vraag of feiten als één of meerdere criminal episodes te laste zullen worden gelegd) uit de jurisprudentie blijkt dat

“even actions occurring over the space of a few minutes, in the same room against the same person, may be found to be separate criminal episodes if there was a pause or interruption in the sequence of events.”

2.6

Uit het voorgaande leidt het hof af dat in dit stadium niet kan worden uitgesloten dat de rechter, die over de aan [appellant] op te leggen straf moet oordelen, de mogelijkheid zal hebben om voor ieder van de negen “counts”, indien bewezen, te bepalen dat de opgelegde straffen opeenvolgend moeten worden ondergaan. Dat zou slechts anders zijn indien thans reeds voldoende aannemelijk zou zijn dat een of meer van de negen “counts” niet als separate episodes kunnen worden beschouwd. Daarvan kan in dit stadium echter niet zonder meer worden uitgegaan. Door de wijze waarop de “counts” zijn geformuleerd (waarbij het tijdstip waarop de feiten zouden zijn gepleegd slechts wordt aangeduid door een verwijzing naar een kalendermaand) is het niet mogelijk vast te stellen of het aanraken van borst/onderlijf enerzijds en benen anderzijds volgens de beschuldiging op dezelfde dag hebben plaatsgevonden, laat staan dat kan worden vastgesteld dat deze aanrakingen voortvloeien uit “the same continuous and uninterrupted course of conduct”. Anderzijds brengt dezelfde globale wijze van formuleren mee dat het tegenovergestelde ook niet kan worden vastgesteld, zodat de mogelijkheid open blijft dat geoordeeld zal worden dat een of meer “counts” wel degelijk één separate episode vormen.

2.7

Het feit dat niet kan worden uitgesloten dat de rechter de mogelijkheid zal hebben om voor ieder van de negen “counts” te bepalen dat de opgelegde straffen opeenvolgend moeten worden ondergaan, betekent echter niet dat ook voldoende aannemelijk is dat [appellant] een reëel risico loopt dat dit in zijn geval ook zal gebeuren. In de eerste plaats valt, zoals hiervoor opgemerkt, niet uit te sluiten dat de rechter die mogelijkheid niet of slechts ten dele zal hebben omdat een of meer “counts” tot één separate episode moeten worden samengevoegd en zich niet één van de gevallen voordoet die hiervoor aan het slot van rechtsoverweging 2.4 zijn vermeld. Maar zelfs al zou de rechter wel de mogelijkheid hebben om te bepalen dat [appellant] negen keer 75 maanden gevangenisstraf opeenvolgend moet uitzitten, dan wil dat nog niet zeggen dat een rechter daartoe in het geval van [appellant] ook zal overgaan. Het is aan [appellant] om in dit geding voldoende aannemelijk te maken dat een reëel risico bestaat dat hij tot een de facto levenslange gevangenisstraf wordt veroordeeld, zonder perspectief op vervroegde invrijheidsstelling.

2.8

Anders dan [appellant] aanvoert valt uit Trabelsi t. België (EHRM 4 september 2014, 140/10) niet in het algemeen af te leiden dat reeds de enkele mogelijkheid dat een levenslange (niet voor reductie in aanmerking komende) gevangenisstraf wordt opgelegd, een reëel risico op een inbreuk op art. 3 EVRM oplevert. In die zaak ging het immers om een van terrorisme verdachte persoon en waren de tenlastegelegde feiten, anders dan in het onderhavige geval, met een levenslange gevangenisstraf bedreigd. Daarentegen gaat het er in de onderhavige zaak om of een reëel risico aanwezig is dat een of meer van de hem eventueel op te leggen, op zichzelf niet levenslange vrijheidsstraffen opeenvolgend ten uitvoer zullen worden gelegd zodanig dat deze, gezien de leeftijd van [appellant], in een de facto levenslange gevangenisstraf zullen resulteren. Dit vergt een beoordeling van de waarschijnlijkheid dat die mogelijkheid, indien deze al zal blijken te bestaan, zich in de praktijk ook verwezenlijkt.

2.9

[appellant] is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat in zijn geval een dergelijk reëel risico bestaat. Uit de verklaring van Reese (hiervoor geciteerd onder 2.5) blijkt dat van enig vast patroon niet kan worden gesproken. Het bestaan van een reëel risico wordt hierdoor dus niet ondersteund. Verder acht het hof van belang dat [appellant] geen strafblad heeft en dat de aan hem tenlastegelegde ontuchtige handelingen, hoewel ernstig, niet van de zwaarste categorie zijn. In dit verband hecht het hof mede belang aan de overgelegde verklaring van de District Attorney van 11 augustus 2014, die op grond van de aard van de dezelfde overwegingen de kans op een dergelijke maatregel “highly unlikely” acht (“There is almost zero chance that this defendant will get the maximum”). Het hof heeft onvoldoende aanleiding om aan deze inschatting te twijfelen. Het is ook niet juist dat de opinie van Underhill in strijd zou zijn met de indictment, waarin negen “counts” zijn opgenomen. [appellant] kan immers worden veroordeeld voor negen verschillende feiten, terwijl de rechter vervolgens bepaalt dat hij de opgelegde straffen tegelijkertijd mag uitzitten. De verklaring van Underhill heeft uitsluitend betrekking op dit laatste.

2.10

[appellant] heeft ook geen rechtspraak genoemd waaruit zou blijken dat in met zijn situatie vergelijkbare gevallen in Oregon opeenvolgende straffen zijn opgelegd die resulteren in een (de facto) levenslange gevangenisstraf. In ieder geval kan uit de door hem overgelegde uitspraken inzake Cuevas en Althouse niet worden geconcludeerd dat het om vergelijkbare gevallen ging. Dat [appellant] zal zijn overgeleverd aan een trial by jury en dat daarin mogelijk een door [appellant] geschreven (en hem in de ogen van de juryleden mogelijk compromitterend) boek als bewijs zal worden geproduceerd maakt het voorgaande niet anders. Tussen partijen staat immers vast dat de beslissing over de wijze waarop meerdere straffen ten uitvoer moeten worden gelegd aan de rechter is voorbehouden.

2.11

[appellant] heeft nog aangevoerd dat plea bargaining naar Nederlandse maatstaven in strijd is met het recht op een eerlijk proces zoals beschermd door art. 6 EVRM. Het hof begrijpt deze stelling zo dat [appellant] hiermee opkomt tegen het oordeel van de voorzieningenrechter, dat de mogelijkheid bestaat dat in het kader van plea bargaining een lagere of een voorwaardelijke straf wordt opgelegd. De voorzieningenrechter heeft dit argument gebruikt ter ondersteuning van zijn conclusie dat geen reëel risico bestaat dat [appellant] zal worden veroordeeld tot een (de facto) levenslange gevangenisstraf. Nu het hof dit argument niet aan zijn oordeel ten grondslag legt kan de juistheid van de stelling van [appellant] in het midden blijven.

2.12

De conclusie is dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel risico bestaat dat hij een de facto levenslange gevangenisstraf zal moeten ondergaan. Op dezelfde gronden komt het hof tot het oordeel dat evenmin aannemelijk is geworden dat, zoals [appellant] aanvoert, een reëel risico bestaat dat de door [appellant] eventueel te ondergane straf disproportioneel (of “grossly disproportionate”) zal zijn.

2.13

Grief 1 faalt.

3.1

Met grief 2 komt [appellant] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter, dat hij geen reëel risico loopt om in detentie in Oregon het slachtoffer te worden van een met art. 3 EVRM strijdige behandeling. Volgens [appellant] loopt hij als homoseksueel, (vermeend) zedendelinquent en (vermeend) pedofiel het reële risico om onderworpen te worden aan een onmenselijke en vernederende behandeling.

3.2

Het hof neemt bij zijn oordeel het volgende in aanmerking:

( a) uit een rapport van het U.S. Department of Justice van mei 2012 (waarin verslag wordt gedaan van de resultaten van een landelijk onderzoek uit 2008 naar voormalige “state prisoners”) blijkt dat 39% van de homoseksuele gevangenen opgaf slachtoffer te zijn geworden van sexual victimization (gedefinieerd als “all types of unwanted sexual activity with other inmates (…), abusive sexual contacts with other inmates (…), and both willing and unwilling sexual activity with staff”) van de kant van andere gevangenen (tegenover 3,5% voor heteroseksuele mannen);

( b) in haar opinie stelt Reese, die zich als advocaat heeft gespecialiseerd in de verdediging van verdachten van seksuele misdrijven, dat er een “very clear risk” is dat [appellant] in de gevangenis zal worden aangevallen door medegedetineerden of bewakers; dat gevangenen aan andere gevangenen vragen om hun “papers” (veroordelend vonnis) te laten zien om te weten te komen waarvoor zij zijn veroordeeld; dat zij zelf verschillende keren is benaderd door voormalige cliënten die veroordeeld zijn voor seksuele misdrijven, met het verzoek om hun vonnissen te vervalsen, teneinde te voorkomen dat zij in de gevangenis het slachtoffer zouden worden van geweld ;

( c) in haar brief van 20 augustus 2015 schrijft Reese dat gevangenen die veroordeeld zijn wegens een seksueel misdrijf door andere gedetineerden met walging worden bekeken, dat zij worden beschouwd als ‘prooi’ en dat de bewakers weinig (kunnen of willen) doen om aanvallen op hen te stoppen;

( d) dr. David E. Carter, een Associate Professor in Criminology and Criminal Justice in Oregon (productie 4 memorie van grieven), bevestigt de opinie van Reese en verklaart:

“Collectively, there is ample evidence to suggest that individuals that face incarceration in prison as a sex offender are at real risk for harm. As the examples and data have indicated, this may come in the form of general victimization, sexual victimization, or even death.”

( e) een rapport van Human Rights Watch uit 2001 (productie 9 bij pleidooi) getiteld “No Escape Male Rape in U.S. Prisons” vermeldt:

“Yet prisoners who self-identify as gay are much more likely than other prisoners to be targeted for rape, rather than being themselves the perpetrators of it. (…) inmates who are perceived as gay by other inmates face a very high risk of sexual abuse. Human Rights Watch has received reports of rape from numerous gay inmates, all of whom agree that their sexual orientation contributed to the likelihood of victimization.” (pag. 5)

“Although the vast majority of victims of prison rape are incarcerated for other crimes, it is apparent that inmates convicted of sex crimes against minors, if their crimes become known to other inmates, are much more apt to be targeted for sexual abuse in prison. A number of inmates convicted of such offenses reported being sexually assaulted by other prisoners; all stated that the nature of their crime inspired the assault or increased its likelihood.” (pag. 7)

“Inmates confined for sexual offenses, especially those against juvenile victims, are at the bottom of the pecking order and consequentially most often victimized. (…) Sexual offenders are the number one target group for prisoner rape.” (pag. 8, een citaat van een ‘inmate’).

( f) een thesis van Jessica A. Hinman uit 2008 (productie 11 bij pleidooi) vermeldt:

“In summary, prior literature suggests that inmates identified as especially vulnerable include those who are (….) (f) homosexual (…); (g) convicted of sexual crimes.” (pag. 15)

( g) het Survey of Inmate Victimization and Extortion In the Oregon Prison System uit 2009 (productie 12 bij pleidooi) vermeldt:

“The majority (84%) of male inmates feel correctional staff are unable to protect inmates from extortion, intimidation, and assault; 80% also feel staff are unable to protect inmates from sexual violence.” (pag. 2)

( h) een verklaring van Lisa A. [naam 3], een advocaat in Oregon, van 16 oktober 2016 (productie 25 bij pleidooi) vermeldt:

“Men incarcerated for crimes that involve sexual offenses against children are not safe in prisons run by the Oregon Department of Corrections. Oregon used to segregate male prisoners convicted of sexual offenses against children in a special unit at a prison in Pendleton, Oregon. That unit (…) was closed several years ago. Prisoners convicted of child sex offenses now `

circulate in general population.

(….)

I have not undertaken a formal study of this subject but there have been a disconcerting number of news reports recently about men who have been killed in an Oregon prison while serving a prison term for a sexual offense that involved a child.”

( i) een verklaring van Matthew McHenry, een strafrechtadvocaat uit Portland, Oregon, van 17 oktober 2016 (productie 26 bij pleidooi) vermeldt:

“A large portion of my practice is representing individuals accused of sex crimes. Through conversations with my clients and their families and acquaintances, I have developed an understanding of how these defendants are treated in the Oregon and Federal prison systems.

(…)

Through my work as criminal defense lawyer, I have become familiar with anecdotal evidence of the treatment inmates who are convicted of sexual crimes receive. Through the years, I have heard of beatings, extortion, sexual assaults, and sometimes attempted murder. It is my understanding that individuals convicted of sex crimes are singled out by the other inmates and are subjected to this treatment on a routine basis, while those convicted of non-sex crimes are not. Inmates convicted of sexual crimes with minors form a group within the prison system that is even more vulnerable to mistreatment.”

( j) een verklaring van Whitney [naam 4], eveneens advocaat in Oregon van 17 oktober 2016 (productie 27 bij pleidooi) vermeldt:

“The Oregon Department of Corrections houses male inmates convicted of child sex crimes in the general population. This began when the sex offender programs were discontinued many years ago. The sex offender programming formerly offered had allowed participants to be housed in a segregated and relatively safe wing of a prison. This is no longer the case. Being housed in general population is dangerous for inmates convicted of child sex crimes. Such prisoners are wildly disliked and disparaged by other prisoners and are often the subject of violence.

(…)

I have clients who have been sent to prison and reported these dangers to me after they arrived. To a person, they are fearful. They often decide not to file a formal complaint because they perceive that the resulting investigation will make their life even more miserable than living in a constant state of fear.”

3.3

De Staat heeft de uit deze stukken en verklaringen naar voren komende feiten niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken. De Staat heeft ermee volstaan erop te wijzen dat [appellant]’s zorgen over zijn veiligheid aan de security staff en aan de correctional officer kunnen worden gemeld. Bij het opstellen van een detentieplan kan dan met de specifieke omstandigheden van appellant rekening worden gehouden, aldus de Staat, die zich daarbij kennelijk baseert op de overgelegde verklaringen van [naam 1] en [naam 2] (producties 12 en 14 Staat in eerste aanleg). De verklaring van [naam 1] bevat echter in het geheel geen concrete informatie ten aanzien van de veiligheidssituatie van een gevangene zoals [appellant]. [naam 2] vermeldt weliswaar dat het Oregon Department of Corrections “a multitude of housing options” beschikbaar heeft “to safely house adults in our care and custody”, maar treedt verder niet in bijzonderheden. Beide verklaringen, alsook het betoog van de Staat, laten onverklaard hoe het mogelijk is dat kennelijk zoveel gevangenen die veroordeeld zijn wegens een seksueel misdrijf jegens een kind, het slachtoffer zijn van (al dan niet seksueel) geweld, niet alleen in de Verenigde Staten als geheel maar ook specifiek in Oregon. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de speciale, veilige afdeling voor dit soort gevangenen een aantal jaren geleden is afgeschaft en dat, volgens de verklaringen van [naam 3] en [naam 4], een verzoek tot plaatsing in “Ad Seg” (administrative segregation) ook gevaren met zich brengt, omdat een gevangene geen recht op plaatsing in Ad Seg heeft (“placement in ‘Ad Seg’ is discretionary”) maar wel het risico loopt dat bij zijn bedreigers bekend wordt dat hij hen heeft aangegeven. Een verzoek tot plaatsing in Ad Seg kan immers slechts gedaan worden indien de bedreigde gevangene de naam van zijn belager of belagers aan de gevangenisautoriteiten bekend maakt (verklaring [naam 3]). Bovendien, zo blijkt uit de verklaring van [naam 3], is de belangrijkste Ad Seg-afdeling zelf niet veilig.

3.4

Uit de verklaring van McHenry blijkt dat voor een seksueel misdrijf veroordeelde gevangenen “on a routine basis” worden mishandeld en dat de risico’s voor gevangenen die zijn veroordeeld voor een seksueel misdrijf jegens een kind nog hoger zijn. De verklaring van McHenry is in lijn met de andere (hiervoor onder 3.1 onder (a) tot en met (j) opgesomde) verklaringen en rapporten. Uit deze feiten volgt onomstotelijk dat [appellant], die zowel homosexueel is als verdacht wordt van een seksueel misdrijf tegen een kind, een duidelijk hoger risico loopt op een met art. 3 EVRM strijdige behandeling dan andere gevangenen, terwijl het risico bij die andere gevangenen al aanmerkelijk is. Het voorgaande leidt dan ook tot de conclusie dat er substantiële gronden zijn om aan te nemen dat [appellant] bij veroordeling een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van een met art. 3 EVRM strijdige onmenselijke of vernederende behandeling

3.5

Anders dan de Staat aanvoert hoeft in een geval als dit niet (ook nog) aannemelijk te zijn dat [appellant] deel uitmaakt van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een met art. 3 EVRM strijdige behandeling. De arresten van het EHRM waarin dit criterium werd aangelegd hadden betrekking op de situatie dat uitzetting dreigde naar een land waarin een algemene onveilige situatie bestaat. Indien in een dergelijk geval de uit te zetten persoon aantoont dat hij deel uitmaakt van een groep die systematisch wordt vervolgd, hoeft hij volgens het EHRM geen “further special distinguishing features” aannemelijk te maken. Vgl. EHRM 26 januari 2016, 11916/15 (R. t. Rusland) en EHRM 28 februari 2008, 37201/06 (Saadi t. Italië). Het is echter niet zo dat het EHRM in elke uitleveringszaak waarin gesteld wordt dat een schending van art. 3 EVRM dreigt, dat criterium aanlegt. Vgl. EHRM 18 september 2012, 17455/11 (Umirov t. Rusland). [appellant] legt ook niet aan zijn vordering ten grondslag dat er in de Verenigde Staten een algemene onveilige situatie bestaat.

3.6

Nu de Amerikaanse autoriteiten geen specifieke, op de veiligheid van [appellant] gerichte garanties hebben verstrekt die zijn veiligheid in het gevangenissysteem van Oregon kunnen waarborgen, moet de uitlevering worden verboden. Bij deze stand van zaken hoeft grief 3 geen afzonderlijke behandeling.

4.1

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, en de uitlevering van [appellant] zal alsnog worden verboden.

4.2

De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

- verbiedt de Staat over te gaan tot uitlevering van [appellant] aan de Verenigde Staten;

- wijst het meer of anders gevorderde af;

- veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg begroot op € 155,84 wegens verschotten en € 816,-- voor salaris van de advocaat, en tot heden in hoger beroep begroot op € 388,84 wegens verschotten en € 2.682,-- voor salaris van de advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, E.M. Dousma-Valk en H.C. Grootveld, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2016, in aanwezigheid van de griffier.