Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:358

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
200.174.162/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

opheffing curatele; bijzondere procesgang in eerste aanleg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2016/4938
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 17 februari 2016

Zaaknummer : 200.174.162/01

Zaaknummers rechtbank : 3920557/14-86550 en 3868408/15-81903

[naam 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: verzoekster,

advocaat mr. P. Arkema-Hummel te Voorburg.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [naam 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: de moeder;

2. B. Koorn, h.o.d.n. Saulute,

kantoorhoudende te Leiden,

hierna te noemen: de curator.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Verzoekster is op 28 juli 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 18 juni 2015 van de rechtbank Den Haag.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van verzoekster:

- op 10 september 2015 een V-formulier van 9 september 2015 met bijlagen;

- op 29 september 2015 een V-formulier van 18 september 2015 met bijlage;

- op 5 november 2015 een V-formulier van 4 november 2015 met bijlage;

- op 22 januari 2016 een brief van 21 januari 2016 met bijlage;

van de zijde van de curator:

- op 19 januari 2016 een brief van diezelfde datum.

De zaak is op 27 januari 2016 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- verzoekster, bijgestaan door haar advocaat;

- de curator.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank - voor zover thans van belang - het verzoek tot opheffing van de curatele over verzoekster afgewezen, de moeder ontslagen als curator met ingang van 18 juni 2015 en B. Koorn, h.o.d.n. Saulute tot curator benoemd.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de curatele.

2. Verzoekster verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de ondercuratelestelling wordt opgeheven, kosten rechtens.

3. De curator kan zich vinden in het verzoek.

4. Verzoekster voert het volgende aan. Zij was niet op de hoogte van het feit dat er in eerste aanleg sprake was van twee procedures. Dat de moeder - de toenmalige curator - ook een procedure aanhangig had gemaakt, wist verzoekster niet en ook was zij niet bekend met (de inhoud van) de stukken die de rechtbank in de bestreden beschikking heeft opgesomd. De rechtbank heeft de inhoud van alle ter griffie ingekomen stukken niet besproken ter zitting, zodat verzoekster hiertegen geen verweer heeft kunnen voeren. De behandeling van de zaak van de toenmalige curator van verzoekster (de moeder) is buiten verzoekster omgegaan. Daarbij is de beslissing van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Uit de rapportage van het neuropsychologisch onderzoek dat verricht is door Sophia Revalidatie in maart en april 2015 en dat zich in het rechtbankdossier bevond, blijkt dat het goed gaat met verzoekster en dat de gronden voor een ondercuratelestelling - als genoemd in artikel 1:378 van het Burgerlijk Wetboek (BW) - niet meer aanwezig zijn.

5. De curator stelt sinds zijn benoeming tot opvolgend curator een goede werkrelatie met verzoekster te hebben. Verzoekster geeft blijk van een goed inzicht in haar financiële situatie. Zij is geheel schuldenvrij. De neuropsychologische problemen op grond waarvan zij destijds onder curatele is gesteld, zijn al jaren niet meer aan de orde. De curator is dan ook van mening dat de curatele kan worden opgeheven.

6. Het hof overweegt als volgt.

7. Artikel 1:378 lid 1 BW luidt als volgt:

1. Een meerderjarige kan door de kantonrechter onder curatele worden gesteld, wanneer hij tijdelijk of duurzaam zijn belangen niet behoorlijk waarneemt of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt, als gevolg van

  1. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

  2. gewoonte van drank- of drugsmisbruik, en een voldoende behartiging van die belangen niet met een meer passende en minder verstrekkende voorziening kan worden bewerkstelligd.

8. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting dat de gronden voor een curatelestelling van verzoekster niet aanwezig zijn. Verzoekster heeft in 2004 een ernstig ongeluk gehad als gevolg waarvan zij hersentrauma heeft opgelopen hetgeen onder meer haar geheugen en concentratie aantastte. Uit de verslaglegging van 8 mei 2015 van het neuropsychologische onderzoek van Sophia revalidatie blijkt dat sinds het onderzoek van verzoekster in 2007 betere prestaties bij haar worden waargenomen qua geheugen en intellectuele vermogens en dat thans geen noemenswaardige afwijkingen naar voren komen. Verzoekster maakt makkelijk contact, is onder meer talig, positief en proactief, hetgeen ook tijdens de mondelinge behandeling is bevestigd. Voorts blijkt uit de overgelegde stukken van De Jutters, Middin en de gezinsvoogd van Jeugdbescherming West dat verzoekster heel goed voor haar dochtertje zorgt, zich daarbij gesteund weet door haar vriend, en dat zij, indien nodig, hulp vraagt bij instanties en binnen haar netwerk. De curator die haar sinds juni 2015 bijstaat, ziet geen enkele reden om de ondercuratelestelling in stand te laten.

9. Gezien voormelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat van een noodzaak tot curatele niet is gebleken en het hof zal de bestreden beschikking dan ook vernietigen. Curatele is de meest vergaande vorm van burgerrechtelijke bescherming van personen, als gevolg waarvan de handelingsbekwaamheid, die van rechtswege verbonden is aan de meerderjarigheid, aan een persoon wordt ontnomen. Het opleggen en in stand houden van een dergelijke maatregel vereist dan ook de grootst mogelijke zorgvuldigheid. Verzoekster heeft in hoger beroep aannemelijk gemaakt dat zij niet op de hoogte was van het verzoek van de toenmalige curator - de moeder - om haar ontslag te verlenen als curator en een opvolgend curator te benoemen.

10. Tenslotte overweegt het hof het navolgende. Verzoekster heeft geen kennis gekregen van het “verzoekschrift strekkende tot ontslag/benoeming curator met bijlagen van de zijde van de curator, ter griffie ingekomen op 15 februari 2015”, zoals dit is vermeld in de bestreden beschikking. Dit verzoek van de moeder is buiten medeweten van verzoekster om behandeld en verzoekster heeft zich daar dan ook niet tegen kunnen verweren. Dit volgt ook uit het proces-verbaal van de behandeling van de zaak door de kantonrechter nu daarin met geen woord is gerept over dit verzoek in het gedeelte waar verzoekster aan het woord is. Het hof is van oordeel dat de rechtbank hiermee de beginselen van een goede procesorde heeft geschonden. Hoor en wederhoor - onder meer vastgelegd in artikel 19 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering - is een van de meest fundamentele vereisten voor een behoorlijk proces en moet ambtshalve worden toegepast. Door betrokkenen in deze afzonderlijk te horen en de beschikking niet tot nauwelijks te motiveren, is het hof van oordeel dat de belangen van verzoekster onvoldoende in acht zijn genomen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij het verzoek tot opheffing van de curatele is afgewezen en tot curator is benoemd B. Koorn, h.o.d.n. Saulute, en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het inleidend verzoek tot opheffing van de curatele alsnog toe;

bepaalt dat deze uitspraak op de voet van artikel 1:390 BW tijdig zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant en gelast de griffier daarvoor zorg te dragen;

gelast de griffier op de voet van artikel 1:391 BW gevolg te geven aan de aantekening van deze beslissing in het Centraal curatele- en bewindregister;

compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C. M. Warnaar, L.F.A. Husson en M.Th. Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door mr. A.C. van Waning als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2016.