Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3531

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-11-2016
Datum publicatie
29-11-2016
Zaaknummer
22-005298-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een politieambtenaar en aan mishandeling van een andere politieambtenaar.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005298-15

Parketnummer: 09-827231-15

Datum uitspraak: 15 november 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van

26 november 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1997,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

1 november 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn er beslissingen genomen ter zake van de vorderingen van de benadeelde partijen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tot slot is het (opgeschorte) bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven, één en ander zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 31 augustus 2015 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] (agent van politie) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (met kracht) tegen het gezicht heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid en/of terwijl het feit is gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of terzake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 31 augustus 2015 te Zoetermeer, opzettelijk een ambtenaar, te weten [aangever 1], gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, (met kracht) heeft geschopt tegen het gezicht, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2:
hij op of omstreeks 31 augustus 2015 te Zoetermeer, opzettelijk een ambtenaar, te weten [aangever 2], gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, tegen het hoofd heeft geschopt, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bespreking van de verweren

Ten aanzien van feit 1.

De verdediging heeft gesteld dat de verdachte bij de door hem gegeven schop slechts de intentie had om de hand of arm van verbalisant [aangever 1] te raken. De verdachte had geen hard schoeisel aan maar crocs, een zacht materiaal dat bij een schop een veel beperktere impact heeft. De kans op zwaar lichamelijk letsel was hierdoor niet aanmerkelijk, reden waarom van een poging zware mishandeling geen sprake kan zijn. Vanuit de positie waarin de verdachte stond kon hij onmogelijk veel kracht zetten bij zijn schop. Er is ook geen letsel bij [aangever 1] vastgesteld.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat de verdachte met zijn collega [verbalisant 2] van de grond omhoog kwamen en dat de verdachte toen met zeer veel kracht een trappende beweging maakte in de richting van het hoofd van [aangever 1] en hem aan de rechterzijde ervan raakte. De verdachte heeft daarna gezegd: Die was raak. Dat moet pijn doen. Ook [aangever 1] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij door de verdachte vol en hard in het gezicht geschopt is en dat hij deze schop niet heeft zien aankomen. Verbalisant [aangever 2] heeft verklaard dat de verdachte, toen hij rechtop stond, vol trapte in het gelaat van [aangever 1]. [verbalisant 2] heeft gerelateerd dat de verdachte [aangever 1], toen deze op zijn knieën zat met zijn hoofd op ongeveer een meter hoogte, zijwaarts een schop gaf en hem vol op zijn hoofd raakte.

Op grond van het vorenstaande moet naar het oordeel van het hof worden aangenomen dat de verdachte bewust en gericht tegen het hoofd van verbalisant [aangever 1] heeft geschopt, en dat er geen sprake was van een (mislukte) poging om hem tegen de hand of arm te schoppen, welke hand of arm volgens de verdachte op dat moment het hoofd van de medeverdachte tegen de grond drukte.

Naar het oordeel van het hof levert dit schoppen een poging tot zware mishandeling op. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een zeer kwetsbaar deel van het lichaam is en dat geweldsinwerking erop ernstige gevolgen kan hebben. Die gevolgen kunnen zelfs intreden bij een beperkte geweldsinwerking nu het hoofd niet in zijn geheel van beschermend bot is voorzien. Dat niet met erg hard maar met wat zachter schoeisel is geschopt, maakt dat niet anders. Uit hetgeen hiervoor door de diverse verbalisanten is gerelateerd of verklaard en uit hetgeen zij hebben gerelateerd en verklaard over de inwerking op dat moment bij [aangever 1] (zie bewijsmiddelen), moet worden afgeleid dat de schop met flinke kracht is gegeven. Dat naast pijn (waarover [aangever 1] heeft verklaard) ook sprake is van letsel kan worden afgeleid uit de medische verklaring d.d. 1 september 2015, waar gesproken wordt over contusie gelaat, en dat is letsel.

Ten aanzien van feit 2.

De verdediging heeft gesteld dat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken nu de verdachte het schoppen heeft ontkend, de aangever [aangever 2] niet gezien heeft wie geschopt heeft, er geen sprake is van enig opzet om [aangever 2] te mishandelen, en er bij [aangever 2] noch sprake is geweest van pijn ([aangever 2] zou verklaard hebben geen pijn te hebben gevoeld) noch van letsel (door de arts is geen letsel waargenomen).

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Dat de verdachte de politieambtenaar [aangever 2] tegen het hoofd geschopt heeft, leidt het hof af uit het relaas van verbalisant [verbalisant 2], waar deze stelt dat [aangever 2] met de verdachte op de grond lag op korte afstand van [verbalisant 2] die op dat moment op de grond de medeverdachte in bedwang hield. De verdachte lag met zijn benen tegen [aangever 2]. [verbalisant 2] zag dat de verdachte een schoppende beweging achterwaarts maakte en [aangever 2] hard tegen het hoofd raakte. Naar het oordeel van het hof kan een en ander niet anders gezien worden dan een bedoelde schop in de richting van [aangever 2] waarbij de verdachte, die moet hebben geweten dat [aangever 2] daar met de medeverdachte op de grond lag, bewust het aanmerkelijke risico heeft genomen dat hij [aangever 2] op het hoofd zou raken.

De stelling van de verdediging dat bij [aangever 2], blijkens diens verklaring, geen sprake was van pijn, is feitelijk onjuist. [aangever 2] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij wist dat de verdachte hem had geraakt, maar dat hij door de adrenaline op dat moment geen pijn voelde. De volgende dag heeft [aangever 2] opnieuw verklaard en aangegeven dat hij hevige pijn voelde als hij drukte op de plaats waar hij was geschopt.

Gelet hierop was er dus wel degelijk sprake van pijn. Ook de stelling van de verdediging dat geen letsel is geconstateerd, is onjuist. De medische verklaring van 1 september 2015 vermeldt contusie nek, en dat is letsel.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op of omstreeks 31 augustus 2015 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] (agent van politie) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (met kracht) tegen het gezicht heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid en/of terwijl het feit is gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

2:
hij op of omstreeks 31 augustus 2015 te Zoetermeer, opzettelijk een ambtenaar, te weten [aangever 2], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, tegen het hoofd heeft geschopt, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een politieambtenaar en aan mishandeling van een andere politieambtenaar, een en ander op de wijze zoals bewezen verklaard.

Het hof rekent het de verdachte aan dat hij zich heeft misdragen ten opzichte van politieambtenaren, die bezig waren met hun werk. Eén van hen heeft hij tegen het hoofd geschopt en een ander die op de grond een aangehouden verdachte (de broer van de verdachte) vasthield, heeft hij met kracht in zijn gezicht geschopt. Het agressieve optreden van verdachte getuigt van gebrek aan respect voor de betrokken verbalisanten en van een grove minachting voor het gezag van de politie.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 oktober 2016.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat het enkel opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf als door de advocaat-generaal gevorderd geen recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Het hof is van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tot schadevergoeding [aangever 1]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 990,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 500,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1].

Vordering tot schadevergoeding [aangever 2]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 440,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 440,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 300,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 300,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 1] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever 1], ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever 2], ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma,

mr. T.L. Tan en mr. R.C. Langeler, in bijzijn van de griffier mr. T.E.J. Bruinen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 november 2016.