Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3530

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-12-2016
Datum publicatie
06-12-2016
Zaaknummer
200.192.631/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WWZ, ontbinding, schorsing, loondoorbetaling, targets, bonus, disfunctioneren?, ernstig verwijtbaar handelen, billijke vergoeding

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 628
Burgerlijk Wetboek Boek 7 671b
Burgerlijk Wetboek Boek 7 671c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1405
AR 2016/3687
JAR 2017/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.192.631/01

Zaaknummer rechtbank: 4834429\RP VERZ 16-50123 en RP VERZ 16-50279

beschikking van 6 december 2016

inzake

Masters in Finance B.V.,

gevestigd te Den Haag,

verzoekster in principaal hoger beroep,

verweerster in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: MIF,

advocaat: mr. J. Pijtak te Amsterdam,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in principaal hoger beroep,

verzoeker in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: [verweerder],

advocaat: mr. E.M. Richel te Schiedam.

Het geding

Bij beroepschrift (met bijlagen) ter griffie ingekomen op 8 juni 2016, is MIF in hoger beroep gekomen van de beschikking van 11 april 2016 van de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag (hierna: de kantonrechter). MIF heeft zeven principale grieven aangevoerd, die door [verweerder] bij verweerschrift (met bijlagen) zijn bestreden. [verweerder] heeft daarbij een incidentele grief aangevoerd, die door MIF bij verweerschrift in het incidentele hoger beroep is bestreden. Op 23 augustus 2016 heeft de mondelinge behandeling in hoger beroep plaatsgevonden, waarbij partijen de zaak hebben doen toelichten door hun voornoemde advocaten. Mr. Pijtak heeft zich daarbij bediend van pleitaantekeningen. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens is een datum van de uitspraak bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

1.1.

[verweerder] is op 1 januari 2015 in dienst getreden bij IMF. Hij vervulde de functie van accountmanager, tegen een salaris van € 3.250,-- per maand, exclusief vakantietoeslag. Op de arbeidsovereenkomst was de bonusregeling 2015 van toepassing (hierna: de bonusregeling). Om voor een bonus in aanmerking te komen diende [verweerder] een target te behalen.

1.2.

MIF houdt zich (mede) bezig met het detacheren van “finance medewerkers” bij klanten. Het was de taak van [verweerder] – in de kern – om plaatsingen van deze medewerkers bij klanten te realiseren en nieuwe klanten te werven en behouden.

1.3.

Op 28 januari 2016 is [verweerder] meegedeeld dat zijn arbeidsovereenkomst diende te eindigen. De dag daarna, 29 januari 2016 is [verweerder] een vaststellingsovereenkomst voorgelegd. Op 2 februari 2016 is [verweerder] op non-actief gesteld, is zijn emailaccount afgesloten en heeft hij de auto en de telefoon van de zaak moeten inleveren.

1.4.

MIF heeft in eerste aanleg verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van de d-grond, te weten: disfunctioneren (art. 7:671b lid 1 onderdeel a BW jo art. 7:669 lid 3 onderdeel d BW). Het disfunctioneren bestaat volgens MIF uit onzorgvuldig handelen en ongestructureerd werken waardoor [verweerder] zijn targets niet haalde.

1.5.

[verweerder] heeft zich verzet tegen de door MIF gevraagde ontbinding en van zijn kant verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van – samengevat – een ernstig verstoorde verhouding (art. 7:671c lid 1 BW). Tevens heeft [verweerder] verzocht om toekenning van een billijke vergoeding van € 12.000,-- (art. 7: 671c lid 2 onderdeel b BW). Volgens [verweerder] doet MIF op gefingeerde gronden voorkomen dat hij zou disfunctioneren, nu hij de overeengekomen target heeft gehaald, terwijl de non-actiefstelling onnodig was en diffamerend heeft gewerkt. Omdat hij zijn target heeft gehaald heeft [verweerder] recht op een bonus van
€ 6.500,-- bruto.

1.6.

Bij de bestreden beschikking van 11 april 2016 heeft de kantonrechter - voor zover in hoger beroep nog van belang - (1) het verzoek van MIF tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen, (2) het verzoek van [verweerder] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst toegewezen, (3) MIF veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding aan [verweerder] van € 6.000,-- bruto, (4) MIF veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van een bedrag als bonus van € 6.500,-- bruto en (5) MIF veroordeeld in de proceskosten ter zake van beide verzoeken.

2. In hoger beroep heeft MIF verzocht om de beschikking van de kantonrechter te vernietigen op het punt van (i) het toekennen van een billijke vergoeding, (ii) het toekennen van de bonus en (iii) de veroordeling van MIF in de proceskosten, met (iv) een veroordeling van [verweerder] in de kosten van beide instanties. [verweerder] heeft verzocht de beschikking van de kantonrechter te bekrachtigen, maar wel met een verhoging van de billijke vergoeding naar € 12.000,-- bruto dan wel een door het hof te bepalen bedrag, met veroordeling van MIF in de proceskosten van beide instanties.

3. Met de principale grieven I en II stelt MIF dat ten onrechte is geoordeeld dat de “d-grond” zich niet voordoet. Met de principale grief V stelt MIF dat [verweerder] zijn target niet heeft gehaald en daarom niet in aanmerking komt voor een bonus over 2015. Voor de target tellen niet alle geplaatste medewerkers (“financials”) mee, maar uitsluitend de plaatsingen die [verweerder] heeft gerealiseerd bij nieuwe door hem binnengehaalde klanten. Daarvan uitgaande heeft [verweerder] zijn target van € 115.200,-- aan marge bij lange na niet gehaald. De kantonrechter heeft voorts miskend dat [verweerder] naast het niet behalen van de target niet de nodige kerncompetenties voor zijn functie heeft omdat [verweerder] niet gestructureerd, slordig, laks en weinig doortastend in zijn handelen is, aldus nog steeds MIF.

4. MIF heeft bij pleidooi meegedeeld dat zij niet langer in hoger beroep opkomt tegen de afwijzing van haar verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Dit neemt niet weg dat het oordeel van het hof over de aanwezigheid van de d-grond van belang is voor het oordeel over de principale grieven III en IV en de incidentele grief. Het hof zal de principale grieven I en II derhalve behandelen, gezamenlijk met de principale grief V.

5. De principale grieven I, II en V falen, om de volgende redenen.

6. Het hof stelt voorop dat waar het gaat om toewijzing van (i) de gevorderde bonus – als nevenvordering – en (ii) de billijke vergoeding de stelplicht en bewijslast ter zake van de (al dan niet gerealiseerde) target op [verweerder] rust. Omgekeerd, waar het gaat om het niet realiseren van de target als ontbindingsgrond (de “d-grond”) berust de stelplicht en de bewijslast bij MIF.

7. [verweerder] stelt dat alle door hem gerealiseerde plaatsingen voor de target meetellen. Dit sluit aan op de (tekst van de) bonusregeling: “Bonus uitkering op basis van gerealiseerde marge” en “Target op basis van werkzame professionals x gemiddelde contractwaarde 2014”. De door MIF als productie A3 overgelegde verklaring van de heren [naam 1] (Commercieel Directeur) en [naam 2] (Salesmanager) is daarmee niet in strijd. Zo verklaren zij onder meer dat is uitgelegd “dat alleen die plaatsingen van financials meetellen die de accountmanager zélf heeft gerealiseerd” en dat het aan de accountmanager toekennen van marge door hen werd gedaan “aangezien het ook is voorgekomen dat accountmanagers in het verleden accounts hebben overgenomen waar bijvoorbeeld reeds een financial van MIF werkzaam was en zij deze dus zelf nooit hebben geplaatst en daar dus de revenu’s van verdiende”.

8. Voor de stelling van MIF dat alleen plaatsingen bij nieuwe door [verweerder] binnengehaalde klanten meetelden voor de target is onvoldoende concrete feitelijke aanknoping. Dat aan [verweerder] bij indiensttreding is gezegd dat alleen plaatsingen bij nieuwe klanten meetellen, is niet gesteld. Wel is gesteld dat dit [verweerder] nadien bij herhaling is gezegd – hetgeen door hem overigens is betwist – maar ook als dat zo is heeft MIF onvoldoende onderbouwd waarom daaruit volgt dat tussen partijen als overeengekomen norm is gaan gelden dat alleen plaatsingen bij nieuwe klanten meetellen.

9. Bij deze stand van zaken gaat het hof niet in op het aanbod van MIF om Anderiesen en Spruijt als getuigen te horen nu onvoldoende is onderbouwd dat wat zij onder ede kunnen verklaren ter zake dienend is.

10. [verweerder] heeft bij zijn verweerschrift in eerste aanleg een overzicht van omzet- en margecijfers overgelegd, afkomstig van de Manager Finance van MIF
([naam 3]), en op basis van dat stuk onderbouwd dat door hem over 2015 een marge van € 116.955,-- is behaald. Volgens MIF is die conclusie niet juist nu bedoeld overzicht een bruto marge aangeeft en niet alle marges op conto van [verweerder] kunnen worden geschreven. Het hof gaat hieraan voorbij nu MIF niet onderbouwt welke marge niet aan [verweerder] kan worden toegeschreven, behalve dan met de hiervoor verworpen stelling dat alleen plaatsingen bij nieuwe klanten meetellen.

11. Uit het voorgaande volgt dat de gevorderde bonus toewijsbaar is en dat het niet behalen van de target over 2015 als ontbindingsgrond (de d-grond) terecht is verworpen.

12. MIF stelt voorts dat ook los van het behalen van de target er sprake is van disfunctioneren omdat [verweerder] de nodige kerncompetenties voor zijn functie mist nu hij - samengevat - niet gestructureerd, slordig, laks en weinig doortastend in zijn handelen is. Het hof verwerpt deze stelling omdat deze onvoldoende feitelijk is onderbouwd. De gestelde tekortkomingen zijn kwalificaties en geen feiten. De wel genoemde feiten hebben weinig om het lijf en zijn niet zo ernstig dat daaruit (reeds) volgt dat [verweerder] disfunctioneert. Dat geldt ook als rekening wordt gehouden met de in hoger beroep overgelegde verklaring van collega [naam 4] die zijn indruk geeft van het functioneren van [verweerder] en de verklaring van de klant Anthura die schrijft - samengevat - het contact met [verweerder] moeizaam te vinden. Wel is duidelijk geworden dat MIF zich stoorde aan de handelwijze van [verweerder] en aan het feit dat [verweerder] naar haar oordeel te weinig nieuwe klanten binnenhaalde, maar het gaat te ver reeds nu tot het oordeel te komen dat [verweerder] disfunctioneerde in een mate die tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst had moeten leiden. Daarbij is ook van belang dat [verweerder] zijn target over 2015 heeft gehaald en hij aan de hand van een emailbericht van 25 januari 2016 van Spruijt heeft onderbouwd dat hij ook toen reeds bijna op target zat. Dit laatste is door MIF niet gemotiveerd weersproken.

13. Het hof hecht er nog aan te vermelden dat MIF een ex-collega van [verweerder], mevrouw [naam 5], bij brief van mr. Pijtak van 24 juni 2016 heeft gesommeerd een kennelijk ten gunste van [verweerder] opgesteld emailbericht in te trekken, omdat anders aanspraak zou worden gemaakt op schadevergoeding wegens overtreding van een geheimhoudingsbeding. [naam 5] heeft aan dat verzoek gevolg gegeven. Deze handelwijze verhindert de waarheidsvinding en staat op gespannen voet met de verplichting van MIF om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (art. 21 Rv), in het verlengde waarvan zij zich ook dient te onthouden van gedragingen die de nakoming van deze wettelijke verplichting frustreren. Dat dit [verweerder] niet aan zou gaan ziet het hof niet in. [verweerder] wordt - op zijn beurt - door die brief gehinderd in de naleving van art. 21 Rv.

14. Met de principale grieven III en IV komt MIF op tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en daarom een billijke vergoeding van € 6.000,-- is verschuldigd. De incidentele grief van [verweerder] richt zich tegen de afwijzing van de additioneel gevorderde vergoeding van € 6.000,-- (dus in totaal € 12.000,--). Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten?

15. Het gaat hier om de vraag of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten in de zin van art. 7:671c lid 2 onderdeel b BW. Dit criterium komt overeen met het gelijkluidende criterium van art. 7:671b lid 8 onderdeel c BW. Uit de wetgeschiedenis van art. 7:671b lid 8 onderdeel c BW volgt dat een billijke vergoeding slechts verschuldigd is in uitzonderlijke situaties, bijvoorbeeld als er als gevolg van laakbaar gedrag van de werkgever een verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan en de rechter concludeert dat er geen andere optie is dan ontslag, of als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat (TK 2013/14, 33818, nr. 3, p. 34).

15. De kantonrechter heeft op dit punt geoordeeld als volgt:

“Zoals in het kader van de beoordeling van het ontbindingsverzoek van MIF al overwogen: niet is gebleken dat [verweerder] zijn afgesproken “targets” niet heeft gehaald. [verweerder] heeft van zijn kant aannemelijk gemaakt dat dit wél het geval is. In de gesprekken die met [verweerder] zijn aangevoerd, met name de gesprekken vanaf oktober 2015, waarbij [verweerder] naar zijn onweersproken gebleven stellingen herhaalde malen heeft gevraagd naar zijn omzetcijfers, is hem steeds voorgespiegeld dat hij zijn “targets” niet haalde. Nu dat niet juist blijkt te zijn, moet de conclusie luiden dat MIF [verweerder] steeds van onjuiste informatie heeft voorzien, terwijl de van belang zijnde cijfers blijkens de door [verweerder] overgelegde producties […] bij MIF voorhanden waren. Op grond van deze onjuiste informatie is met [verweerder] op
28 januari 2016 gesproken over een beëindiging van zijn dienstverband. Dat dienstverband had toen net een jaar geduurd. De beoordeling van [verweerder] over het eerste kwartaal was goed. Van enige begeleiding, anders dan de algemene opmerkingen aan het adres van [verweerder] dat hij planmatiger moest werken en meer executiekracht moest tonen, en vergelijkbare algemeenheden, is niet gebleken. [verweerder] is op 2 februari 2016 op non-actief gesteld, en hij is gedwongen zijn door MIF ter beschikking gestelde auto en telefoon in te leveren. Gevraagd naar de reden van de op non-actiefstelling heeft MIF ter zitting gezegd niet te weten waarom de non-actiefstelling nodig was.

De hiervoor weergegeven gang van zaken leidt naar het oordeel van de kantonrechter tot de conclusie dat MIF heeft gehandeld in strijd met de vereisten van goed werkgeverschap. De wijze waarop MIF heeft aangestuurd op een beëindiging van het dienstverband heeft geleid tot een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsverhouding. […] MIF valt van de gang van zaken een ernstig verwijt te maken, zodat op grond van art. 671c, tweede lid onder b aan [verweerder] een billijke vergoeding zal worden toegekend van € 6000,- bruto.”

17. Ter onderbouwing van haar grief stelt MIF dat is aangetoond dat de kantonrechter is uitgegaan van verkeerde omzetcijfers met betrekking tot de target en dat [verweerder] aantoonbaar onder de gestelde target is gebleven. Er is ruimschoots begeleiding geweest van MIF en [verweerder] heeft die geaccepteerd. Mogelijkheden tot verbetering heeft [verweerder] echter niet benut. [verweerder] is terecht vrijgesteld van werkzaamheden, nu het einde van het dienstverband aanstaande was en in het belang van de continuïteit van contacten van MIF met klanten en zakenrelaties er in die zin radiostilte in acht werd genomen. Uit het proces-verbaal van de eerste aanleg blijken de redenen die voor de vrijstelling van werkzaamheden door MIF zijn aangevoerd. De zaak wordt te zwaar aangezet in de beschikking omdat er geen sprake was van een non-actiefstelling, maar van een “vrijstelling van werkzaamheden met behoud van loon”. Op grond van art. 16 van de arbeidsovereenkomst en de Personeelsgids stond het MIF volledig vrij om bij vrijstelling van werkzaamheden de auto c.a. en de telefoon in te nemen. MIF heeft [verweerder] tegemoet willen komen door deze zaken te komen ophalen in plaats van door hem te laten brengen. MIF heeft [verweerder] ook tegemoet willen komen door haar aanspraken op het concurrentiebeding te laten vallen, aldus nog steeds MIF.

17. Het hof verenigt zich met het geciteerde oordeel van de kantonrechter en de overwegingen waarop het is gebaseerd, en maakt dit/deze tot de zijne. Daaraan voegt het hof het volgende toe, onder verwerping van wat MIF in hoger beroep aanvoert.

17. Hiervoor in r.o. 7 tot en met 10 is reeds geoordeeld dat [verweerder] zijn target heeft gehaald. De omzetcijfers die dit aantonen zijn ook in hoger beroep onvoldoende weersproken. MIF beschikte over die cijfers, maar heeft deze aan [verweerder] niet verstrekt, hoewel [verweerder] daar herhaalde malen om had gevraagd. MIF heeft steeds volstaan met de onjuiste mededeling dat [verweerder] zijn target niet haalde. De conclusie is dat MIF [verweerder] steeds en kennelijk bewust van onjuiste informatie heeft voorzien en op die basis heeft aangedrongen op beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dat is zonder meer in strijd met het goed werkgeverschap. Van MIF mocht verlangd worden open kaart te spelen. Het hof tekent hierbij aan dat er wellicht andere redenen waren voor MIF om beëindiging van de arbeidsovereenkomst na te streven, bijvoorbeeld omdat zij sterke groeiambities had – vóór het tweede kwartaal van 2017 een verdubbeling van het aantal financials in eigen loondienst realiseren – en dat de prestaties van [verweerder] het verwezenlijken van deze groeiambities belemmerde (beroepschrift in principaal hoger beroep sub 7 en 8), maar dat zou een bewerkelijker grond zijn voor een beëindiging dan het nastreven daarvan op grond van niet halen van een target, reeds omdat [verweerder] betwist dat deze ambitie ooit met hem is gedeeld (verweerschrift in principaal hoger beroep sub 7), dan wel op grond van het missen van kerncompetenties (zie r.o. 12).

17. De kantonrechter heeft geoordeeld dat van enige begeleiding, anders dan de algemene opmerkingen aan het adres van [verweerder] dat hij planmatiger moest werken en meer executiekracht moest tonen, en vergelijkbare algemeenheden, niet is gebleken. Dit is niet anders in het beroepschrift in principaal hoger beroep (sub 39). Eerst bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft MIF, in reactie op het verweerschrift in principaal hoger beroep sub 5 en 17 waarin is herhaald dat er geen reële begeleiding is geweest, enige concretisering gegeven. Dit is in strijd met de goede procesorde en daarom te laat. Het hof gaat aan deze concretisering voorbij. Van MIF had mogen worden verwacht dit punt reeds in het beroepschrift in principaal hoger beroep concreet en feitelijk in te vullen.

17. Het hof acht het zonder meer laakbaar en in strijd met het goed werkgeverschap dat MIF [verweerder] op non-actief heeft gesteld, dan wel zoals zij dat zegt: heeft vrijgesteld van werkzaamheden (hierna kortheidshalve: de schorsing/vrijstelling). Volgens vaste (lagere) jurisprudentie kan van een schorsing/vrijstelling slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn, gelet op het belang van werknemers – zoals [verweerder] – om werkzaam te blijven. Van zo’n uitzonderlijk geval is geen sprake. Anders dan MIF ziet het hof niet in dat een schorsing/vrijstelling van werkzaamheden “begrijpelijk [is] nu het einde van het dienstverband aanstaande was en het in het belang van de continuïteit van contacten van MIF met klanten en zakenrelaties er in die zin radiostilte in acht werd genomen” (beroepschrift in principaal hoger beroep sub 41). Er was geen grond om op een ontbinding van de arbeidsovereenkomst vooruit te lopen, terwijl de schadelijkheid van het verder laten verrichten van werkzaamheden door [verweerder] onvoldoende is onderbouwd. Het is duidelijk dat MIF door deze handelwijze [verweerder] voor een voldongen feit wenste te stellen nadat de laatste niet met een beëindigingsvoorstel wenste in te stemmen. Zo heeft de heer F.W. Claus, directeur van MIF bij comparitie van partijen in eerste aanleg verklaard: “We wilden met een goede minnelijke regeling uit elkaar, daar was mondeling zo goed als een akkoord over bereikt. Toen ging [verweerder] naar zijn toenmalige adviseur, waarmee wij hebben gesproken. Toen kwam er een conflictsituatie waarin alleen nog via de gemachtigden werd gesproken. Vanwege die conflictueuze houding van [verweerder] en het niet meer normaal kunnen praten over de voorwaarden van het minnelijk uiteen gaan, besloot ik om [verweerder] op non-actief te stellen”.
Dit is laakbaar gedrag van MIF.

17. Daar komt nog bij dat het hier gaat om aan loon gelijk te stellen arbeidsvoorwaarden. Nu de schorsing/vrijstelling dateert van 2 februari 2016 geldt de regeling van het loondoorbetalingsrisico in art. 7:628 lid 1 (oud) BW. Deze regeling is met ingang van 1 april 2016 - in ieder geval redactioneel - gewijzigd. Gelet op de datum van de schorsing/vrijstelling kan in het midden blijven of deze wijziging meebrengt dat de oordelen van de Hoge Raad in zijn arrest van 21 maart 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF3057) ook na 1 april 2016 geldend recht vormen. In onderhavige zaak gelden de oordelen uit het arrest van 21 maart 2003 onverkort. Deze oordelen komen er op neer dat dat er recht op loondoorbetaling – waaronder in dit geval ook: de auto en de telefoon – bestaat bij schorsing/vrijstelling, behoudens de tijdelijke uitzonderingen in de zin van art. 7:628 leden 5 en 7 (oud) BW. Dat dergelijke uitzonderingen zich voordoen is gesteld noch gebleken. Het ontzeggen van het gebruik van de auto en de telefoon is dus zonder grond. De regelingen in art. 16 van de arbeidsovereenkomst en de Personeelsgids kunnen hier niet aan afdoen.

17. Het hof acht temeer verwijtbaar dat MIF de auto en de telefoon bij [verweerder] thuis is gaan ophalen. MIF stelt dat zij [verweerder] juist een dienst bewees door de zaken te laten ophalen door de Sales Manager en de HR-functionaris, omdat [verweerder] met die zaken dan niet naar het kantoor van MIF hoefde te komen. Dit standpunt is niet te volgen. [verweerder] heeft onbetwist gesteld dat hij niet bereid was deze zaken vrijwillig in te leveren en voorts dat MIF tot deze actie is overgegaan zonder dat MIF voorafgaand contact met de adviseur van [verweerder] had gezocht zoals door [verweerder] was verzocht. Door deze actie heeft MIF gehandeld op een wijze die als dwingend en intimiderend kan worden ervaren.

17. Deze ernstig verwijtbare handelwijze van MIF heeft geleid tot een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsverhouding, op welke grond de kantonrechter op verzoek van [verweerder] de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden. Daarmee bestaat aanspraak voor [verweerder] op een billijke vergoeding in de zin van art. 7:671c lid 2 onderdeel b BW.

Billijke vergoeding

25. MIF stelt dat de kantonrechter de hoogte van de toegekende billijke vergoeding niet heeft onderbouwd en voorts dat deze vergoeding niet in verhouding staat tot de feiten en omstandigheden van het geval. Voorts moet rekening worden gehouden met de leeftijd van [verweerder] ten tijde van de ontbinding (31 jaar oud), het feit dat er sprake was van een kort dienstverband en [verweerder] vanwege zijn opleidingsniveau goede vooruitzichten heeft op ander werk, aldus nog steeds MIF.

25. Naar het oordeel van het hof was het gedrag van MIF nodeloos diffamerend jegens [verweerder]. Uit de proceshouding van MIF leidt het hof af dat zij het ernstig laakbare van haar handelwijze niet inziet, hetgeen dient te worden gecompenseerd in de billijke vergoeding (TK 2013/14, 33 818, 3, p. 31-33). Deze vergoeding heeft een volledig immateriële component nu concrete schade als gevolg van dit gedrag niet was te verwachten en ook niet is gebleken. Het hof deelt de argumenten van MIF ter zake de goede vooruitzichten van [verweerder], ten tijde van de ontbinding, op ander werk. Het feit dat [verweerder] vrijwel aansluitend ander en beter betaald werk heeft gevonden bevestigt dit.

25. Het hof acht een billijke vergoeding van € 6.000,-- bruto, zoals door de kantonrechter toegekend, passend. Daaruit volgt dat de principale grieven III en IV en de incidentele grief falen. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is nog aan de orde geweest of bij afwijzing van de gevraagde vergoeding van € 12.000,-- alsnog een intrekkingsmogelijkheid moet worden geboden aan [verweerder]. Dat is niet het geval. In onderhavig principaal of incidenteel hoger beroep is het hof niet de rechter die “voornemens is een ontbinding als bedoeld in artikel 671b of 671c uit te spreken” (art. 7:686a lid 7 BW).

25. De principale grief VI luidt dat de kantonrechter het aanbod van MIF om haar stellingen met nadere stukken te onderbouwen heeft gepasseerd. Deze grief faalt. Het is aan MIF om deze stukken desgewenst zelf in het geding te brengen (HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9204, r.o. 3.15).

25. De principale frief VII luidt onder meer dat MIF ten onrechte in de proceskosten van de eerste aanleg is veroordeeld. Deze grief faalt omdat MIF gezien de uitkomst van het geding terecht in de proceskosten van de eerste aanleg is veroordeeld.

25. Aan bewijslevering komt het hof niet toe nu geen ter zake dienende, dan wel onvoldoende concrete bewijsaanbiedingen zijn gedaan.

31. Uit het voorgaande volgt dat de principale grieven en de incidentele grief, en daarmee het principaal hoger beroep, falen. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. MIF zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep. Deze proceskostenveroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals gevorderd. [verweerder] zal in de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep worden veroordeeld. Deze kosten worden op nihil gesteld.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt de bestreden beschikking van de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag van 11 april 2016;

  • -

    veroordeelt MIF in de proceskosten in principaal hoger beroep, aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 314,-- aan griffierecht en € 1.788,-- aan salaris advocaat;

  • -

    verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    veroordeelt [verweerder] in de proceskosten in incidenteel hoger beroep en stelt deze op nihil;

  • -

    wijst af het meer of andere verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.S. van Coevorden, H.J. Vetter en D. Aarts en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 december 2016 in aanwezigheid van de griffier.