Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3518

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
01-12-2016
Zaaknummer
BK-16/00246 tot en met BK-16/00248
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:3877, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of over de jaren 2010, 2011 en 2012 terecht een bijtelling voor privégebruik auto heeft plaatsgevonden. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de bestelauto door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen. Voorts is in geschil of de vergrijpboete terecht is opgelegd. Niet in geschil is dat, indien het gelijk aan de Inspecteur is, de correcties tot een juist bedrag zijn aangebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2661
V-N 2017/9.29.22
FutD 2016-3016
NTFR 2017/87 met annotatie van E.P. Hageman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-16/00246 tot en met BK-16/00248

Uitspraak d.d. 23 november 2016

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 5 april 2016, nummers SGR 15/9318, SGR 15/9320 en SGR 15/9321, betreffende de onder 1.1 vermelde belastingaanslagen en beschikkingen.

Aanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 69.162 (hierna: de navorderingsaanslag). Voor de jaren 2011 en 2012 zijn aan belanghebbende aanslagen IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 69.512 (2011) en € 62.303 (2012) (hierna: de aanslagen). Voor het jaar 2012 is tevens een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 50.064. De Inspecteur heeft bij gelijktijdig met de navorderingsaanslag gegeven beschikking aan belanghebbende een vergrijpboete opgelegd van € 779. Voorts heeft hij bij gelijktijdig met de aanslagen gegeven beschikkingen heffingsrente ten bedrage van € 986 (2010) en € 667 (2011) en belastingrente ten bedrage van € 271 (2012) in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de onder 1.1 vermelde belastingaanslagen en beschikkingen bezwaar gemaakt. Bij uitspraken op bezwaar van 12 november 2015 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft hiertegen beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 45.

1.4.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 oktober 2016. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat in hoger beroep het volgende vast:

3.1.

Belanghebbende drijft sinds 2009 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De activiteiten van belanghebbende bestaan uit het in onderaanneming verrichten van las- en snijwerkzaamheden en zagen van staal.

3.2.

Tot het ondernemingsvermogen behoorde een auto van het merk Mercedes Benz, type Viano CDI 2.2 Trendline, met het kenteken […] (hierna: de bestelauto). De bestelauto is aangeschaft op 10 april 2010.

3.3.

De bestelauto is een bestelauto in de zin van artikel 3, derde lid, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen. Behalve van een stoel voor de chauffeur is de bestelauto voorzien van een bijrijdersstoel en een achterbank.

3.4.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV voor het jaar 2010 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.250. Belanghebbende heeft daarbij aan inkomsten een bedrag van € 52.250 aan winst uit onderneming vermeld. De definitieve aanslag IB/PVV 2010 is conform de aangifte aan belanghebbende opgelegd. Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV voor de jaren 2011 en 2012 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 54.890 en € 55.406.

3.5.

De Inspecteur is met ingang van 8 mei 2014 een boekenonderzoek gestart naar de aanvaardbaarheid van onder meer de aangiften IB/PVV over de jaren 2009 tot en met 2012. Met dagtekening 4 november 2014 is van dit onderzoek een rapport opgemaakt. In het rapport is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

"2.3Administratie

De broer van belastingplichtige, de heer [Y] , verzorgt de administratie. Deze bestaat uit omzetfacturen, bankafschriften, een urenregistratie, alsmede bronnen en rekeningen van de gemaakte kosten. (…).

2.3.1

Contactpersonen

De belastingadviseur is

Naam : [A] B.V.

(…)

De adviseur verzorgt de aangiften inkomstenbelasting."

3.6.

Naar aanleiding van de uitkomsten van het boekenonderzoek heeft de Inspecteur de door belanghebbende aangegeven winst uit onderneming gecorrigeerd met – voor zover hier van belang – een bijtelling voor privégebruik van de bestelauto. De Inspecteur heeft daarop de onder 1.1 vermelde belastingaanslagen en beschikkingen opgelegd, onderscheidenlijk gegeven.

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Tussen partijen is in geschil of over de jaren 2010, 2011 en 2012 terecht een bijtelling voor privégebruik auto heeft plaatsgevonden. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de bestelauto door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen. Voorts is in geschil of de vergrijpboete terecht is opgelegd. Niet in geschil is dat, indien het gelijk aan de Inspecteur is, de correcties tot een juist bedrag zijn aangebracht.

4.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraken op bezwaar, van de navorderingsaanslag, van de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente 2010, alsmede (ambtshalve) vermindering van de aanslagen te berekenen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.890 (2011) en € 55.406 (2012) met dienovereenkomstige vermindering van de beschikkingen heffingsrente en belastingrente.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

6. De Rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

"Aanslagen IB/PVV

7. De rechtbank stelt voorop dat anders dan eiser kennelijk meent het gezien genoemd artikel 3.20 van de Wet IB 2001 niet aan verweerder is om te bewijzen dat eiser met de bestelauto meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden heeft gereden, maar dat het aan eiser is om aan te tonen dat op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden met de bestelauto is gereden.

8. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarin niet is geslaagd. Eiser heeft voor de jaren 2010 en 2011 geen rittenadministraties overgelegd. Voor het jaar 2012 is weliswaar een achteraf opgemaakte rittenadministratie overgelegd, maar eiser heeft niet aangetoond dat van die administratie een aantal van 3.895 kilometer zakelijk is gereden. Ook anderszins heeft eiser niet aangetoond dat de bestelauto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. De enkele verklaring van eiser dat hij met de bestelauto niet privé heeft gereden en dat hem privé een personenauto ter beschikking staat is daartoe onvoldoende. De navorderingsaanslag en aanslagen IB/PVV zijn derhalve terecht aan eiser opgelegd.

Heffings- en belastingrente

9. Nu de aanslagen terecht aan eiser zijn opgelegd, is voorts gezien het bepaalde in de artikelen 30f en volgende van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) terecht heffingsrente en belastingrente aan eiser in rekening gebracht. Gesteld noch gebleken is dat deze renten niet overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk VA van de Awr zijn berekend.

Aanslag Zvw

10. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat voor het jaar 2012 het belastbaar inkomen uit werk en woning hoger is dan het voor 2012 geldende maximum bijdrage‑inkomen Zvw van € 50.064. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw 2012 terecht en naar een juist bedrag aan eiser is opgelegd.

Vergrijpboete

11. Op grond van artikel 67e van de Awr kan met betrekking tot belastingen die bij wege van aanslag worden geheven gelijktijdig met het vaststellen van de navorderingsaanslag aan de belastingplichtige een vergrijpboete worden opgelegd, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.

Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. Daarbij kan worden gedacht aan laakbare slordigheid of aan ernstige nalatigheid. Bij grove schuld had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven of betaald. In geval van grove schuld wordt ingevolge § 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst een vergrijpboete van 25% opgelegd. De bewijslast dat sprake is van grove schuld rust op verweerder.

12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat in het onderhavige geval sprake is van grove schuld. Met verweerder kan worden ingestemd dat eiser had moeten weten dat ten aanzien van een bestelauto op de voet van het bepaalde in artikel 3.20 van de Wet IB 2001 in beginsel een bijtelling voor privégebruik in aanmerking moet worden genomen. Verweerders standpunt dat het hier een feit van algemene bekendheid betreft, acht de rechtbank voldoende voor de conclusie dat eiser grofschuldig te weinig belasting heeft betaald. De omstandigheid dat eiser zich bij het starten van zijn onderneming kennelijk niet heeft verdiept in de fiscale gevolgen, dient voor zijn risico te blijven.

13. Gelet op wat hiervoor is overwogen zijn de beroepen ongegrond verklaard.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

Beoordeling van het hoger beroep

Bijtelling privégebruik auto

7.1.

Op grond van artikel 3.20, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) wordt, indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometers voor privédoeleinden wordt gebruikt, de onttrekking als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, gesteld op nihil. Het vierde lid van artikel 3.20 van de Wet IB 2001 bepaalt dat voor de toepassing van dit artikel onder auto wordt verstaan een personenauto of bestelauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, met uitzondering van de bestelauto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen.

7.2.

Belanghebbende heeft gesteld dat de bestelauto een speciale uitvoering is met een extra grote laadruimte en dat de laadruimte gevuld is met gereedschappen. Vast staat dat de bestelauto behalve van een stoel voor de chauffeur is voorzien van een bijrijdersstoel en een achterbank. Ook heeft de gemachtigde van belanghebbende ter zitting van het Hof verklaard dat belanghebbende werkspullen, met name zijn werkkleding en regenlaarzen, op de achterbank legt, waardoor de auto zo is vervuild dat de bestelauto niet geschikt is voor vervoer anders dan goederenvervoer.

7.3.

Volgens vaste jurisprudentie kan, onder omstandigheden, sprake zijn van een bestelauto die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen indien in de bestuurderscabine meer dan één stoel aanwezig is en in die cabine geen voorzieningen zijn aangebracht die zijn gericht op het vervoer van goederen (vgl. Hoge Raad 29 mei 2009, nr. 43602, ECLI:NL:HR:2009:BB3475 en Hoge Raad 18 september 2009, nr. 08/00707, ECLI:NL:HR:2009:BJ7918).

7.3.1.

Belanghebbende heeft gewezen op een uitspraak van Hof Arnhem van 13 december 2011 (nrs. 11/00493 en 11/00494, ECLI:NL:GHARN:2011:BU9130) waarin dat Hof oordeelde dat ondanks de aanwezigheid van een bijrijdersstoel de bestelauto (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor vervoer van goederen omdat de laadruimte en de stoelen door het gebruik vies en stoffig zijn en dat de bijrijder moet assisteren bij het laden en lossen.

Naar ’s Hofs oordeel is het door het Hof Arnhem berechte geval niet vergelijkbaar met dat van belanghebbende. Daarbij neemt het Hof het volgende in aanmerking. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat het weinig voorkomt dat er iemand met belanghebbende meerijdt en dat, wanneer er iemand meerijdt, de reden daarvoor is dat de meerijder geen eigen vervoer heeft en dus niet dat het meerijden noodzakelijk is in verband met het vervoer van goederen, bijvoorbeeld omdat de meerijder moet helpen bij het laden en lossen. Op dat punt verschilt het door Hof Arnhem berechte geval dus wezenlijk van het onderhavige. Een tweede punt van verschil is dat de bestelauto een achterbank heeft terwijl daarvan in het door Hof Arnhem berechte geval geen sprake was.

7.3.2.

Gelet op het een en ander is het Hof van oordeel dat de bestelauto niet (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen. De stelling van belanghebbende dat de bestelauto vervuild is, is – nog daargelaten de juistheid van die stelling – onvoldoende om enkel op grond daarvan te oordelen dat de bestelauto uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen.

7.4.

Belanghebbende heeft in de onderhavige jaren geen rittenregistratie bijgehouden. Alleen voor het jaar 2012 heeft belanghebbende een achteraf opgemaakte rittenregistratie aan de Inspecteur gezonden. Daarin is van 3.895 kilometers onduidelijk of ze zakelijk zijn gereden. Ook op andere wijze heeft belanghebbende niet doen blijken dat de bestelauto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. De omstandigheid dat zijn partner beschikt over een privéauto is daartoe onvoldoende. De bijtelling privégebruik auto is daarom terecht in aanmerking genomen.

Vergrijpboete

7.5.

Aan belanghebbende is, gelijktijdig met het opleggen van de navorderingsaanslag, op grond van artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd wegens aan belanghebbende te wijten grove schuld dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. De vergrijpboete bedraagt 25 percent van het bedrag van de navorderingsaanslag. De Inspecteur dient aannemelijk te maken dat het aan de grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de (primitieve) aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 tot een te laag bedrag is vastgesteld. Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur daarin niet geslaagd. Daartoe overweegt het Hof het volgende.

7.6.

Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende onweersproken verklaard dat hij de boekhouding van belanghebbende deed, dat hij de stukken en andere gegevens die nodig waren voor het doen van aangifte verstrekte aan [A] B.V., dat [A] B.V. aan de hand daarvan de aangifte opstelde en vervolgens indiende, dat uit de aan [A] B.V. ter beschikking gestelde informatie bleek dat belanghebbende over een bestelauto beschikte en dat de adviseur van de [A] B.V. nooit tegen (de gemachtigde van) belanghebbende heeft gezegd dat er voor het gebruik van de bestelauto een bijtelling bij de winst van belanghebbende diende plaats te vinden. Het Hof leidt hieruit af dat het (mede) aan de grove schuld van de adviseur van [A] B.V. is te wijten dat de definitieve aanslag voor het jaar 2010 op een te laag bedrag is vastgesteld. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 1 december 2006, nr. 40369, ECLI:NL:HR:2006:AU7741, heeft overwogen, kan het enkele inschakelen van een adviseur, wiens grove schuld wordt vastgesteld, niet het vermoeden rechtvaardigen dat belanghebbende zelf grove schuld heeft.

7.7.

De omstandigheid dat de belastingplichtige een adviseur heeft ingeschakeld, aan wie grove schuld kan worden verweten, kan samengaan met de mogelijkheid dat bij de belastingplichtige zelf grove schuld aanwezig is geweest. In dat verband kan van belang zijn of de belastingplichtige de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kan worden gevergd bij de keuze van zijn adviseur (vgl. Hoge Raad 1 december 2006, nr. 40369, ECLI:NL:HR:2006:AU7741). Dat hiervan in dit geval sprake zou zijn, is door de Inspecteur niet gesteld en ook overigens niet gebleken.

7.8.

Indien een belastingplichtige zich laat bijstaan door een adviseur die hij voor voldoende deskundig mocht houden en aan wiens zorgvuldige taakvervulling hij niet behoefte te twijfelen, is er geen aanleiding tot het stellen van de algemene eis dat de belastingplichtige zich ter voorkoming van fouten ook zelf in de inhoudelijke aspecten van op hem toepasselijke belastingregelingen verdiept (vgl. Hoge Raad 13 februari 2009, nr. 07/12891, ECLI:NL:HR:2009:BH2586). Hiervan uitgaande behoefde belanghebbende, anders dan de Inspecteur stelt, zich niet in de inhoudelijke aspecten van de regeling inzake de bijtelling privégebruik auto te verdiepen.

7.9.

Het Hof volgt de Inspecteur niet in diens standpunt dat de voor de berechting van het onderhavige geval relevante bijzonderheden van de regeling inzake de bijtelling privégebruik van algemene bekend zijn en dat belanghebbende daarom, wat er ook zij van de toerekening van de grove schuld van de adviseur van [A] B.V., voor het zondermeer voorbijgaan aan de regeling grove schuld kan worden verweten. De omstandigheid dat in televisiereclames voor bepaalde automerken de bijtelling privé gebruik wordt genoemd, is onvoldoende om, enkel op grond daarvan, te veronderstellen dat belanghebbende moet hebben geweten dat hij ter zake van het privégebruik van de bestelauto belasting verschuldigd was. Ook anderszins heeft de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat het aan zijn grove schuld is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven.

Slotsom

7.10.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 7.5 tot en met 7.9 is overwogen, is het hoger beroep gegrond en zal het Hof beslissen zoals hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) en de daarbij behorende bijlage, vast op € 992 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank (1 punt voor indienen van een beroepschrift en 1 punt voor verschijnen ter zitting à € 496 per punt x 1 (gewicht van de zaak)). Naar het oordeel van het Hof is de bijstand die de gemachtigde van belanghebbende hem in hoger beroep heeft verleend, geen door een derde beroepsmatig verleend rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onderdeel a van het Bpb. Ook overigens acht het Hof voor een hogere vergoeding geen termen aanwezig.

8.2.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 45, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 124 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze de boetebeschikking betreft;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 992;

  • -

    gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 169 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. J.J.J. Engel en mr. S.E. Postema, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits. De beslissing is op 23 november 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.