Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3498

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-11-2016
Datum publicatie
13-12-2016
Zaaknummer
200.103.964/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:916, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad; onvrijwillig bijwonen van get-zitting bij joodse rechtbank. Eindarrest. Schadevergoeding. Immateriële schade. Materiële schade; verwijzing naar schadestaatprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3820
PS-Updates.nl 2017-0013
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.103.964/01

Rolnummer Hoge Raad : 10/01342

Zaaknummer hof Amsterdam : 200.000.648/01

Zaak/rolnummer rechtbank Amsterdam : 322420/HA ZA 05-2308

Arrest van 29 november 2016

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

1 Nederlandse Israëlitische Hoofdsynagoge, h.o.d.n. Joodse Gemeente Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: NIHS,

advocaat: mr. M. Ellens te Amsterdam,

en

2 [geïntimeerde 1] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

3. [geïntimeerde 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna te noemen: [geïntimeerde 1] , respectievelijk [geïntimeerde 2] , en gezamenlijk [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. H. Loonstein.

Het verdere verloop van het geding

Bij tussenarrest van 23 juni 2015 heeft het hof een comparitie van partijen gelast en bepaald dat [appellant] de onder rechtsoverweging 29 gevraagde schadeopstelling uiterlijk 1 september 2015 aan de griffie van het hof diende te zenden.

[appellant] heeft een akte, met producties, genomen, waarop [geïntimeerden] bij antwoordakte hebben gereageerd.

[appellant] heeft bij brief van 25 januari 2016 nog een aantal stukken aan het hof toegezonden.

De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 14 april 2016. Van de comparitie is een proces-verbaal opgemaakt.

Vervolgens heeft [appellant] een akte, met producties, genomen, waarna [geïntimeerden] eveneens een akte hebben genomen.

Partijen hebben andermaal de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Verdere beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof volhardt bij hetgeen is overwogen en beslist in zijn tussenarrest van 23 juni 2015.

2. Bij dat tussenarrest heeft het hof onder 26 overwogen dat voor zover [appellant] (psychische) schade heeft geleden die is toe te rekenen aan het onrechtmatige handelen van [geïntimeerde 1] (en de andere rabbijnen) bestaande in het onder de gegeven omstandigheden meewerken aan de get-zitting tegen de wil van [appellant] – de schade die [appellant] stelt te hebben geleden als gevolg van de mishandeling door de twee Israëlische mannen valt daar dus niet onder – [geïntimeerde 1] hiervoor aansprakelijk is. In dit verband heeft het hof opgemerkt dat [appellant] stelt ook immateriële schade te hebben geleden. Het hof heeft voorts overwogen dat nu [appellant] schadevergoeding op te maken bij staat vordert, voor toewijzing van deze vordering voldoende is dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is en dat in het licht van de gang van zaken tijdens de get-zitting zoals die blijkt uit de door het hof geciteerde verklaringen, in onderlinge samenhang beschouwd, naar het oordeel van het hof aan deze eis is voldaan. Het hof heeft evenwel, in aanmerking nemende dat [appellant] , gezien het tijdsverloop sinds de inleidende dagvaarding van bijna tien jaren, in staat moet zijn om zijn schade te begroten, aanleiding gezien de zaak van [appellant] tegen [geïntimeerde 1] niet te verwijzen naar de schadestaatprocedure, maar deze aan zich te houden en af te doen overeenkomstig het bepaalde in artikel 612 Rv.

3. Het hof heeft een comparitie van partijen gelast teneinde met [appellant] en [geïntimeerde 1] de door [appellant] in te dienen schadeopstelling te bespreken en een minnelijke regeling te beproeven. Het hof heeft er (nogmaals) op gewezen dat het daarbij niet gaat om de schade die het gevolg is van de mishandeling door de twee Israëlische mannen, maar om eventuele overige schade die [appellant] als gevolg van het tegen zijn wil hebben moeten bijwonen van de get-zitting heeft geleden. Het hof heeft [appellant] verzocht ten behoeve van de bespreking ter comparitie ingevolge artikel 612 Rv. zijn schade te specificeren in een schadeopstelling, deugdelijk toegelicht en onderbouwd met relevante stukken, en deze aan het hof en (de raadsman van) [geïntimeerde 1] te doen toekomen. [geïntimeerde 1] zou vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren.

4. [appellant] heeft bij akte (medische) stukken overgelegd betreffende de gevolgen van zijn mishandeling. Hij stelt dat de schade lastig in een bedrag is uit te drukken. Vooralsnog noemt hij een bedrag van (primair) € 1.500.000,--.
Bij die akte stelt hij voorts dat de rabbijnen op 8 maart 2000 het convenant hebben weggemaakt. De echtscheiding is uitgesproken door het rabbinale gerecht te Jeruzalem. [appellant] heeft een afschrift van het vonnis met een (onofficiële) Nederlandse vertaling overgelegd. In het convenant waren in afwijking van dit vonnis enige afspraken gemaakt. Door het verloren gaan van het convenant heeft [appellant] , naar hij stelt, de volgende schade geleden.
(i) In het convenant heeft zijn ex-echtgenote afstand gedaan van de ten laste van [appellant] door de Israëlische rechter vastgestelde kinderalimentatie. Hierdoor bleef de kinderalimentatie van NIS 2.500 (per maand) in stand. Als gevolg van het wegmaken van het convenant heeft [appellant] thans een schuld aan de bevoegde instantie te Israël ter zake van (achterstallige) kinderalimentatie. Zijn schade bestaat uit deze schuld.
(ii) Naar [appellant] stelt, heeft zijn ex-echtgenote de woning van zijn moeder verkocht, terwijl in het convenant was overeengekomen dat iedere partij behield wat hij of zij vanuit zijn of haar familie had ingebracht en dat van een boedelscheiding werd afgezien. De woning kwam dus volgens het convenant aan [appellant] toe en niet aan zijn ex-echtgenote. Zijn schade bestaat uit de waarde van de familiewoning.
(iii) [appellant] was door de rechter in Israël veroordeeld in de proceskosten van NIS 3.000,--. In het convenant is echter afgesproken dat iedere partij de eigen kosten zou dragen. Zijn schade als gevolg van het wegmaken van het convenant bestaat uit de proceskosten, vermeerderd met rente en kosten.

5. [geïntimeerde 1] betwist bij gebrek aan wetenschap dat tussen [appellant] en zijn ex-echtgenote een convenant tot stand is gekomen. Dit is in ieder geval niet aan de orde geweest tijdens de get-zitting; noch het convenant, noch een concept, is overgelegd, aldus [geïntimeerde 1] . Ook betwist hij dat dit convenant of andere stukken tijdens de get-zitting is of zijn weggenomen. [appellant] heeft het beweerdelijk wegmaken van het convenant door de rabbijnen niet eerder aan zijn vordering ten grondslag gelegd; in dit stadium van de procedure is dat niet meer mogelijk, aldus [geïntimeerde 1] . [geïntimeerde 1] betwist voorts dat de rabbijnen enige bemoeienis hebben gehad met de in Israël gevoerde procedures. Hij wijst erop dat de door [appellant] overgelegde stukken alle zien op de beweerdelijke gevolgen van de mishandeling.

6. Voorafgaande aan de comparitie heeft [appellant] nog schriftelijke stukken aan het hof gestuurd. Deze stukken dienen ter ondersteuning van de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde 1] en de andere rabbijnen met de twee Israëli’s een groep vormden en dat [geïntimeerde 1] als lid van deze groep hoofdelijk aansprakelijk is voor door de twee Israëli’s in dit groepsverband aan [appellant] toegebrachte schade in de zin van art. 6:166 lid 1 BW. Die stelling heeft het hof verworpen in rechtsoverwegingen 22 en 23 van zijn tussenarrest van 23 juni 2015. In de door [appellant] nadien overgelegde stukken ziet het hof geen aanleiding om op zijn bindende eindbeslissing hierover terug te komen.

7. Tijdens de comparitie van partijen heeft [appellant] verklaard dat het echtscheidingsconvenant door rabbijn [J.] is opgesteld en vanuit het rabbinaat aan hem is toegestuurd, dat de laatste concept-versie dateerde van ongeveer drie weken voor de ontvoering en dat deze nog niet was getekend. Volgens zijn verklaring was in het convenant een regeling getroffen over de boedelscheiding en de kinderalimentatie, inhoudende dat de ex-vrouw van [appellant] afstand deed van de kinderbijdragen en dat zij afzag van een boedelscheiding, in die zin dat partijen zouden houden wat zij bij het aangaan van het huwelijk vanuit de familie hadden ingebracht. [appellant] heeft verder verklaard dat op 8 maart 2000, toen hij door de twee Israëlische mannen uit zijn appartement werd ontvoerd, het concept-convenant is meegenomen en afgegeven aan de rabbinale rechtbank, dat [geïntimeerde 2] , [J.] en [geïntimeerde 1] naar de stukken hebben gekeken en dat hij het convenant niet heeft teruggekregen. Hoewel er dus al overeenstemming was over het convenant, heeft de ondertekening door zijn ex-vrouw en hem uiteindelijk niet plaatsgevonden, aldus de verklaring van [appellant] . Mr Liefting heeft ter zitting het concept-convenant getoond. Hij heeft verzocht dit (in het Hebreeuws gestelde) convenant, met een onofficiële Nederlandse vertaling, in het geding te mogen brengen. [appellant] heeft in dit verband nog verklaard dat hij het woord convenant eerst niet kende, dat hij daarom aan de politie niet uit kon leggen dat het gestolen was en dat hij het altijd over ‘documenten’ heeft gehad.

8. Wat betreft de schade heeft [appellant] verklaard dat hij niet meer terug kan naar Israël vanwege de enorme schuld aan kinderalimentatie, dat indien [geïntimeerde 1] tijdens het proces had ingegrepen en hem in bescherming had genomen, hij niet de schade zou hebben gehad waarmee hij tot de dag van vandaag wordt geconfronteerd en dat hij hiermee ook de schade die is ontstaan door het niet tekenen van het convenant bedoelt. Dan zou het convenant zijn getekend en had hij geen kinderalimentatieschuld gehad, aldus de verklaring van [appellant] . Volgens zijn verklaring had zijn ex-vrouw een bankgarantie van $ 100.000 gesteld tot zekerheid voor de nakoming van haar verplichtingen onder het convenant, kwam het haar goed uit dat het convenant is weggenomen en was het dus niet in haar belang het echtscheidingsconvenant te tekenen. [appellant] heeft nog verklaard dat hij voor de Nederlandse wet nog steeds getrouwd is en dat voor de Joodse gemeenschap (wereldwijd) onduidelijk is of hij nu gescheiden is of niet; daar wordt vanwege de mishandeling verschillend over gedacht.

9. Mr Liefting heeft aan de verklaring van [appellant] nog toegevoegd dat de ex-vrouw van [appellant] in Jeruzalem enige appartementen heeft die worden verhuurd, dat [appellant] recht heeft op de helft van de huurinkomsten, dat zijn inkomen uit arbeid tezamen met een gedeelte van de huur op € 2.500 per maand kwam en dat [appellant] aanspraak maakt op doorbetaling van dit inkomen tot het moment van het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Mr Liefting heeft voorts verklaard dat [appellant] € 250.000 smartengeld eist, dat hij herstel wil van de afspraken zoals in het convenant opgenomen, een vergoeding van advocatenkosten van, naar schatting, € 95.000 en verder excuses en kwijtschelding van de schuld in Israël vanwege de kinderalimentatie.

10. Mr Loonstein heeft ter comparitie verklaard dat hij voor de zitting aan zijn cliënt [geïntimeerde 1] heeft gevraagd of het klopt dat het convenant tijdens de get-zitting aan de rabbijnen is overhandigd en dat [geïntimeerde 1] zegt dat dit niet waar is. Hij maakt bezwaar tegen het overleggen van het convenant in dit stadium van de procedure alsmede tegen de vertaling daarvan. Verder betwist hij dat [appellant] huurinkomsten heeft gehad. Naar hij verklaart, wist [geïntimeerde 1] niets van het convenant, blijkt diens betrokkenheid bij het convenant nergens uit en betwist hij dat het convenant is weggenomen. Indien, zoals nu blijkt, het convenant niet is getekend, moet [appellant] bewijzen dat er wel overeenstemming is bereikt. [appellant] heeft eerder niets gezegd over het wegnemen van het convenant en dat is ook niet in de processen-verbaal van de politieverhoren te lezen. Mr Loonstein heeft voorts verklaard dat door het plaatsvinden van de get-zitting [appellant] niets heeft weggegeven. Van tevoren was namelijk al overeenstemming bereikt dat [appellant] een get-verklaring zou afgeven; alleen het wegnemen van het convenant is niet voldoende voor causaal verband, aldus mr Loonstein.

11. Het hof heeft bij monde van de voorzitter medegedeeld dat niet is uit te sluiten dat het convenant relevant is voor de vaststelling van de schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 1] en dat het hof het van belang acht om van het convenant met een vertaling daarvan kennis te kunnen nemen. Nu [appellant] reeds bij akte had gesteld dat het convenant was weggenomen, is het hof aan het bezwaar van mr Loonstein tegen het in het geding brengen van het convenant in dit stadium van de procedure voorbijgegaan. Het hof heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld bij akte een leesbare versie van het convenant in het geding te brengen, voorzien van een korte toelichting waarom dit relevant is voor de schade. Het hof heeft bepaald dat [geïntimeerde 1] hierop bij akte kan reageren. Het heeft de zaak naar de rol verwezen.

12. [appellant] heeft bij akte het convenant met een vertaling en overige stukken in het geding gebracht.

13. [geïntimeerde 1] heeft bezwaar gemaakt tegen het overleggen van de overige stukken. Wat betreft het overgelegde convenant merkt [geïntimeerde 1] op dat de toelichting waarom het (niet ondertekende) convenant relevant is voor de schade, zoals door het hof verzocht, ontbreekt. [geïntimeerde 1] bestrijdt dat het convenant door rabbijn [J.] is opgesteld; dat blijkt ook nergens uit, aldus [geïntimeerde 1] . Ook stelt hij dat de vertaling niet correct is. Overigens maakt volgens [geïntimeerde 1] de aanhef van de vertaling duidelijk dat het convenant afkomstig is van de Israëlische advocaat Raiskin. Verder stelt [geïntimeerde 1] dat, naar [appellant] ter comparitie heeft verklaard, het convenant nog niet was getekend, zodat dit inmiddels vaststaat. Van het wegmaken van een getekend convenant is dus geen sprake, aldus [geïntimeerde 1] . Hij wijst er nog op dat indien, zoals [appellant] stelt, wel reeds mondeling overeenstemming was bereikt over de inhoud van het convenant, dit de vraag oproept op welke gronden [appellant] meende dat hij niet zou hebben moeten meewerken aan het schrijven van de get. Uit het door [appellant] overgelegde convenant blijkt immers dat partijen hebben afgesproken dat [appellant] zal meewerken aan de rabbinale echtscheiding, hetzij bij de rechtbank van rabbijn [J.] , hetzij bij de rechtbank in Jeruzalem, aldus [geïntimeerde 1] .

14. Naar het hof begrijpt, houden de stellingen van [appellant] (tevens) in dat zijn ex-vrouw mede als gevolg van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 1] niet meer heeft willen meewerken aan ondertekening dan wel nakoming van het convenant. Daarin is bepaald dat zij afstand doet van haar recht op kinderalimentatie en dat zij afziet van een boedelscheiding, waardoor [appellant] de familiewoning, die hij bij het huwelijk had ingebracht, zou behouden. Hier stond tegenover dat overeenkomstig het convenant [appellant] gehouden was mee te werken aan het schrijven van de get. Bij nakoming door [appellant] van deze verplichting heeft zijn ex-vrouw geen belang meer, nu [appellant] mede als gevolg van het onrechtmatig handelen van de rabbijnen tegen zijn wil de get reeds heeft gegeven. De schade die hij stelt hierdoor te hebben geleden – de kinderalimentatieschuld, het verlies van de familiewoning en de verplichting tot betaling van de advocatenkosten van zijn ex-vrouw – wordt door de inhoud van het convenant onderbouwd. Of het convenant door de rabbijnen is weggenomen, zoals [appellant] stelt en [geïntimeerde 1] betwist, kan daarbij in het midden blijven. In het licht van het voorgaande is de mogelijkheid dat [appellant] als gevolg van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 1] , naast immateriële schade, ook materiële schade heeft geleden aannemelijk geworden. Het hof is evenwel niet in staat aan de hand van door [appellant] genoemde bedragen, die niet met stukken zijn onderbouwd en die door [geïntimeerde 1] worden betwist, de gestelde materiële schade nu reeds te begroten. Het zal de zaak daarvoor alsnog verwijzen naar de schadestaatprocedure.

15. De overige door [appellant] na de comparitie bij akte overgelegde stukken zal het hof buiten beschouwing laten. Het hof heeft bij tussenarrest van 23 juni 2015 [appellant] in de gelegenheid gesteld, voorafgaand aan de comparitie van partijen, de (psychische) schade die hij heeft geleden door het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 1] (en de andere rabbijnen), bestaande in het onder de gegeven omstandigheden meewerken aan de get-zitting tegen de wil [appellant] , te specificeren en te onderbouwen met relevante stukken. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft het hof [appellant] op zijn verzoek toegelaten alsnog, bij akte na comparitie, (alleen) het toen door zijn advocaat getoonde convenant, met een vertaling, in het geding te brengen. [geïntimeerde 1] heeft bezwaar gemaakt tegen het overleggen van andere producties van [appellant] dan het convenant met vertaling. In het licht hiervan en gelet op het zeer late stadium van de procedure, is het overleggen van deze producties in strijd met de goede procesorde.

16. Het hof is van oordeel dat het op 8 maart 2000 onder dwang en dreiging met geweld hebben moeten bijwonen van de get-zitting van de rabbinale rechtbank, als een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [appellant] moet worden aangemerkt. Hij heeft als gevolg van de medewerking van de rabbijnen in hun functie van rechter in een joodse rechtbank (Beth Din) aan de get-zitting, waarbij hij tegen zijn wil aanwezig was, enkele uren in een voor hem zeer bedreigende situatie verkeerd. Dit valt af te leiden uit de omstandigheden dat [appellant] tegen de rabbijnen heeft gezegd dat hij was ontvoerd en mishandeld en dat de rabbijnen hierop niet hebben gereageerd, dat hij in de synagoge door de Israëlische mannen op het toilet op zijn benen is geslagen, dat hij zijn (reeds voor de get-zitting toegebrachte) verwondingen aan de rabbijnen heeft getoond hetgeen de rabbijnen hebben genegeerd, dat hij flauw is gevallen, dat hij een ruit heeft ingeslagen en om hulp heeft geroepen en dat hij heeft gevreesd voor zijn leven. In die zin is sprake van een ernstige aantasting van de persoonlijke integriteit van [appellant] en dus van een aantasting in de persoon op andere wijze, als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 onder b BW. Het hof stelt de vergoeding van de immateriële schade van [appellant] naar billijkheid vast op € 5.000,--.

17. Het hof zal daarom het bestreden vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2007 vernietigen en dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente, alsnog toewijzen. In het tussenarrest van 23 juni 2015 onder 25 heeft het hof reeds overwogen dat [geïntimeerde 1] onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld door onder de gegeven omstandigheden mee te (blijven) werken aan de get-zitting, terwijl hem duidelijk was dat [appellant] niet vrijwillig aanwezig was en onder druk werd gezet en dat de gevorderde verklaring voor recht dat [geïntimeerde 1] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, toewijsbaar is. Het hof zal dus na vernietiging ook die vordering alsnog toewijzen. Het vonnis zal voor het overige worden bekrachtigd. [geïntimeerde 1] zal worden veroordeeld in de kosten van [appellant] van de eerste aanleg en het hoger beroep. Bij de proceskostenveroordeling wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat [appellant] een toevoeging heeft en de zaak is aangebracht voor 1 november 2010. De kosten van het cassatieberoep zijn door de Hoge Raad gereserveerd tot de einduitspraak. [geïntimeerde 1] wordt veroordeeld in de kosten van het cassatieberoep aan de zijde van [appellant] . Deze kosten zijn door de Hoge Raad reeds vastgesteld en worden overgenomen.

18. In zijn tussenarrest van 23 september 2015 heeft het hof onder 11 geoordeeld dat de vordering tegen [geïntimeerde 2] is verjaard. De vordering tegen hem is om die reden niet toewijsbaar. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd voor zover daarbij de vordering tegen [geïntimeerde 2] is afgewezen. [appellant] zal worden verwezen in de kosten van het hoger beroep voor zover ingesteld tegen [geïntimeerde 2] . Nu [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] door dezelfde advocaat worden vertegenwoordigd, begroot het hof de kosten van het hoger beroep voor zover tegen [geïntimeerde 2] gericht op de helft van het ten laste van hen geheven griffierecht en de helft van de geliquideerde kosten. [appellant] wordt voorts veroordeeld in de kosten van het cassatieberoep voor zover gericht tegen [geïntimeerde 2] . Deze kosten zijn door de Hoge Raad aan de zijde van NIHS c.s. vastgesteld op nihil.

19. In zijn tussenarrest van 23 juni 2015 heeft het hof onder 6 overwogen dat niet kan worden aangenomen dat [geïntimeerde 1] door als rabbijn deel te nemen aan de get-procedure handelde in dienst van NIHS en dat onder de gegeven omstandigheden NIHS niet verantwoordelijk is voor de handelwijze van [geïntimeerde 1] als lid van het rabbinale gerecht. De vordering van [appellant] tegen NIHS is dus niet toewijsbaar. Het vonnis van de rechtbank zal daarom eveneens worden bekrachtigd voor zover daarbij de vordering tegen NIHS is afgewezen, zulks met verbetering van gronden. [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep voor zover gericht tegen NIHS. [appellant] wordt voorts veroordeeld in de kosten van het cassatieberoep tegen NIHS. Deze kosten zijn door de Hoge Raad aan de zijde van NIHS c.s. vastgesteld op nihil.

20. Wegens het overlijden van mr. I.M. Davids, een van de raadsheren ten overstaan van wie de comparitie van partijen heeft plaatsgevonden, is dit arrest niet mede door haar gewezen. Voorafgaand aan het wijzen van dit arrest is aan partijen medegedeeld dat mr. Davids is overleden en dat om die reden haar vervanging noodzakelijk is. Geen van partijen heeft verzocht om een nieuwe mondelinge behandeling. Van de comparitie van partijen is overigens een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is toegezonden.

Beslissing

Het hof:

 vernietigt het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2007 voor zover gewezen tussen [appellant] en [geïntimeerde 1] ,

en, opnieuw rechtdoende,

 verklaart voor recht dat [geïntimeerde 1] (gelet op de in het tussenarrest van dit hof van 23 juni 2015 weergegeven omstandigheden) onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] ;

 veroordeelt [geïntimeerde 1] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] terzake van immateriële schade te voldoen een bedrag van € 5.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2000 tot aan de dag der algehele voldoening;

 veroordeelt [geïntimeerde 1] tot vergoeding van de als gevolg van dit onrechtmatig handelen door [appellant] geleden materiële schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

 wijst af het anders of meer gevorderde;

 veroordeelt [geïntimeerde 1] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.406,60 waarvan te voldoen:

( a) aan de griffier van de rechtbank Amsterdam € 1.333,85, te weten

- € 118,25 voor in debet gesteld griffierecht,

- € 85,60 voor kosten inleidende dagvaarding en € 1.130,-- voor salaris advocaat, waarmee de griffier zal handelen overeenkomstig het bepaalde in art. 243 (oud) Rv,

waarvoor [geïntimeerde 1] een factuur van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) met betaalinstructies zal ontvangen, en

( b) aan [appellant] € 72,75 voor niet in debet gesteld griffierecht;

 veroordeelt [geïntimeerde 1] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 3.168,31 waarvan te voldoen:

( c) aan de griffier van het hof € 3.067,81, te weten

- € 301,50 voor in debet gesteld griffierecht,

- € 84,31 voor kosten appeldagvaarding en € 2.681,-- voor salaris advocaat, waarmee de griffier zal handelen overeenkomstig het bepaalde in art. 243 (oud) Rv,

waarvoor [geïntimeerde 1] een factuur van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) met betaalinstructies zal ontvangen, en

( d) aan [appellant] € 100,50 voor niet in debet gesteld griffierecht;

 veroordeelt [geïntimeerde 1] in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van [appellant] begroot op € 260,10 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris advocaat;

 verklaart de veroordeling tot betaling van € 5.000,-- met wettelijke rente, alsmede de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

voorts:

 bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2007 voor zover gewezen tussen [appellant] en [geïntimeerde 2] ;

 veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 2] begroot op € 203,-- aan verschotten en € 1.341,-- voor salaris advocaat;

 veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van [geïntimeerde 2] begroot op nihil;

en

 bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2007 voor zover gewezen tussen [appellant] en NIHS;

 veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van NIHS begroot op € 402,-- aan verschotten en € 2.682,-- voor salaris advocaat;

 veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van NIHS begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J. Verduyn, P.M. Verbeek en F.R. Salomons en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 november 2016 in aanwezigheid van de griffier.