Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3497

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
24-11-2016
Zaaknummer
200.130.141/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig handelen van de Staat/Jeugdzorg bij totstandkoming en/of tenuitvoerlegging van beschikking(en) strekkende tot uithuisplaatsing/maatregelen van kinderbescherming? Toetsingskader. Onderscheiden verdragen. Rol Europees van Justitie/Europees Hof voor de rechten van de mens. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2017/35

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel

Zaaknummer : 200.130.141/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : C/09/424946/HA ZA 12-967

arrest van de familiekamer d.d. 18 oktober 2016

inzake

  1. [de man] en

  2. [de vrouw] ,

beiden wonende te [plaatsnaam] (Duitsland),

appellanten,

advocaat: mr. H.F.M. Struycken te Amsterdam.

tegen

1. De publiekrechtelijke rechtspersoon STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

hierna te noemen: de Staat,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.M.C. van Graafeiland te Den Haag.

2. De stichting STICHTING BUREAU JEUGDZORG NOORD, voorheen genaamd STICHTING BUREAU JEUGDZORG GRONINGEN,

gevestigd te Groningen,

hierna te noemen: BJZ,

advocaat mr. P.J. Montanus te Den Haag.

Het geding

Appellanten zijn bij exploot van 3 juni 2013 in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 maart 2013 en een tussenvonnis van 4 februari 2013, gewezen tussen appellanten als eisers en de Staat en BJZ als gedaagden.

Appellanten hebben op 24 september 2013 een memorie van grieven genomen.

Zowel de Staat (op 11 maart 2014) als BJZ (op 19 november 2013) hebben een memorie van antwoord genomen.

Appellanten hebben vervolgens successievelijk een incident aanhangig gemaakt bij akte van 16 september 2014, behelzende een verzoek tot verwijzing, welke vordering is afgewezen bij arrest van 18 november 2014, een tweetal wrakingsverzoeken gedaan, waarop is beslist door de wrakingskamer, en tot slot een verzoek tot het treffen van spoedvoorzieningen, welke vordering door dit hof is afgewezen bij arrest van 16 juni 2015. De in deze incidenten overgelegde processtukken maken geen deel uit van het procesdossier in onderhavige zaak.

Vervolgens hebben appellanten akten genomen op 27 november 2015 (productie J), 16 februari 2016 (productie K t/m N) en (formeel; de akte is gedateerd 12 februari 2016) op 25 mei 2016 (productie O).

Partijen hebben de zaak bepleit op 25 mei 2016. Hierbij zijn van de zijde van appellanten en van de zijde van de Staat pleitnota’s overgelegd. Deze stukken maken deel uit van het dossier. Voorts is van het verhandelde ter gelegenheid van het pleidooi proces-verbaal opgemaakt.

Appellanten hebben ter gelegenheid van het pleidooi een procesdossier gefourneerd. De Staat en BJZ hebben dat, zoals afgesproken, nadien ter rolzitting gedaan. Voorts is arrest gevraagd.

Beoordeling van het geschil

De feiten

1. Voor een goed begrip van de zaak zal het hof de feitenvaststelling van de rechtbank overnemen, nu het hof in de memorie van grieven daartegen geen grieven leest. De rechtbank is bij het wijzen van het vonnis begin 2013 van de volgende feiten uitgegaan:

“2. De feiten

2.1.

De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar.

2.2.

Uit eiseres sub 2 (de moeder) zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen

geboren:

- [minderjarige een] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige twee] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige drie] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

2.3.

De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.

2.4.

Op 23 november 2011 hebben de ouders zichzelf en de minderjarigen uitgeschreven uit de GBA Stadskanaal. Op dezelfde dag hebben zij zich ingeschreven in [plaatsnaam] (BRD).

2.5.

Op 24 november 2011 heeft de Raad een verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuis-plaatsing van de minderjarigen ingediend bij de rechtbank Groningen.

2.6.

Op 25 november 2011 heeft de Raad een verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling en verlening van een (spoed)machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van drie maanden ingediend.

2.7.

Bij beschikking van 25 november 2011 van de kinderrechter in de rechtbank Groningen zijn de minderjarigen voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden en is de ondertoezichtstelling opgedragen aan BJZ. Tevens is een machtiging tot (spoed)uithuisplaatsing van de minderjarigen in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van vier weken. Deze beschikking is, evenals de hierna te noemen beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Groningen, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.8.

In november 2011 zijn de ouders met de minderjarigen naar Duitsland vertrokken.

2.9.

BJZ heeft op 6 december 2011 aangifte gedaan jegens de ouders van een misdrijf met betrekking tot het onttrekken van de minderjarigen aan het ouderlijk gezag.

2.10.

Bij beschikking van 14 december 2011 van de kinderrechter in de rechtbank Groningen is de beschikking van 25 november 2011 bekrachtigd en zijn de minderjarigen definitief onder toezicht gesteld tot 25 maart 2012, waarbij de uitvoering van de ondertoezichtstelling is opgedragen aan BJZ. Tevens is aan BJZ een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen verleend in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling.

2.11.

BJZ heeft in december 2011 contact gehad met de politie, de Raad, het openbaar ministerie (hierna: OM), het Duitse Jugendamt en een kinderrechter te Groningen (mr. [naam] ) naar aanleiding van het vertrek van de ouders en de minderjarigen naar Duitsland. Mr. [naam] heeft contact gehad met de heer [naam] , rechter in de rechtbank Papenburg (Duitsland) en het Bureau Liaisonrechter Internationale Kinderbescherming.

2.12.

Op 23 december 2011 zijn de minderjarigen door het Jugendamt van hun verblijfplaats te [plaatsnaam] ondergebracht in een kindertehuis.

2.13.

Op 27 december 2011 zijn de minderjarigen aan de Nederlandse grens door het Jugendamt overgedragen aan BJZ in aanwezigheid van de Nederlandse politie.

2.14.

De ouders hebben in Duitsland aangifte gedaan tegen medewerkers van het Jugendamt. Het Jugendamt heeft in het opsporingsonderzoek verzocht om sepot van de zaak door het Duitse OM.

2.15.

Bij beschikking van 1 maart 2012 van het gerechtshof Leeuwarden is het hoger beroep van de ouders tegen de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Groningen van 25 november 2011 voor zover daarbij de voorlopige ondertoezichtstelling is uitgesproken, afgewezen en is die beschikking voor het overige bekrachtigd. Voorts heeft dit hof de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Groningen van 14 december 2011 bekrachtigd.

2.16.

Bij beschikking van 22 maart 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Groningen is de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd tot 25 februari 2013 en is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 25 juli 2012.

2.17.

Bij beschikking van 23 juli 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Groningen is de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 25 september 2012 en is een aanwijzing van BJZ van 6 juni 2012 vervallen verklaard.

2.18.

Bij beschikking van 29 augustus 2012 van het gerechtshof te ‘s-Gravenhage is de onder 1.1 vermelde beschikking van deze rechtbank van 20 juli 2012 (hof: waarbij is beslist dat de onderhavige procedure, ingeleid bij verzoekschrift, wordt voortgezet volgens de regels van de dagvaardingprocedure) bekrachtigd. De ouders zijn in cassatie gekomen van deze beschikking. Hierop is nog niet beslist.

2.19.

Bij beschikking van 21 september 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Groningen is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling, derhalve tot 25 februari 2013.

2.20.

Op 28 september 2012 hebben de ouders de minderjarigen bij een begeleid bezoek meegenomen naar Duitsland.

2.21.

BJZ heeft diezelfde dag aangifte gedaan van onttrekking aan het gezag door de ouders. De officier van justitie heeft vervolgens Europese arrestatiebevelen jegens de ouders uitgevaardigd en opsporingsmiddelen ingezet.

2.22.

Bij beschikking van 8 oktober 2012 van de kinderrechter in Groningen zijn de verzoeken van de ouders om bij wege van spoedvoorziening te verklaren dat de uithuisplaatsing per 24 juli 2012 is vervallen en tot vaststelling van een omgangsregeling afgewezen.

2.23.

Bij beschikking van diezelfde datum heeft de kinderrechter in de rechtbank Groningen de ouders niet ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot vervallenverklaring van een aanwijzing van BJZ van 8 juni 2012. Tevens zijn de verzoeken van de ouders ter zake waarvan deze rechtbank zich bij beschikking van 20 juli 2012 onbevoegd heeft verklaard en de zaak heeft verwezen naar de rechtbank Groningen, afgewezen.

2.24.

Bij beschikking van 18 oktober 2012 van het gerechtshof Leeuwarden is de beschikking van 22 maart 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Groningen bekrachtigd.

2.25.

BJZ heeft op 22 november 2012 de Nederlandse Centrale Autoriteit verzocht om een verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen in te dienen bij de Duitse Centrale Autoriteit. De Nederlandse Centrale Autoriteit heeft een zorgmelding gedaan bij de Duitse Centrale Autoriteit.

2.26.

Bij vonnis in kort geding van 14 december 2012 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen de vordering van de ouders om de Staat te bevelen om, kort gezegd, alle opsporingsactiviteiten te beëindigen en alle arrestatiebevelen in te trekken, afgewezen. De ouders zijn in hoger beroep gekomen van dit vonnis. Hierop is nog niet beslist.

2.27.

Bij beschikking van 4 januari 2013 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de ouders tegen de beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 1 maart 2012 verworpen.

2.28.

Bij beschikking van 10 januari 2013 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zijn de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Groningen van 23 juli en 21 september 2012 bekrachtigd.”

De volgende feiten, die dateren van na de bestreden beschikking van 20 maart 2013, zijn voor de beoordeling van de zaak in hoger beroep in het bijzonder nog van belang:

2.29

Ook in hoger beroep is de vordering als genoemd in 2.26 afgewezen door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 4 juni 2013. In het ingestelde cassatieberoep zijn appellanten niet-ontvankelijk verklaard.

2.30

De Hoge Raad heeft bij beschikking van 5 april 2013 het door de appellanten ingestelde cassatieberoep tegen de in r.o. 2.18 genoemde beschikking van het gerechtshof Den Haag van 29 augustus 2012 met toepassing van artikel 81 RO verworpen.

2.31

Na een aantal verlengingen van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing wonen de kinderen sinds maart 2015 weer bij de ouders in Duitsland. Van enige kinderbeschermingsmaatregel is sedertdien geen sprake meer (geweest).

De vorderingen in hoger beroep

3.1

Appellanten vorderen in hoger beroep:

Mitsdien het het gerechtshof behage, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 maart 2013 en het tussenvonnis van 4 februari 2013, rolnummer C/09/424946/HA ZA 12 - 967 tussen appellanten als eisers en geïntimeerden als gedaagden gewezen te vernietigen en opnieuw rechtdoende,

A. De gerelateerde schendingen van Unieverdrag, het handvest van de grondrechten, Brussel II Bis, Haags Kinderontvoeringsverdrag en de schendingen van het IRVK etc. voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie.

B. In ieder geval vast te stellen bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, dat

I. de kinderen onrechtmatig bij hun ouders in Duitsland in de periode vanaf 23 december 2011 tot 27 december 2011 zijn weggehaald en vervolgens op 27 december 2011 onrechtmatig zijn overgedragen aan de grens aan Bureau Jeugdzorg en de politie en vervolgens de ouders en de kinderen onrechtmatig onderworpen zijn aan kinder-beschermingsmaatregelen en blootstelling aan (internationale) vervolging en dat geïntimeerden voor de schade daarvan aansprakelijk zijn.

II. alle beschikkingen vanaf 25 november 2011 houdende kinderbeschermings-maatregelen/afwijzing van de verzoeken tot terug geleiding vervallen dan wel nietig te verklaren wegens ontbreken van (absolute en relatieve) bevoegdheid en wegens het niet voldoen aan de minimale eisen die ingevolge wetboek van Rechtsvordering en Rechterlijke organisatie, art. 6 EVRM en art. 47 van het handvest en het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980 en het Internationaal Verdrag voor de rechten van het kind (IVRK) aan rechtspleging en kinderbeschermingsmaatregelen kunnen worden gesteld.

III. er geen behoorlijke toetsing conform art. 47 van het Handvest, art. 6 EVRM door een onafhankelijke rechter binnen een redelijke termijn (4 dagen) na de inbreuken op de mensenrechten en met name de rechten van het kind heeft plaatsgevonden.

IV. de Unie verordening 2201/2003 (Brussel II bis), de verordening 1348/2000 en HKOV en het Unieverdrag door Nederland niet, althans niet naar behoren zijn nageleefd.

V. de bemoeienis van mr. [naam] , mr. [naam] en de officieren van justitie [naam] en [naam] bij het weghalen van de kinderen uit Duitsland en het uitvaardigen van (Europese) arrestatiebevelen en (het geven van toestemming tot) voor de inval en het binnen breken bij grootmoeder onrechtmatig is geweest.

VI. alle bemoeienis van Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming niet gebaseerd is geweest op feiten en op wettelijke gronden en derhalve onrechtmatig is geweest.

VII. de kinderrechtbeschikkingen geen werking kunnen hebben dan na betekening conform art. 430 lid 3 Rv en de tenuitvoerlegging van alle beschikkingen in dezen onrechtmatig is geweest.

VIII. te bevelen, dat de Staat alle arrestatiebevelen intrekt en dat geïntimeerden alle maatregelen staken om de kinderen uit Duitsland naar Nederland te brengen alsmede opdracht geeft aan justitie in Duitsland en het Jugendamt alle opsporingsactiviteiten naar appellanten en naar de kinderen en iedere bemoeienis met de kinderen en appellanten te staken. Zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000, - voor iedere overtreding van het te geven bevel na betekening van het ten dezen te wijzen bevel.

IX. Geïntimeerden te veroordelen hoofdelijk tot vergoeding van alle schade, die appellanten als gevolg van het onrechtmatig optreden hebben geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

X. Geïntimeerden te veroordelen tot betaling aan appellanten, hoofdelijk, als voorschot op de definitieve schadeloosstelling van een bedrag van € 250.000, -.

XI. Geïntimeerden te veroordelen in de kosten van de procedure.

C. Alsmede het gerechtshof bij wege van een voorlopige voorziening, uitvoerbaar bij voorraad in afwachting van een definitieve beslissing van het gerechtshof te bevelen, dat de staat alle arrestatiebevelen intrekt en dat geïntimeerden alle maatregelen staken om de kinderen uit Duitsland naar Nederland te brengen alsmede opdracht geeft aan justitie in Duitsland en het Jugendamt alle opsporingsactiviteiten naar appellanten en naar de kinderen en iedere bemoeienis met de kinderen en appellanten te staken. Alsmede ertoe zorg te dragen dat de uitschrijving door het Jugendamt van het gezin uit het adres te [plaatsnaam] ongedaan wordt gemaakt. Zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000, - voor iedere overtreding van het te geven bevel na betekening van de ten dezen te wijzen spoedvoorziening.

Met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van de voorlopige voorziening.

3.2

Appellanten hebben in hoger beroep hun vordering in een aantal opzichten gewijzigd. Het hof stelt voorop dat de vordering - kort gezegd - neerkomt op de vraag of het weghalen van de kinderen in Duitsland en het brengen van de kinderen in de Nederlandse rechtssfeer zoals dat in de periode vanaf 23 tot en met 28 december 2011 is geschied onrechtmatig is geweest. Het zou dan gaan om onrechtmatig handelen van de Staat doordat onrechtmatig is gehandeld door de Raad en (andere “staatsorganen” als) rechters en raadsheren, het openbaar ministerie en BJZ. Daarnaast is BJZ aangesproken op grond van onrechtmatig handelen. Het debat in eerste aanleg heeft enkel en alleen op die vordering (zoals hieronder overigens in r.o. 9.1 onder A weergegeven) betrekking gehad en uit de inleiding bij de memorie van grieven blijkt ook dat het debat in hoger beroep in het bijzonder op die vraag betrekking heeft, toegespitst op genoemde periode in december 2011. Het hof zal alle vorderingen in hoger beroep dan ook in die context beoordelen. Al hetgeen over de periode nadien is gesteld - en dat is veel - is in dat verband de facto dus niet relevant.

Het verweer

4.1

De Staat heeft ook in hoger beroep uitvoerig en gemotiveerd verweer gevoerd. De Staat ontkent vooreerst het bestaan van een (tussen partijen gewezen) vonnis van 4 februari 2013 en concludeert in de memorie van antwoord tot bekrachtiging van het bestreden vonnis van 20 maart 2013, zo nodig onder verbetering of aanvulling van gronden, en afwijzing van de gewijzigde c.q. aangevulde eisen in hoger beroep, met veroordeling van appellanten in de aan de zijde van de Staat gevallen kosten van het geding in hoger beroep en met verklaring dat deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal zijn, en wel met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het in dezen te wijzen arrest.

4.2

Ook BJZ heeft gemotiveerd verweer gevoerd. BJZ concludeert in de memorie van antwoord de ouders in het verzoek tot vernietiging van (het hof leest in plaats van de beschikking) het vonnis niet-ontvankelijk te verklaren, althans hun grieven en het zelfstandig verzoek af te wijzen met bekrachtiging van (het hof leest wederom) vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 maart 2013, zo nodig met verbetering en/of aanvulling van gronden.

Afbakening van de omvang van het hoger beroep

5.1

Het hof ziet aanleiding eerst in te gaan op de omvang van het hoger beroep.

Het hoger beroep gericht tegen een tussenvonnis van 4 februari 2013

5.2

Het beroep is ook gericht tegen een vonnis van 4 februari 2013. Het hof stelt vast dat van enig vonnis van 4 februari 2013 tussen partijen niet is gebleken. Het beroep faalt in zoverre.

5.3

De vordering onder B. I

De vordering om vast te stellen dat de ouders en de kinderen onrechtmatig onderworpen zijn aan kinderbeschermingsmaatregelen en blootstelling aan (internationale) vervolging en dat geïntimeerden voor de schade daarvan aansprakelijk zijn, faalt reeds daarom dat enerzijds de ouders niet onderworpen zijn aan maatregelen in bedoelde zin en anderzijds de kinderen geen partij zijn: uit niets blijkt dat de ouders in deze zaak (ook) optreden als wettelijk vertegenwoordiger.

De vordering tegen de Staat

5.4

De vordering in eerste aanleg tegen de Staat is toegespitst op vermeend onrechtmatig handelen van de Raad voor de kinderbescherming Groningen (“de Raad”). De rechtbank heeft de beslissing daartoe ook beperkt en beslist dat de Raad/de Staat noch in het kader van de totstandkoming, noch in het kader van de tenuitvoerlegging van de beschikkingen van 25 november en 14 december 2011 onrechtmatig heeft gehandeld. In beroep stellen appellanten dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op het ook gestelde onrechtmatig handelen van meerdere staatsorganen naast de Raad, namelijk (leden van) de rechterlijke macht en het openbaar ministerie. Het hof begrijpt hetgeen daaromtrent wordt gesteld aldus dat het onrechtmatig handelen van genoemde “staatsorganen” enkel en alleen wordt gebaseerd op betrokkenheid bij totstandkoming en tenuitvoerlegging van meergenoemde beschikkingen uit 2011. Het hof zal dit aspect van de vordering(en) alleen behandelen indien aan die totstandkoming en/of tenuitvoerlegging gebreken kleven als door appellanten gesteld.

De gevorderde voorlopige voorziening en de vordering B. VIII

5.5

Appellanten vorderen in hoger beroep ook een voorlopige voorziening als vervat in hun petitum onder C. Het hof overweegt daaromtrent als volgt. Niet weersproken is hetgeen bij pleidooi van de zijde van de Staat naar voren is gebracht, namelijk dat appellanten geen belang meer hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening, omdat zij niet meer door het openbaar ministerie worden gezocht en jegens hen ook geen Europese arrestatiebevelen meer uitgevaardigd zijn. Het hof zal daarom de gevraagde voorlopige voorziening afwijzen. Het vorenstaande brengt ook mee dat thans geen belang meer bestaat bij vordering B. VIII.

De aard en opzet van de memorie van grieven

5.6

Het hof stelt vast dat de memorie van grieven geen specifieke, duidelijke grieven tegen het bestreden vonnis bevat. De memorie vormt een feitelijk relaas van de hele gang van zaken in deze zaak. Zij behelst vooreerst een kritische bespreking van een groot aantal in kracht van gewijsde gegane beschikkingen, vonnissen en arresten. In dat kader – en ook overigens – worden in de memorie vrijwel alleen niet onderbouwde stellingen/meningen naar voren worden gebracht, ook omtrent de feiten die al dan niet vast zouden staan, waarvan de Staat en BJZ ook in hoger beroep ten volle de juistheid hebben betwist. Bovendien is in veel gevallen niet duidelijk welke gevolgen aan die stellingen/meningen worden verbonden voor de aan de orde zijnde vraag, namelijk of sprake is van onrechtmatig handelen als in geschil in de periode vanaf 23 tot en met 28 december 2011 van de zijde van de Staat en/of BJZ. Voor wat betreft de Staat begrijpt het hof het standpunt van appellanten aldus dat gesteld onrechtmatig handelen, meebrengt dat een grote groep onderscheiden ambtsdragers ook onrechtmatig heeft gehandeld, zoals rechters, en de Staat daarvoor verantwoordelijk is op de wijze als in de vorderingen in beroep vervat. Daarnaast wordt in het kader van genoemd feitelijk relaas en/of kritische bespreking in de memorie van grieven bij herhaling voorlegging aan het Europees Hof van Justitie verzocht. Voor zover de stellingen van appellanten ter zake niet voldoende duidelijk zijn, gaat het hof er niet op in.

De door appellanten overgelegde producties

5.7

Appellanten hebben bij hun processtukken een grote hoeveelheid producties overgelegd, waaronder ook stukken afkomstig uit andere, eerdere procedures, veelal tussen partijen. Slechts zeer incidenteel wordt echter voldoende duidelijk gemaakt wat de relevantie daarvan is voor de gestelde onrechtmatige daad van de zijde van de Staat en/of BJZ. Daar waar in het betoog van appellanten niet inhoudelijk op die producties wordt ingegaan dan wel genoemde relevantie het hof niet voldoende duidelijk is, laat het hof de producties buiten beschouwing. Dit geldt (zeker niet alleen maar) in het bijzonder ook voor de producties in hoger beroep die zijn overgelegd bij genoemde akten van 27 november 2015, 6 februari 2016 en 25 mei 2016.

De processtukken van de zijde van appellanten als geheel

5.8

Het hof hecht er in dit verband voorts aan op te merken dat de processtukken van appellanten in dit dossier, waarbij het hof in het bijzonder ook doelt op de memorie van grieven, voor het overgrote deel zeer wijdlopig zijn, zowel voor wat betreft de grieven als de vorderingen vervat in het petitum, en daardoor vaak heel onduidelijk. Mitsdien ontkomt het hof er niet aan zich bij de beoordeling van de zaak te beperken tot die stellingen die het hof voldoende concreet voorkomen en als zodanig ook door de Staat en BJZ zijn opgevat.

5.9

Het hof zal om proceseconomische redenen eerst in gaan op de belangrijkste gewijzigde c.q. nieuwe vorderingen van appellanten in hoger beroep, zijnde de vorderingen A, B. II, B. III en B. IV. Na vervolgens enige overwegingen te hebben gewijd aan het gevorderde onder B. VII ter zake artikelen 430 en 812 Rv zal het hof in gaan op de grieven gericht tegen de afwijzing van de vordering in eerste aanleg, in hoger beroep vervat in B. I., B. VIII, IX. en X. Tot slot zal het hof oordelen ter zake de overige vorderingen: B. V tot en met VII en XI.

Beoordeling van het hoger beroep

De vorderingen A, B. II, B. III en B. IV

6.1

Het hof constateert dat appellanten in de memorie van grieven op een aantal punten rechtsvragen opwerpen, althans juridische kwesties aan de orde stellen en daaraan vorderingen koppelen, zoals B. II en B. III. Zoals ook ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep bevestigd, heeft het appel in het bijzonder tot doel daarop een antwoord te krijgen in het kader van de aan de orde zijnde vraag of sprake is van onrechtmatig handelen als gesteld. Het gaat dan - naar het hof begrijpt - met name om de vraag of en in hoeverre het systeem van voorlopige en definitieve machtigingen tot uithuisplaatsing in het licht van internationale verdragen aanvaardbaar is, in het bijzonder in dit geval, beweerdelijk zonder bevoegdheidsonderzoek, zonder het oproepen en horen van ouders en – in het kader van de tenuitvoerlegging – zonder voorafgaande betekening van de beschikking op de wijze als bedoeld in artikel 430 lid 3 Rv. De stelling van appellanten begrijpt het hof aldus dat indien sprake is van strijdigheid als door appellanten gesteld, dit gevolgen heeft of zou moeten hebben voor alle beschikkingen vanaf 25 november 2011 houdende kinderbeschermings-maatregelen/afwijzing van het verzoek tot terug geleiding in die zin dat die zouden zijn vervallen dan wel nietig zouden moeten worden verklaard. Dit is de kern van deze zaak.

6.2

Het hof zal die vragen behandelen voor zover zij in hoger beroep, in het bijzonder in de memorie van grieven en ter gelegenheid van het pleidooi aan de orde zijn gesteld op een dusdanige wijze dat doel en strekking ervan ook voor de Staat en BJZ voldoende duidelijk is en de vragen niet beïnvloed worden door feiten die tussen partijen in geschil zijn. Daar waar die vragen niet behandeld worden, geldt dat ze niet aan de eisen van een grief voldoen.

6.3

Het hof acht in dat verband van belang onderscheid te maken tussen de beschikking van de rechtbank Groningen van 25 november 2011, waarbij een machtiging tot (spoed)uithuisplaatsing van de kinderen is verleend voor de duur van vier weken, derhalve tot 23 december 2011, en de beschikking van diezelfde rechtbank van 14 december 2011, waarbij machtiging is verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen voor de duur van de ondertoezichtstelling, op dat moment zijnde 25 maart 2012. Niet in geschil is dat de kinderen op 23 december 2011 door het Duitse Jugendamt ondergebracht zijn in een kinderhuis en eerst op 27 december 2011 overgedragen aan de Nederlandse grens door dit Jugendambt aan BJZ. Naar het oordeel van het hof kan eerst op laatstgenoemde datum gezegd worden dat BJZ gebruikt maakt van een machtiging tot uithuisplaatsing. Dit brengt mee dat de daadwerkelijke uithuisplaatsing (wel in gang gezet is, maar) niet gebaseerd is op de beschikking van 25 november 2011 – die was toen immers reeds geëxpireerd – maar (enkel en alleen) berust op de beschikking van 14 december 2011 van de rechtbank Groningen.

6.4

Dit laatste brengt mee dat de hele gang van zaken met betrekking tot de totstandkoming en tenuitvoerlegging van de beschikking van 25 november 2011 ten deze eigenlijk in het midden kan blijven. Immers, nu deze beschikking niet ten grondslag heeft gelegen aan de feitelijke uithuisplaatsing kan de gestelde onrechtmatigheid daar niet op gebaseerd worden. De aangifte van onttrekking aan het gezag door BJZ op 6 december 2011 berust wel op genoemde beschikking, maar de op 27 december 2011 uitgevaardigde Europese aanhoudingbevelen niet. Immers, toen was deze beschikking reeds geëxpireerd.

6.5

Voor wat betreft de wijze van totstandkoming van de beschikking van 14 december 2011 (en overigens ook de beschikking van 25 november 2011) sluit het hof zich aan bij de beslissing van de rechtbank en de daartoe strekkende overwegingen, in het bijzonder 4.2. Het hof betrekt daarbij nog dat een maatregel van kinderbescherming een inmenging betekent in het familie- en gezinsleven, die kan worden gerechtvaardigd door de toepassing van artikel 8 lid 2 EVRM: de onderhavige maatregelen, waarvan de legitimiteit ter discussie wordt gesteld, zijn allemaal bij de wet voorzien, dienen het belang van het kind en zijn nodig in een democratische samenleving en staan in een redelijke verhouding tot het doel dat wordt nagestreefd. Tegen die achtergrond lag het op de weg van appellanten duidelijk te adstrueren waarom naar hun oordeel, hetzij in het algemeen, hetzij in dit specifieke geval, de maatregel als gesteld in strijd is met “de uitvoering van het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV) en daaraan gerelateerde Unieverordeningen alsmede het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en het EVRM” (Inleiding onder c). De memorie van grieven maakt naar het oordeel van het hof de gestelde strijd namelijk onvoldoende duidelijk, ook in onderlinge samenhang bezien. Het hof hecht er daarbij aan op te merken dat de gestelde onrechtmatige daad van de (door appellanten genoemde “staatsorganen” van de) Staat, zoals de Raad en de het openbaar ministerie, in deze zaak in feite (indirect), naar het hof althans begrijpt, volledig is gebaseerd op gestelde onrechtmatige, althans met verdragen strijdige wetgeving, maar dat de Staat door appellanten niet in dit geding is betrokken in de hoedanigheid van wetgever. Het hof is met de Staat van oordeel dat appellanten hebben nagelaten hun vorderingen in dit verband, in het bijzonder B. II, B. III en B. IV, (deugdelijk) te onderbouwen. Voorts is onduidelijk op welke beschikkingen appellanten in hun vordering B. II precies het oog hebben en op welke toetsing en toetsing door welke rechter zij in vordering B. III nu doelen.

6.6

Het hof constateert voorts dat appellanten ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep hebben gepoogd deze stelling(en) – wel – te verduidelijken, maar naar het oordeel van het hof tevergeefs. In de pleitnotitie stellen appellanten – hun grieven en vorderingen daarmee, naar het hof leest, in dit opzicht samenvattend - dat de belangrijkste aan het Hof van Justitie voor te leggen kwesties de volgende zijn:

• de woonplaatsbepaling van de kinderen en de bevoegdheid van de Nederlandse autoriteiten (art. 17 Brussel II Bis) in het licht van het feit dat het gezin vanaf 8 november 2011 tot heden permanent gevestigd is in Duitsland (art. 8 Brussel II Bis) (perpetuatio fori),

• het optreden van geïntimeerden jegens het gezin in relatie tot het vrij verkeer van goederen en personen zie de eerste overweging Brussel II Bis 1,

• het niet oproepen en het niet horen van de ouders door de rechter met betrekking tot het nemen van (voorlopige) kinderbeschermingsmaatregelen (art. 47 Handvest) in 2011 en 2015,

• de betrokkenheid van rechters bij de kinderontvoering en de tenuitvoerlegging van beschikkingen van de kinderen in het kader van de effectieve rechtsbescherming als bedoeld in art. 47 van het Handvest en de beginselen van de trias politica,

• de rechtskracht/onrechtmatigheid van voorlopige voorzieningen (ots en muhp) in Nederland uitgesproken en in Duitsland tenuitvoergelegd zonder betekening en erkenning ingevolge Brussel II Bis. (art. 430 lid 3 Rv, 23 c en art. 28 Brussel II Bis e.v.),

• de uitleg van art. 20 Brussel II Bis en artt. 28 e.v. Brussel II Bis, de gezagsvoorzieningen en de MUHP in het kader van de uitleg van artt. 10 en 11 en 15 Brussel II Bis 2 en het HKOV,

• de kwestie van de noodzakelijke toetsing door een onafhankelijke rechter binnen korte tijd na de tenuitvoerlegging van de uithuisplaatsing, in het kader van de schending van art. 6, art. 7 jo artt. 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten (Brogan-arrest),

• het inzetten (ook proactief) van opsporings- en vervolgingshandelingen zoals Europese arrestatiebevelen teneinde (onrechtmatige = zonder rechterlijke bevel van de Duitse rechter) de overbrenging van kinderen uit Duitsland te realiseren in het licht ook van de aantasting van de rechten van de ouders zich te verweren (art 47. Handvest van de grondrechten),

• het ontzeggen aan de ouders en kinderen van de bescherming die het strafrecht biedt door de mogelijkheid een strafrechtelijk en integriteitsonderzoek uit te lokken jegens autoriteiten, die zij verdenken zich schuldig hebben gemaakt aan kinderontvoering, vrijheidsbeneming en bedrog alsmede de ontzegging aan de ouders van informatie bijvoorbeeld omtrent totstandkoming van internationale arrestatiebevelen en inzetten van opsporingsmethodes bijv. het plaatsen van peilbaken in de auto van grootmoeder (schending art. 7 van het Handvest).

6.7

Het hof constateert vooreerst dat verzocht wordt genoemde negen kwesties aan het Europees Hof van Justitie voor te leggen. Het hof stelt voorop dat, anders dan appellanten kennelijk menen, de rol van het Hof van Justitie zeer beperkt is en een andere dan appellanten voor ogen staat. Het hof begrijpt dat appellanten het hof vragen over te gaan tot het stellen van prejudiciële vragen ten aanzien van de onderscheiden negen kwesties. Aanleiding voor het verzoek om een prejudiciële beslissing als door appellanten kennelijk voorstaan, kan alleen daarin bestaan indien - in een zaak waarin Europese regelgeving aan de orde is - onduidelijk is hoe deze regelgeving moet worden uitgelegd. Omtrent zulk een onduidelijkheid hebben appellanten echter onvoldoende gesteld. Van onduidelijkheid is naar het hof begrijpt ook geen sprake. Appellanten betogen naar het hof begrijpt ook niet (zozeer) dat sprake is van onduidelijkheid, maar van strijdigheid van het Nederlandse systeem met betrekking tot de totstandkoming en tenuitvoerlegging van een machtiging tot uithuisplaatsing, althans met de machtigingen van 25 november en 14 december 2011, met een aantal verdragen, maar waar die strijdigheid volgens de stellingen van appellanten precies in zit, ontgaat het hof. In dat kader is bovendien van belang dat genoemde negen punten allemaal kwesties betreffen die in alle procedures die hebben geleid tot de beschikkingen/vonnissen/arresten die in kracht van gewijsde zijn gegaan aan de orde zijn gesteld, dan wel hadden kunnen worden gesteld. Het is vaste rechtspraak van het Europees Hof dat die zaken dan niet in het kader van een onrechtmatige daadsactie voor de nationale rechter alsnog aan het Hof kunnen worden voorgelegd in de vorm van prejudiciële vragen: dat had in de eerdere zaken moeten worden verzocht/gedaan. Het hof leest in de stellingen van appellanten ook niet de in dat kader in de rede liggende vordering op grond van onrechtmatige daad, namelijk dat sprake is van met Europees recht strijdige wetgeving, temeer niet nu de Staat in de hoedanigheid van wetgever niet in deze procedure is betrokken. De punten die appellanten naar voren brengen, lijken zaken die eerder aan het Europees Hof voor de rechten van de mens zouden kunnen worden voorgelegd door middel van een door appellanten bij dat hof in te dienen klaagschrift. Het stellen van prejudiciële vragen of verwijzen naar dat laatste Hof als (wellicht) beoogd door appellanten is juridisch bezien niet mogelijk. Het hof constateert dat appellanten in de loop van onderhavige appelprocedure – in december 2015 – ook (alsnog) een klaagschrift hebben ingediend bij het Europees Hof voor de rechten van de mens, meer specifiek gericht tegen de beschikking van de Hoge Raad van 26 juni 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1752) en daarmee inhoudelijk - blijkens deze als productie overgelegde beschikking en het overgelegde klaagschrift - het hele geschil dat (in de memorie van grieven is geschetst en derhalve) ook in onderhavige procedure bij dit hof voor ligt integraal aan het Europees Hof voor de rechten van de mensen hebben voorgelegd, maar dat het Europees Hof appellanten in hun klaagschrift vervolgens niet-ontvankelijk heeft verklaard.

6.8

Het hof merkt puntsgewijs omtrent de negen kwesties ten overvloede nog het volgende op:

  • -

    Anders dan appellanten aan hun vraag ten grondslag leggen, staat niet vast dat het gezin vanaf 9 november 2011 tot heden permanent gevestigd is in Duitsland. Dit is tussen partijen in geschil en het hele dossier duidt er veeleer op dat het gezin, althans (ook) de kinderen eerst veel later in Duitsland gevestigd is. Het begrip “gewone verblijfplaats” in de zin van (artt. 8 en 10) Brussel II-bis staat voor de plaats die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt” (HR 26 juni 2015, in een zaak tussen appellanten en BJZ). In die context bezien hadden de kinderen op 25 november 2011 (nog) verblijfplaats in Nederland.

  • -

    Vrij verkeer van goederen en personen is niet in geschil. Niet gezegd kan worden dat in deze zaak Nederlandse instanties eind 2011 ingrijpen in een in Duitsland gevestigd gezin. Het tegendeel is het geval. Het hof verwijst in dat verband naar hetgeen de rechtbank overweegt in r.o. 4.2. Met de beschikking van de Hoge Raad van 4 januari 2013 staat onherroepelijk vast dat de minderjarigen op 25 november 2011 hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. De verblijfplaats van de minderjarigen lijkt veeleer eerst gewijzigd door hereniging met de ouders in maart 2015.

  • -

    Het systeem van totstandkoming en tenuitvoerlegging van (voorlopige) kinder-beschermingsmaatregelen is naar het oordeel van het hof niet in strijd met een of meer van de door appellanten genoemde verdragen, ook niet voor wat betreft het (beweerdelijk) niet-oproepen en (beweerdelijk) niet-horen. Het hof merkt daarbij op dat tussen partijen ook in hoger beroep nog steeds in geschil is of de advocaat die op de zitting is verschenen op 7 december 2011 optrad voor de vader (aldus de Staat en BJZ) dan wel de grootmoeder (appellanten). De betreffende beschikking duidt op het eerste; het laatste is niet aannemelijk geworden en bovendien geldt dat als grootmoeder is verschenen ook vader van de zitting wist. Dus vader is gehoord.

  • -

    Dat sprake is van de betrokkenheid van rechters als hier bedoeld is niet onderbouwd, zeker niet tegen de achtergrond van het hierboven omtrent het systeem overwogene.

  • -

    Dat eind december 2011 sprake is (geweest) van tenuitvoerlegging in Duitsland van de beschikkingen van 25 november 2011 en 14 december 2011 in de door appellanten bedoelde zin staat ook in het geheel niet vast. De rechtbank concludeert in de bestreden beschikking dat geen sprake is van tenuitvoerlegging in Duitsland (in het bijzonder niet op grond van artikel 28 van Brussel II bis), maar dat sprake is (geweest) van een feitelijke effectuering (door tussenkomst van Duitse autoriteiten) van de afgegeven machtiging(en) strekkende tot uithuisplaatsing in de vorm van overhandiging van de minderjarigen bij de grens aan BJZ. Het hof leest in de memorie van grieven geen onderbouwde grief tegen dit feitelijk oordeel. Of sprake is van onrechtmatig handelen van de Duitse autoriteiten kan in dat verband in het midden blijven: zo daarvan al sprake zou zijn, hetgeen ter beoordeling aan een Duitse rechter is voorbehouden, is zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, niet duidelijk waarom de Staat dan wel BJZ daarvoor (ook) aansprakelijk zou zijn.

  • -

    Dat raakt ook de volgende kwestie, waarvoor geldt dat het het hof niet duidelijk is wat appellanten nu met deze kwesties precies aan de orde beogen te stellen.

  • -

    Schending van het Handvest van de grondrechten in een concreet geval (als het onderhavige) is, zo bleek hierboven, geen kwestie welke in het kader van deze lopende procedure door het hof aan het Hof van Justitie kan worden voorgelegd. Het Brogan arrest heeft betrekking op strafrecht: zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, is niet duidelijk wat het verband is met de totstandkoming of tenuitvoerlegging van maatregelen van kinderbescherming als hier aan de orde.

  • -

    Nog afgezien van hetgeen hierboven is overwogen omtrent het (feitelijk) overbrengen geldt dat de kwestie of in onderhavige zaak sprake is van schending van artikel 47 Handvest van de grondrechten door het hof niet kan worden voorgelegd.

  • -

    De kwestie rondom het inzetten (ook proactief) van opsporings- en vervolgingshandelingen, zoals Europese arrestatiebevelen, behoeft geen behandeling nu naar het oordeel van het hof aan de beschikkingen van 25 november en 14 december 2011 geen gebreken kleven zoals door appellanten gesteld, zodat hetgeen ter uitvoering daarvan heeft plaatsgevonden zondermeer rechtmatig is (geweest). Dat anderszins sprake is geweest van onrechtmatig handelen leest het hof niet.

  • -

    Ten aanzien van het laatste punt is het hof zonder nadere toelichting, die ontbreekt, volstrekt niet duidelijk wat appellanten precies met deze vraag beogen, zeker nu daaraan geen conclusie wordt verbonden en het hof constateert dat een met dit punt overeenstemmende vordering van de zijde van appellanten ontbreekt.

Vordering B. VII

7.1

Artikel 812 Rv bepaalt: “Iedere beschikking betreffende de gezagsuitoefening over minderjarigen, de beschikkingen ingevolge artikel (…), 261 (hof: thans vernummerd tot artikel 265b), (…) van het Burgerlijk Wetboek daaronder begrepen, geeft degene aan die deze minderjarigen ingevolge de beschikking tijdelijk of blijvend worden toevertrouwd, van rechtswege het recht tot het aan hem doen afgeven van deze minderjarigen, zo nodig met behulp van de sterke arm”. Dit brengt mee dat een daartoe strekkend bevel niet meer gevraagd hoeft te worden aan de rechter. De beschikking geeft recht op afgifte. Daaronder valt dus ook een beschikking waarbij aan BJZ een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend. Een andere vraag is of de beschikking nog betekend moet worden op de voet van artikel 430 lid 3 BW. Appellanten werpen immers als grief op dat de beschikkingen van 25 november en 14 december 2011 pas ten uitvoer hadden kunnen worden gelegd na betekening aan de ouders als degenen tegen wie de executie zich zal richten als bedoeld in artikel 430 lid 3 Rv. Het hof overweegt in dat kader - in navolging van de rechtbank - als volgt. Het hof is van oordeel dat de (spoed)machtigingen tot uithuisplaatsing die aan BJZ bij de beschikkingen van 25 november en 14 december 2011 zijn verleend op zichzelf een beperking in de uitoefening van het ouderlijk gezag waarmee de ouders zijn belast meebrengen in die zin, voor zover hier relevant, dat BJZ ingevolge die beschikkingen gerechtigd was de minderjarigen in een voorziening voor pleegzorg te plaatsen. BJZ had met de verleende machtigingen tot uithuisplaatsing derhalve het recht om over de verblijfplaats van de minderjarigen te beslissen. Die beperking in de uitoefening van het ouderlijk gezag staat los van de betekening en tenuitvoerlegging van de beschikkingen. De stelling van de ouders dat zij, nu niet betekend is, rechtens nooit in hun ouderlijk gezag zijn beperkt, gaat dan ook niet op (vide voor omgang HR 8 oktober 2013, ECLI: NL: HR:2013:901).

7.2

Het hof acht het in het kader van dit debat overigens niet aannemelijk dat de ouders voorafgaand aan de overdracht van de minderjarigen aan de grens niet in kennis zijn gesteld althans op de hoogte zijn geweest van de verzoeken tot en verlening van de (spoed)machtigingen tot uithuisplaatsing. Dit gezien de bezoeken die BJZ op 25 november 2011 aan het huis van de moeder van appellant sub 1 heeft gebracht en nu de ouders, althans de vader/grootmoeder ter terechtzitting van 7 december 2011, voorafgaand aan de beschikking van 14 december 2011, werden c.q. werd bijgestaan door een advocaat.

Tussenconclusie

8.1

Tegen de achtergrond van het vorenstaande concludeert het hof tussentijds als volgt.

8.2

De vorderingen van appellanten voor zover deze nieuw dan wel gewijzigd zijn in hoger beroep, al dan niet in onderlinge samenhang bezien, stranden op grond van het vorenstaande. Nu aan de totstandkoming van de beschikkingen van 25 november 2011 en 14 december 2011 geen gebreken kleven als door appellanten opgeworpen, vast staat dat de kinderen op 27 december 2011 weliswaar aan BJZ zijn overgedragen, maar dat dit niet is geschied op grond van tenuitvoerlegging van die beschikkingen, maar door feitelijk handelen door Duitse autoriteiten, waarvoor de Staat en/ of BJZ niet aansprakelijk is kan niet geoordeeld worden dat sprake is geweest van onrechtmatig handelen van (de door appellanten geduide “staatsorganen” van) de Staat en/of BJZ. De vraag of bij genoemd feitelijk handelen wellicht onrechtmatig is gehandeld kan in het midden blijven, want in geval van een mogelijk bevestigende beantwoording geldt dat de Staat dan wel BJZ daarvoor niet aansprakelijk is, althans dat appellanten onvoldoende hebben aangegeven waarom dat in casu wel zo zou zijn.

De vorderingen B. I., B. VIII, IX. en X.

9.1

Resteert het hoger beroep gericht tegen de afwijzing van de vorderingen in eerste aanleg. Daarbij werd gevorderd (na vermeerdering van eis), bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

“A. te verklaren voor recht, dat Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming onrechtmatig de kinderen uit Duitsland op 23 december 2011 hebben laten weghalen en op transport laten stellen tot aan de Nederlandse grens en vervolgens onrechtmatig de kinderen op verschillende heimelijke adressen in Nederland tot 29 september 2012 ondergebracht hebben.

B. te bevelen, dat Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming alle maatregelen staken om de kinderen uit Duitsland naar Nederland te brengen alsmede opdracht geeft aan justitie in Nederland en Duitsland en het Jugendambt alle opsporingsactiviteiten naar eisers en kinderen en bemoeienis te staken.

C. De Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg te veroordelen hoofdelijk tot vergoeding van alle schade als gevolg van het onrechtmatig optreden, nader op te maken op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

D. De Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg te veroordelen tot betaling aan eisers, hoofdelijk, als voorschot op de definitieve schadeloosstelling van een bedrag van € 250.000, -

E. De Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg te veroordelen in de kosten van de procedure.”

9.2

Voor wat betreft het hoger beroep gericht tegen de afwijzing van deze vorderingen geldt dat het hof in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel is dat de rechtbank tegen de achtergrond van de (wel) vaststaande feiten een beschikking heeft gegeven die in alle opzichten juist is. Het hof neemt – daar waar dat gezien het vorenstaande nog nodig is - deze beslissing integraal over evenals de gegeven motivering. Het hof wijst in dat verband voor wat betreft het gevorderde onder A nog op hetgeen hierboven is overwogen omtrent de omvang van het debat in hoger beroep, in het bijzonder dat appellanten ook hun beroep tegen de afwijzing van de vorderingen door de rechtbank (ook voor wat betreft de rechts- althans juridische vragen) onderbouwen met stellingen die als vaststaand worden gepresenteerd, terwijl voor al deze stellingen geldt dat zij blijkens de reactie daarop van de Staat en BJZ ook in hoger beroep nog steeds in geschil zijn tussen partijen, zoals voor wat betreft de datum van datum vertrek naar c.q. wijziging gewone verblijfplaats in Duitsland, de vraag of de overhandiging van de kinderen aan BJZ op 27 december 2011 nu is gebaseerd op tenuitvoerlegging van de beschikking van 14 december 2011 dan wel feitelijk handelen van de Duitse autoriteiten etc. Het gevorderde onder B is bovendien inmiddels achterhaald

De overige vorderingen B. V tot en met VII en XI

10. Deze vorderingen zijn alle gebaseerd op het uitgangspunt dat sprake is van onrechtmatig handelen als hierboven in rechtsoverwegingen 6 tot en met 8 bedoeld. Nu daarvan naar het oordeel van het hof geen sprake is (geweest) stranden daarop ook deze vorderingen en behoeven zij – wat daar overigens ook van zij, bijvoorbeeld of de Staat aansprakelijk is voor bemoeienis van officieren van justitie of een Duitse rechter - verder geen behandeling.

Bewijsaanbod

11. Appellanten klagen nog over het ten onrechte passeren van een gedaan bewijsaanbod, naar het hof begrijpt in het bijzonder ter zake het onrechtmatig wegvoeren van de kinderen uit Duitsland eind 2011 (vide memorie van grieven pagina 18 onder g). Gezien hetgeen hiervoor is overwogen is van onrechtmatig wegvoeren geen sprake. Nu het aanbod niet duidelijk maakt wat, gezien dat uitgangspunt, nog te bewijzen valt faalt het. Voor het overige leest het hof in de processtukken geen voldoende concreet en relevant bewijsaanbod.

Eindconclusie

12. De eindconclusie is dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en de overige vorderingen van appellanten in hoger beroep zal afwijzen.

Proceskostenveroordeling

13. Appellanten zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van de Staat gevallen als gevraagd. Nu van de zijde van BJZ, mogelijk om BJZ moverende redenen, in hoger beroep niet om zulk een proceskostenveroordeling is gevraagd zal het hof tot het opleggen daarvan ook niet overgaan.

Beslissing

Het hof:

verklaart appellanten niet-ontvankelijk in hun beroep voor zover gericht tegen een vonnis van 4 februari 2013;

wijst de gevraagde voorlopige voorziening als vervat in het petitum onder C af;

bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 maart 2013;

veroordeelt appellanten in de kosten van dit geding tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 5.576, -,

en als volgt gespecificeerd:

- griffierecht € 683, -

- advocaat kosten € 4.893, -

bepaalt dat over de proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van onderhavig arrest;

verklaart dit arrest met betrekking tot de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.B. Kamminga, L.F.A. Husson en A.J. van Montfoort en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 oktober 2016 in aanwezigheid van de griffier.