Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3496

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-09-2016
Datum publicatie
24-11-2016
Zaaknummer
200.166.245/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nalatenschap. Geschil over de door de notaris opgemaakte concept-verdelingsakte. Hof beslist ter zake aantal resterende geschilpunten en gelast een wijze van verdeling die deels afwijkt van deze concept-akte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2016-0218
JERF 2018/111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.166.245/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : C/09/439012/HA ZA 13-273

arrest d.d. 20 september 2016

inzake

[zoon een] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel, tevens geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: [zoon een] ,

advocaat: mr. A.M.C. Marius-van Eeghen te Den Haag,

tegen

  1. [de dochter] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [de dochter] ;

  2. [zoon twee] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [zoon twee] ;

  3. [zoon drie] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [zoon drie] ;

geïntimeerden in principaal appel, tevens appellanten in incidenteel appel, tezamen ook aan te duiden als: [de dochter] c.s.,

advocaat: mr. M.C.G. Stut te Gouda.

Het geding

Bij exploten van 9 februari 2015 is [zoon een] in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van 15 januari 2014 en het eindvonnis van 12 november 2014 van de rechtbank Den Haag, hierna ook: de bestreden vonnissen, gewezen tussen geïntimeerden als eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie en [zoon een] als gedaagde in conventie en tevens eiser in reconventie.

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar wat daarover in de bestreden vonnissen is vermeld.

Ter rolzitting van 7 juli 2015 heeft [zoon een] een memorie van grieven, tevens vermeerdering van eis, ingediend. Deze bevat 15 grieven en daarbij zijn 8 producties overgelegd. Het hof merkt daarbij op dat twee maal een grief als grief XIII is genummerd en dan vervolgt met grief XVII, deze laatste moet aldus de vijftiende grief zijn.

[de dochter] , [zoon twee] en [zoon drie] hebben een memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel en tevens houdende een wijziging van eis, ingediend ter rolzitting van 29 september 2015. In het incidenteel appel zijn 5 grieven aangevoerd. Daarbij zijn 16 producties overgelegd. De eerste grief betreft een wijziging van de eis in eerste aanleg van [de dochter] c.s. .

Ter rolzitting van 19 januari 2016 heeft [zoon een] een memorie van antwoord in incidenteel appel, tevens akte uitlaten producties ingediend. Daarbij zijn drie producties overgelegd.

Ter rolzitting van 1 maart 2016 hebben [de dochter] c.s. een akte uitlating producties tevens akte overlegging productie ingediend. Daarbij is een productie overgelegd.

Partijen hebben vervolgens ieder hun procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de feiten zijn geen grieven aangevoerd, behoudens in de eerste grief van [zoon een] , die hierna zal worden besproken. Het hof gaat dan ook uit van deze feiten.

2. In het tussenvonnis van 15 januari 2014 heeft de rechtbank in de overwegingen een aantal beslissingen genomen, de zaak verwezen naar de rol van 12 februari 2014 voor het nemen van een akte door [zoon een] en iedere verdere beslissing aangehouden. In het eindvonnis van 12 november 2014 heeft de rechtbank in conventie de vordering afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank [de dochter] c.s. veroordeeld om mee te werken aan een deugdelijke verdeling van de nalatenschap van erflaatster. In conventie en in reconventie zijn de proceskosten gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

3. [zoon een] vordert dat het hof, naast hetgeen [zoon een] in eerste aanleg bij conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie heeft gevorderd:

(f) [de dochter] , [zoon twee] en [zoon drie] zal veroordelen tot het doen van opgave van alle schenkingen die erflaatster voor 1 januari 2003 aan hen heeft gedaan;

(g) de schenkingen die door de erflaatster voor 1 januari 2003 zijn gedaan te stellen op € 10.000,- per geïntimeerde;

II. voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(a) zal beslissen dat het hoger beroep van [zoon een] gegrond is;

(b) de bestreden vonnissen zal vernietigen en aan [zoon een] het door hem in eerste aanleg gevorderde alsnog zal toewijzen;

(c ) [de dochter] , [zoon twee] en [zoon drie] zal veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en de procedure in hoger beroep, het salaris van de advocaat daaronder begrepen.

4. [de dochter] c.s. concluderen in het principaal appel tot afwijzing van de vorderingen van [zoon een] , onder bekrachtiging van de bestreden vonnissen en met veroordeling van [zoon een] in de kosten van beide instanties, een salaris voor de advocaat en een bedrag voor nakosten daaronder begrepen.

In het incidenteel appel vorderen [de dochter] c.s. dat het hof de bestreden vonnissen zal bekrachtigen behoudens voor zover door [de dochter] c.s. aan het oordeel van het hof onderworpen en dat het hof, opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad:

1. de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflaatster zal vaststellen;

2. alsmede voor recht zal verklaren dat:

a) de toedeling van de auto van het merk Volkswagen type Lupo met kenteken [nummer] aan [zoon een] zal geschieden op basis van een waarde van € 4.000,-;

b) de toedeling van de Pandora armband aan [de dochter] zal geschieden op basis van een waarde van € 15,-, althans € 50,-;

c) tot de onverdeelde nalatenschap van erflaatster een vordering op [zoon een] behoort uit hoofde van een geldlening ten bedrage van € 12.450,- (€ 11.050,- en € 1.400,-);

d) de schenking op 14 juli 1997 door erflaatster aan [zoon een] van ƒ 30.000,- (€ 13.613,41) door hem in de nalatenschap van erflaatster dient te worden ingebracht;

3. [zoon een] zal veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan de verdeling van de nalatenschap zoals door het hof wordt vastgesteld, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag, een gedeelte van de dag daaronder begrepen, dat [zoon een] in gebreke blijft om aan zijn verplichtingen uit dit arrest te voldoen;

4. [zoon een] zal veroordelen in de door de bank in rekening gebrachte (administratieve) beslagkosten, tot op heden begroot op € 121,-;

5. [zoon een] zal veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, een salaris voor de advocaat en een bedrag voor nakosten daaronder begrepen.

5. Kort weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende. Partijen zijn de vier kinderen van erflaatster, hun moeder (hierna te noemen: erflaatster), die op [in] 2010 is overleden. De vader van partijen met wie erflaatster in algehele gemeenschap van goederen was gehuwd, is [in] 1989 overleden. [zoon twee] , [zoon drie] en [zoon een] hebben op 18 februari 2011 een volmacht ondertekend waarin zij [de dochter] hebben aangewezen als hun vertegenwoordiger bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster. Notaris [naam] te [plaatsnaam] heeft een concept-akte van verdeling van die nalatenschap opgesteld met daarin opgenomen het vaderlijk erfdeel. [zoon een] kan zich niet met de concept-akte verenigen. Daarop hebben [de dochter] c.s. [zoon een] gedagvaard teneinde de verdeling van de nalatenschap te doen vaststellen. De notaris heeft na het bestreden vonnis van 12 november 2014 de concept-verdelingsakte aangepast. Partijen hebben in hoger beroep nog geschilpunten over een aantal onderdelen, die de verdeling van de nalatenschap betreffen.

De door [zoon een] aan [de dochter] verstrekte volmacht

6. In de eerste grief klaagt [zoon een] over een onjuiste vermelding van de feiten. In punt 2.2 van het tussenvonnis van 15 januari 2014 is bij de vermelding van de volmacht door [zoon een] aan [de dochter] nagelaten op te nemen dat deze volmacht door [zoon een] is ingetrokken.

7. [de dochter] c.s. voeren aan dat een verklaring betreffende intrekking van de volmacht hen nooit heeft bereikt.

8. Het hof overweegt dat, of de intrekking van de volmacht nu wel of niet ter kennis is gekomen van [de dochter] c.s., [zoon een] niet duidelijk maakt welke gevolgen dit zou hebben voor zijn vorderingen zodat het hof deze grief passeert.

Overboekingsopdrachten tot in totaal ƒ 30.000,-/€ 13.613,41: schenking aan [zoon een] ?

9. In de tweede grief voert [zoon een] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bekostiging door erflaatster aan [zoon een] van zijn studie voor in totaal ƒ 30.000,-/€ 13.613,41 een schenking is. [zoon een] voert ter toelichting aan dat het gebruikelijk is in Nederland dat ouders de kosten van de studie van hun kinderen dragen; dit maakt dat niet van een schenking kan worden gesproken maar betreft een verplichting van moraal en fatsoen. Erflaatster heeft de studies van al haar kinderen bekostigd. Er zat slechts één jaar tussen het behalen van het diploma en het terugbetalen van het studiegeld door de erflaatster aan [zoon een] . Erflaatster moest daarvoor eerst geld vrijmaken; eerst toen dit mogelijk was heeft zij de studiekosten aan [zoon een] terugbetaald. Voor 1 januari 2003 heeft erflaatster aan al haar kinderen diverse schenkingen gedaan, welke dan ook door hen in de nalatenschap behoren te worden ingebracht. [zoon een] vermeerdert voorwaardelijk zijn eis in die zin dat, indien [zoon een] de kosten van zijn studie in de nalatenschap van erflaatster moet inbrengen, [de dochter] c.s. dit ook moeten doen. Het gaat hierbij om, naar een redelijke schatting van [zoon een] , bedragen van circa € 10.000,- aan [de dochter] , [zoon twee] en [zoon drie] elk.

10. [de dochter] c.s. betwisten dat de geschonken bedragen verband houden met door [zoon een] gestelde, gevolgde opleidingen en zij betwisten ook dat [zoon een] die heeft gevolgd. [zoon een] heeft niet aangetoond dat het totaal bedrag van ƒ 30.000,- verband houdt met door hem gevolgde studies en ook heeft hij niet aangetoond dat hij zelf dit bedrag heeft betaald aan studiekosten. [zoon een] was al geruime tijd meerderjarig toen hij zijn gestelde studie volgde. [zoon twee] en [zoon drie] hebben hun eigen studie bekostigd; erflaatster heeft de opleiding van [de dochter] betaald, [de dochter] was toen 17 jaar en [de dochter] is na het voltooien van die opleiding, op achttienjarige leeftijd, gaan werken. [de dochter] c.s. betwisten dat erflaatster voor en na 1 januari 2003 schenkingen aan hen heeft gedaan, behoudens verjaardagscadeaus en een schenking aan [de dochter] van € 2.000,- in verband met de aankoop van een nieuwe auto. [zoon twee] heeft een schilderij ontvangen, waarvan de waarde hem onbekend was; het schilderij verkeerde in slechte staat. De schenkingen en inbrengverplichting worden door [de dochter] c.s. betwist.

11. Het hof overweegt dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. [zoon een] heeft in hoger beroep niets naar voren gebracht dat tot een ander oordeel zou moeten leiden. Als al de erflaatster studiekosten voor de andere kinderen zou hebben betaald, dan betekent dit niet dat erflaatster ook studiekosten ten behoeve van [zoon een] had moeten betalen. [zoon een] had de leeftijd van 21 jaren bereikt toen hij de studie aanving zodat geen verplichting voor erflaatster bestond om studiekosten voor hem te voldoen. Het door haar aan [zoon een] betaalde bedrag is dan ook niet aan te merken als een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie. Dat sprake zou zijn van een dringende verplichting van moraal en fatsoen is door [zoon een] geenszins onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij gaat. Ten aanzien van door [zoon een] gestelde, door erflaatster aan [de dochter] c.s. verrichte schenkingen, heeft [zoon een] niet voldaan aan zijn stelplicht. Hij stelt enkel dat deze zeker € 10.000,- aan ieder van hen hebben bedragen. Het hof passeert deze blote stelling van [zoon een] . De tweede grief faalt. Dit betekent dat het bedrag van € 13.613,41 in de akte van verdeling als zijnde een inbreng schenkingen opgenomen behoort te blijven.

Overboeking aan [zoon een] op 17 juli 2008 van € 20.000,-: lening of schenking?

12. Het hof zal de derde grief in het principaal appel en de derde grief in het incidenteel appel gezamenlijk behandelen, omdat deze beide de overboeking van € 20.000,- betreffen. [zoon een] voert aan dat in rechtsoverweging 2.8 van het vonnis van 12 november 2014 per abuis en ten onrechte het woord “niet” niet is opgenomen; er had moeten staan: “zoals in het tussenvonnis is overwogen, moet [zoon een] deze schenking niet inbrengen in de verdeling van de nalatenschap van erflaatster”, aldus [zoon een] .

13. Het hof overweegt dat uit de aan rechtsoverweging 2.8 voorafgaande overwegingen niet anders is op de maken dan dat hier had moeten staan dat [zoon een] deze schenking niet hoeft in te brengen bij de verdeling van de nalatenschap van erflaatster. Zoals de rechtbank (terecht) overweegt in rechtsoverweging 4.4 en 4.5 van het eerdergenoemde tussenvonnis behoeven na 1 januari 2003 gedane schenkingen niet te worden ingebracht indien, zoals in deze zaak onbestreden vast staat, erflaatster in haar testament geen bepaling heeft opgenomen over het al dan niet inbrengen van giften/schenkingen door haar erfgenamen.

14. [de dochter] c.s. stellen in hun derde grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de constructie er feitelijk toe leidt dat [zoon een] het door hem ontvangen bedrag van € 20.000,- niet hoeft terug te betalen. Ten onrechte is overwogen dat daarmee de kennelijke strekking van de constructie is dat [zoon een] een schenking heeft ontvangen die om fiscale redenen als lening is aangemerkt en waarvan de terugbetalingen “op papier” geschieden in de vorm van vier schenkingen die feitelijk niet hebben plaatsgehad. Uit de bewoordingen van de overboeking blijkt dat sprake is van een lening. Van deze overboeking bestaan twee versies; dat [zoon een] zijn versie van wijlen de heer [plaatsnaam] heeft ontvangen wordt betwist. Tussen [zoon een] en erflaatster is overeengekomen dat het bedrag van € 20.000,- is geleend en dat jaarlijks een deel van de lening zou worden kwijtgescholden door schenkingen. [zoon een] is het restant van de lening, zijnde een bedrag van € 11.050,-, verschuldigd aan de nalatenschap. [de dochter] c.s. verwijzen naar de aangiften Inkomstenbelasting van erflaatster van 2008 en 2009.

15. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist zoals zij heeft gedaan. Dat op het bankafschrift is vermeld dat sprake is van een lening is niet beslissend voor de vraag of sprake is van een overeenkomst van geldlening tussen de erflaatster en [zoon een] . In het emailbericht van 27 mei 2013 (productie e bij akte uitlating na tussenvonnis van de zijde van [zoon een] ) vermeldt de heer [naam] dat wijlen zijn collega de heer [plaatsnaam] een notitie heeft gemaakt dat sprake is van een als lening betitelde schenking die in de loop der jaren wordt weggeschonken. Er is een aangifte van schenking ingevuld, althans deels op basis van € 20.000,-, maar deze is niet ingediend. Het lijkt er op dat de moeder bij de overboeking er een lening van heeft gemaakt en vervolgens met de hand geschreven er een schenking van heeft gemaakt, aldus de heer [naam] . Uit de methodiek lijkt het er op dat het de intentie was om het bedrag van € 20.000,- in de loop der jaren weg te schenken, met als reden om schenkingsbelasting te besparen/voorkomen. Vervolgens heeft de regiodirecteur van het kantoor van de heer [naam] , onder verwijzing naar die mail, gesteld dat de gevoerde constructie, om een lening te laten aflossen door middel van jaarlijkse schenkingen, door het kantoor vaker werd toegepast. Dit verklaart dan ook de vermelding van het woord ‘lening’ op de overschrijving en de verwerking van het bedrag van € 20.000,- in de aangiften Inkomstenbelasting 2008 en 2009 zoals dit is gebeurd.

Dat desondanks sprake zou zijn van een geldlening, die door [zoon een] zou moeten worden terugbetaald is door [de dochter] c.s. niet aangetoond. De omstandigheid dat bij het overlijden van erflaatster nog een saldo resteerde dat via jaarlijkse schenkingen zou worden geschonken door middel van verrekeningen met het overgemaakte bedrag, maakt niet dat het resterende bedrag daardoor als lening opeisbaar is. Het hof merkt op dat daaruit voortvloeit dat het in de gewijzigde concept-akte van verdeling onder “V. Voorgeschoten bedragen” opgenomen bedrag ad € 1.200,- aan voorgeschoten hypotheekrente daarin ten onrechte is opgenomen. Tegen de overweging van de rechtbank (rechtsoverweging 4.12 van het bestreden vonnis van 15 januari 2014) is niet gegriefd. De rechtbank heeft daarin overwogen dat er geen grondslag is dit bedrag ten laste van [zoon een] te brengen en daarom dit bedrag ten onrechte als voorschot in de verdeling is verdisconteerd. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen zoals hierna te melden.

16. Conclusie is dat de derde grief van [zoon een] in het principaal appel slaagt en de derde grief van [de dochter] c.s. in het incidenteel appel wordt gepasseerd.

Bedrag van € 1.400,-

17. In de vierde grief voert [zoon een] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bedrag van € 1.400,- een vordering van erflaatster op hem is en niet een lening door [zoon een] aan erflaatster. [zoon een] voert aan ter toelichting dat erflaatster bij hem logeerde en toen haar bankpas kwijt was dan wel was vergeten. Zij had geld nodig voor uitgaven aan de kinderen en kleinkinderen, en nog andere uitgaven en vroeg aan [zoon een] om haar geld te lenen. [zoon een] heeft toen dit bedrag voor haar gepind. [zoon een] verwijst naar het door hem overgelegde bankafschrift d.d. 4 november 2009 waarop twee geldopnamen op 30 oktober 2009 zijn vermeld. Op 6 november 2009 heeft erflaatster een bedrag van € 1.400,- aan hem terugbetaald.

18. [de dochter] c.s.stellen dat op de overboeking van erflaatster is vermeld: “spoedopdracht lening”. Dit duidt niet op een van [zoon een] geleend geldbedrag. [zoon een] leende regelmatig gelden van erflaatster. [de dochter] c.s. betwisten dat erflaatster dit bedrag moest terugbetalen, omdat zij geld van [zoon een] zou hebben geleend voor het kopen van cadeaus. Uit het door [zoon een] overgelegde bankafschrift kan dit niet volgen

19. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat [zoon een] onvoldoende heeft weersproken dat hier sprake is van een geldvordering van erflaatster op [zoon een] . Dat [zoon een] nu een bankafschrift overlegt met daarop vermeld twee bankopnamen van respectievelijk € 900,- en € 600,-, maakt dit niet anders. Uit deze geldopnamen volgt niet dat een bedrag van € 1.400,- aan erflaatster te leen zou zijn gegeven. Deze grief faalt. Het bedrag van € 1.400,- is dan ook terecht in de concept-akte van verdeling als geldlening aan [zoon een] aangemerkt.

Waarde van de auto

20. De vijfde grief in het principaal appel en de tweede grief in het incidenteel appel betreffen beide de waarde van de auto, zodat het hof deze gezamenlijk zal behandelen. De rechtbank heeft de waarde van de auto op € 3.000,- gesteld. [zoon een] betoogt dat dit € 1.500,- had moeten zijn, gelet op de dagwaarde bij een keuring in februari 2011 van € 1.500,-, welke waarde was beïnvloed door een schade. [de dochter] c.s. stellen dat de waarde in het economisch verkeer op de peildatum: 27 december 2010, € 4.000,- bedroeg. De auto is kort daarna door [zoon een] in gebruik genomen, ten gevolge waarvan de auto niet voor een reële prijs is verkocht. Partijen gaan bij hun standpunten over de waarde van de auto uit van de zelfde taxatie, aldus [de dochter] c.s. Dat de auto door toedoen van erflaatster zou zijn beschadigd betwisten zij. [de dochter] c.s. verwijzen naar een koerslijst van BOVAG waarin de auto in 2015 een waarde zou hebben van € 2.750,- en naar verkoopadvertenties waarin vergelijkbare auto’s in 2015 worden aangeboden.

21. Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft de waarde van de auto schattenderwijs vastgesteld op € 3.000,-, nu partijen van mening verschillen over de precieze staat waarin de auto verkeerde. Dat, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, de waarde van de auto per sterfdatum moet worden genomen, is niet in geschil. In het dossier bevindt zich één taxatie van de auto: de auto is op 25 mei 2011 gekeurd door Autobedrijf [naam] te [plaatsnaam] . Als waarden van de auto worden vermeld: “eigen verkoopprijs: € 4.140,-; actuele verkoopprijs regionaal: € 4.010,-; actuele verkoopprijs landelijk: € 4.140,-; werkplaatskosten € 1.050,-; inkoopprijs: € 1.483,-“.

Het hof maakt uit deze taxatie op dat, na de werkplaatskosten ad € 1.050,-, de auto voor ongeveer € 4.000,- verkocht kan worden door de garage. Dit betekent dat de schatting door de rechtbank van de waarde van de auto op € 3.000,- het hof juist voorkomt. Het hof neemt deze over. Dit betekent dat beide grieven worden gepasseerd.

Inboedelgoederen

22. Het hof behandelt de zesde en zevende grief in principaal appel gezamenlijk. In zijn zesde grief voert [zoon een] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de uitleg van [de dochter] c.s. over de inboedelgoederen van de erflaatster juist is. De rechtbank is voorbij gegaan aan wat [zoon een] over de inboedelgoederen heeft gesteld. De volledige inboedel is op 30 december 2010 gefotografeerd. Veilinghuis [naam] heeft enige tijd later de inboedel beschreven en getaxeerd op € 15.870,-. In opdracht van [de dochter] zijn voor een bedrag van € 6.717,- goederen geveild. De rest van de goederen is nooit ter veiling aangeboden maar verdeeld onder [de dochter] c.s. De bedragen van € 6.717,- en € 9.000,- behoren bij het saldo van de nalatenschap te worden betrokken. De waarden van de goederen die aan [de dochter] c.s. zijn toegescheiden, behoren in de nalatenschap te worden ingebracht. [zoon een] betwist dat de niet ter veiling aangeboden goederen naar de kringloop zijn gegaan; [de dochter] moet dat aantonen. In de zevende grief voert [zoon een] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in de concept akte van oktober 2012 van notaris [naam] is uitgegaan van een juiste waardering, te weten € 1.500,-, van de inboedelgoederen. De waarde dient te worden gesteld op de som van de opbrengst bij het veilinghuis ad € 6.717,- en de goederen die [de dochter] c.s. zelf in bezit hebben genomen en waarvan de waarde redelijkerwijs € 9.000,- bedraagt.

23. [de dochter] c.s. voeren daartegen aan dat het merendeel van de getaxeerde goederen is geveild. De opbrengst was minder dan de getaxeerde waarde, namelijk € 6.717,-; de afrekeningen daarvan zijn in eerste aanleg overgelegd. Vast staat dat ieder van de kinderen voor een bedrag van € 600,- inboedelgoederen toegedeeld heeft gekregen, derhalve voor een totaal bedrag van € 2.400,-. Hetgeen geen waarde had en wat partijen niet toegedeeld wensten te krijgen, is aan de kringloopwinkel gegeven, conform de afspraken die partijen hadden gemaakt. [de dochter] c.s. betwisten dat zij goederen aan zichzelf hebben toebedeeld ter waarde van € 9.000,. De opbrengst van de verkoop van inboedelgoederen op de veiling ad € 6.717,- is gestort op de ervenrekening, waarvan het saldo in de verdeling wordt betrokken. In hoger beroep heeft [zoon een] geen andere eis ten aanzien van de inboedelgoederen ingesteld dan in eerste aanleg; hij heeft niet gevorderd de waarde van de inboedel vast te stellen op € 15.000,-.

24. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist ten aanzien van de inboedelgoederen. De verkoopopbrengst ad € 6.717,- is gestort op de, te verdelen, ervenrekening. Ook in hoger beroep specificeert [zoon een] niet welke inboedelzaken [de dochter] c.s. aan zich zelf zouden hebben toegedeeld. Hij grieft niet tegen de vaststelling dat ieder van partijen voor een bedrag van € 600,- aan inboedelgoederen toegedeeld heeft gekregen. Daarmee heeft [zoon een] nog altijd niet voldaan aan zijn stelplicht en worden de zesde en zevende grief gepasseerd.

Sieraden/(waarde) Pandora armband

25. Het hof behandelt de achtste grief in het principaal appel en de vierde grief in het incidenteel appel gezamenlijk, nu deze beide de sieraden/Pandora armband betreffen. In de achtste grief voert [zoon een] aan dat de rechtbank ten onrechte voor wat betreft de sieraden alleen aandacht heeft geschonken aan de Pandora armband van erflaatster en voorbij is gegaan aan de stellingen van [zoon een] over het totaal van de sieraden en de juiste waarde daarvan. Alle sieraden moeten opnieuw worden getaxeerd; [zoon een] heeft een overzicht van ontbrekende sieraden in eerste aanleg overgelegd. [de dochter] heeft erkend dat er sprake is van meer sieraden en dat deze een waarde van € 1.800,- zouden vertegenwoordigen.; de taxatie heeft zij echter niet overgelegd. Voor de waarde van de sieraden behoort redelijkerwijs te worden uitgegaan van een waarde van € 800,- voor de Pandora armband en van € 2.400,- voor de overige sieraden, aldus [zoon een] . De Pandora armband is van zilver met een gouden sluiting en bestaat uit een band en 23 zogenaamde charms waarvan 10 van goud en 13 van zilver met goud. De armband kost sec nieuw € 349,-, de gouden charms elk gemiddeld € 300,- en de 13 zilveren charms elk gemiddeld € 120,-.

26. [de dochter] c.s. stellen dat geoordeeld is dat hetgeen [zoon een] heeft gesteld ten aanzien van de (waarde van de) andere sieraden dan de armband onvoldoende concreet is om tot enig rechtsgevolg te kunnen leiden. De lijst die [zoon een] heeft overgelegd is door hem zelf opgesteld en aan de waardering door hem ligt geen taxatie ten grondslag. Er is een zakje sieraden, vermeld op de inboedellijst, door [de dochter] in juni 2011 verkocht, met instemming van [zoon een] voor een bedrag van € 1.100,-. Hiervan zijn boedelkosten betaald. In hun grief in incidenteel appel voeren [de dochter] c.s. aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de waarde van de Pandora armband die aan [de dochter] is toegedeeld, schattenderwijs moet worden vastgesteld op € 800,-. Deze waarde is namelijk veel minder, te weten € 15,-, zoals uit bijgevoegd taxatierapport blijkt en door de taxateur van het veilinghuis is deze gewaardeerd op € 50,-, waarvoor [de dochter] c.s. verwijzen naar productie 7 bij de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie. Zowel de armband als de negentien bedeltjes zijn volledig van zilver. De armband dient tegen een waarde van € 15,-, althans € 50,- te worden toegedeeld aan [de dochter] .

27. Het hof overweegt dat [zoon een] in hoger beroep niet meer heeft gesteld dan hij in eerste aanleg heeft gedaan en ook geen andere bewijsstukken heeft overgelegd. Alleen de door [zoon een] zelf opgestelde lijst met daarin de aan de door hem gestelde sieraden toegekende waarden, overgelegd in eerste aanleg, bevindt zich in het dossier. Daarmee heeft [zoon een] nog altijd niet voldaan aan zijn stelplicht en wordt zijn grief gepasseerd. Volgens [de dochter] c.s. is de Pandora armband volledig van zilver en bevat deze 19 bedeltjes. [zoon een] heeft bij memorie van antwoord in het incidenteel appel bescheiden met waarden overgelegd van de diverse bedels/charms (productie 9), afkomstig van de Pandora e-store. Deze opgave van nieuwwaarde is door [de dochter] c.s. niet betwist. Uitgaande van de laagste op die lijst vermelde waarde van een zilveren bedel en de waarde van een armband, zou het totale bedrag van een armband met 19 zilveren bedels/charms de door de rechtbank aan de armband toegekende waarde (verre) overtreffen. In dat licht is niet verklaarbaar en ook niet door [de dochter] c.s. onderbouwd waarom aan de armband slechts een waarde van € 15,- respectievelijk € 50,- zou moeten worden toegekend. Het papier waarop slechts is vermeld : “inname € 15,-“ is daartoe ontoereikend. Deze grief wordt daarom eveneens gepasseerd. Dit betekent dat de armband voor € 800,- in de verdeling moet worden betrokken.

Rekening en verantwoording

28. Het hof bespreekt de negende en tiende grief in het principaal appel gezamenlijk. In de negende grief voert [zoon een] aan dat ten onrechte in het tussenvonnis van 15 januari 2014 is vermeld dat [zoon een] tevreden is met de gegeven uitleg over de afwikkeling. In de tiende grief voert [zoon een] aan dat de rechtbank ten onrechte de vorderingen van [zoon een] ter zake rekening en verantwoording afleggen door [de dochter] heeft afgewezen. [zoon een] stelt met talloze voorbeelden te hebben aangetoond dat [de dochter] mede in het kader van de aan haar gegeven volmacht niet behoorlijk heeft gehandeld. [de dochter] heeft [zoon een] ook geen inzage gegeven in de relevante stukken van de erflaatster na diens overlijden, te weten nota’s en bankafschriften en zij is daartoe ook niet bereid. [de dochter] heeft als vertegenwoordiger van [zoon een] als mede erfgenaam niet aan haar verplichtingen voldaan. De zaak is niet te vergelijken met het door de rechtbank aangehaalde arrest van de Hoge Raad. [de dochter] dient alsnog volledige rekening en verantwoording af te leggen en zij moet in elk geval alle bankafschriften en nota’s van alle posten van de in dat verband gemaakte kosten overleggen, hetgeen tot nu toe voor wat betreft de meeste posten niet is gebeurd.

29. Naar de mening van [de dochter] c.s. heeft [zoon een] geen belang bij de negende grief, nu in het vonnis correct is weergegeven dat [zoon een] tevreden is met de gegeven uitleg over de afwikkeling, hoewel hij wel graag de onderliggende stukken zou willen ontvangen. Op [de dochter] rust geen verplichting om aan [zoon een] rekening en verantwoording af te leggen. Tussen [de dochter] en [zoon een] bestaat geen rechtsverhouding die daartoe noopt; een volmachtverlening schept geen rechtsverhouding op grond waarvan [de dochter] zich als gevolmachtigde dient te verantwoorden. [de dochter] c.s. betwisten de door [zoon een] gegeven voorbeelden waaruit zou blijken dat [de dochter] niet behoorlijk heeft gehandeld. Voor zover het hof zou menen dat [de dochter] rekening en verantwoording dient af te leggen, stellen [de dochter] c.s. zich op het standpunt dat zij dit door het in de procedure inbrengen van stukken al op afdoende wijze heeft gedaan.

30. Het hof overweegt dat [zoon een] geen belang heeft bij zijn negende grief nu de rechtbank heeft weergegeven hetgeen [zoon een] ter comparitie van partijen heeft verklaard en dit blijkt uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen. Deze grief wordt daarom gepasseerd.

31. In eerste aanleg heeft [zoon een] gevorderd dat [de dochter] deugdelijk rekening en verantwoording moet geven over de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster per 31 december 2010, 2011 en 2012 en dat [de dochter] c.s., althans [de dochter] , worden veroordeeld tot het geven van rekening en verantwoording en informatie ingevolge de volmacht. Nu uitsluitend aan [de dochter] een volmacht is verstrekt is [zoon een] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen jegens [zoon twee] en [zoon drie] te dezer zake. Anders dan de rechtbank oordeelt is het hof is van oordeel dat [de dochter] als gevolmachtigde in beginsel gehouden is om aan de overige drie erfgenamen die haar tot afwikkeling van de nalatenschap gemachtigd hadden, verslag te doen van haar bevindingen en van hetgeen zij in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap heeft ondernomen. Wat deze plicht precies inhoudt, wordt telkens bepaald door de aard van de rechtsverhouding welke verplicht tot het zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te rechtvaardigen, en de omstandigheden van het gegeven geval. De door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad ziet op de situatie waarin bij leven van de erflater een volmacht tot beheer was verstrekt en waarbij de erflater bij leven geen aanleiding heeft gezien om van de gevolmachtigde rekening en verantwoording vragen, althans dit niet heeft gedaan. Dat is een andere situatie dan de onderhavige.

32. Het afleggen van rekening en verantwoording impliceert dat [de dochter] inzicht moet geven in de ter zake dienende ontvangsten en uitgaven op de rekening(en) van de erflater met een behoorlijke verantwoording. Hiervoor is, behalve dat dit schriftelijk moet geschieden, geen bepaalde vorm voorgeschreven, hoewel de rekening overzichtelijk en behoorlijk gespecificeerd moet zijn eventueel voorzien van bescheiden c.q. rekeningafschriften ter ondersteuning van de op de rekening vermelde posten. [de dochter] heeft, zo heeft de rechtbank overwogen, een overzicht van inkomsten en uitgaven met betrekking tot de (afwikkeling van de) nalatenschap in het geding gebracht (productie 18 bij de conclusie van antwoord in reconventie) en van een (groot) aantal posten van dat overzicht zijn onderliggende stukken overgelegd. Daarnaast zijn er nog enige contante uitgaven gedaan waarvan geen stukken zijn. Nu [zoon een] vordering niet strekt tot inzage in bepaalde stukken, een deugdelijk overzicht van de inkomsten en uitgaven in de nalatenschap is gedaan en daarbij een aantal onderliggende stukken zijn overgelegd is het hof van oordeel dat [zoon een] geen althans niet langer belang heeft bij zijn vordering. Voor zover [zoon een] nog inzage in specifieke stukken wenst die handelingen betreffen die [de dochter] in het kader van de verleende volmacht heeft verricht, waarbij als uitgangspunt het hier vermelde overzicht van inkomsten/uitgaven nalatenschap erflaatster heeft te gelden, kan [zoon een] [de dochter] om inzage in die stukken verzoeken.

Kosten handschriftdeskundige

33. In de elfde grief voert [zoon een] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door [zoon een] gemaakte kosten van de handschriftdeskundige in het kader van een falsificatie in een bankafschrift niet aan hem vergoed behoeven te worden. [zoon een] stelt dat ten aanzien van de overboeking ad € 20.000,- is bevestigd dat de door [zoon een] overgelegde versie de juiste is en dat in de versie die door [de dochter] c.s. is overgelegd het woord “lening” kennelijk later is doorgekrast. Ook in agenda’s is gekrast.

34. [de dochter] c.s. stellen dat niet is bewezen dat [de dochter] in de bankpapieren van erflaatster woorden heeft doorgekrast; de rechtbank heeft terecht aldus geoordeeld. [de dochter] betwist dit en ook betwist zij in agenda’s te hebben gekrast.

35. Het hof passeert deze grief van [zoon een] . De omstandigheid dat de door [zoon een] ingeschakelde schriftdeskundige heeft geconcludeerd dat het woord “schenking” op het bankafschrift nadien is doorgekrast kan niet tot de conclusie leiden dat [de dochter] dit heeft gedaan. Bovendien is voor de beslissing over de vraag of sprake was van een lening of schenking, het bankafschrift met de bewuste woorden niet bepalend geweest.

Lening [de dochter] uit de nalatenschap van € 2.060,-

36. In de twaalfde grief stelt [zoon een] dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de stelling van [de dochter] dat zij zonder enig overleg ruim € 2.060,- van de boedel heeft geleend. [de dochter] heeft ten onrechte gesteld dat dit bedrag een lening betreft. Zolang [de dochter] daarover geen schriftelijke stukken overlegt, moet dit bedrag door [de dochter] aan de boedel worden teruggestort.

37. [de dochter] c.s. voeren aan dat [zoon een] in eerste aanleg aangaande deze post niets heeft gevorderd. Bovendien heeft [zoon een] geen belang bij deze grief. [de dochter] erkent na het overlijden van erflaatster een bedrag van € 2.060,- te hebben opgenomen ten laste van het tot de nalatenschap behorende banksaldo. Dit bedrag is vermeld in de concepten van de verdelingsakte, waarvan een laatste concept is overgelegd als productie 1 bij de memorie van grieven. Het is nimmer de bedoeling geweest om dit bedrag aan de boedel te onttrekken en dit is ook niet gebeurd. Het bedrag ad € 2.060,- zal op het erfdeel van [de dochter] in mindering worden gebracht.

38. Het hof stelt vast dat [de dochter] erkent dat op haar erfdeel een bedrag van € 2.060,- in mindering moet worden gebracht vanwege door haar geleende gelden uit de nalatenschap. Het hof heeft dit bedrag niet aangetroffen op het concept van de verdelingsakte, die bij de memorie van grieven is overgelegd. Het hof zal, nu [de dochter] c.s. de wijze van verdeling van de nalatenschap vorderen, beslissen dat een bedrag van € 2.060,- op het erfdeel van [de dochter] in mindering moet worden gebracht.

Overleggen van bankafschriften betreffende de boedel van erflaatster door [de dochter]

39. In de dertiende grief stelt [zoon een] dat de rechtbank ten onrechte het niet nodig heeft geacht dat [de dochter] bankafschriften betreffende de boedel van erflaatster zou overleggen. [de dochter] behoort alsnog aan [zoon een] kopieën te verstrekken van alle bankafschriften over de periode ingaande 1 januari 2009 tot heden.

40. [de dochter] c.s. stellen dat [zoon een] geen vordering hiertoe heeft ingediend. [zoon een] heeft niet vermeld op grond waarvan [de dochter] gehouden is bankafschriften aan hem over te leggen.

41. Het hof constateert, onder verwijzing naar wat hiervoor onder punt 29 is overwogen, dat [zoon een] geen vordering heeft ingesteld strekkende tot het overleggen van bankafschriften. Reeds daarom wordt deze grief gepasseerd.

Een drietal posten op de boedelbeschrijving

42. In de veertiende grief (per abuis ook als grief XIII vernummerd) voert [zoon een] aan dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over een drietal door hem in de boedelbeschrijving betwiste posten: 1) kosten van de notaris in Friesland ad € 1.120,-: [de dochter] zou een nota van € 1.120,- aan de notaris hebben betaald maar op de rekening en verantwoording staat een bedrag van € 2.905,18; 2) de nota van Gibo Groep ad € 341,53: ten onrechte is door [de dochter] c.s. nooit een nota overgelegd en 3) makelaarskosten (niet zijnde verkoopkosten) ad € 1.464,-: van dit bedrag is volstrekt niet duidelijk wat het betreft. Deze posten moeten alsnog op juistheid worden beoordeeld en [de dochter] moet hierover verantwoording afleggen.

43. [de dochter] c.s. geven in de memorie van antwoord een uitleg en leggen daarbij producties betreffende de posten onder 1) en 3) over.

44. Het hof stelt vast dat de informatie over deze posten daarmee is gegeven en, nu [zoon een] deze informatie verder niet langer betwist, hij geen belang meer heeft bij deze grief.

Vaderlijk erfdeel

45. In de vijftiende grief stelt [zoon een] dat de rechtbank ten onrechte de hoogte van het vaderlijk erfdeel niet heeft geverifieerd. Dit bedrag is gewijzigd van € 2.722,68 naar € 6.129,-. Het verschil tussen beide bedragen is onbegrijpelijk. [de dochter] behoort in algemene zin daar volledige verantwoording over af te leggen.

46. [de dochter] c.s. voeren aan dat [zoon een] tegen de vaststelling van het feit dat het vaderlijk erfdeel € 6.129,- (inclusief rente) per kind bedraagt, geen grief heeft gericht. Bovendien is in het proces-verbaal van de comparitie van 3 oktober 2013 opgenomen dat er geen geschil meer is over de hoogte van het vaderlijk erfdeel van partijen.

47. Het hof overweegt dat in het vonnis van de rechtbank van 15 januari 2014 is vermeld onder 4.1 dat er geen geschil meer is over (onder meer) het in de gewijzigde concept-akte gecorrigeerde erfdeel van de vader. Dit komt overeen met hetgeen daarover in het, door partijen ondertekende, proces-verbaal van de comparitie van partijen is vermeld. [zoon een] heeft daarom geen belang bij deze grief.

Proceskosten

48. In de vijfde grief in het incidenteel appel voeren [de dochter] c.s. aan dat de rechtbank ten onrechte de proceskosten in conventie en in reconventie heeft gecompenseerd. [zoon een] behoort in de proceskosten te worden veroordeeld, aldus [de dochter] c.s. omdat hij met zijn opstelling [de dochter] c.s. gedwongen heeft om te procederen over de nalatenschap.

49. Het hof is van oordeel dat deze grief faalt. Partijen zijn over en weer op een aantal geschilpunten in het ongelijk gesteld. Ook in hoger beroep is dit het geval. Het hof ziet dan ook geen grond om een der partijen in de proceskosten te veroordelen.

Slotsom

50. De slotsom is dat het hof, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, de wijze van verdeling zal vaststellen, hetgeen [de dochter] c.s. hebben gevorderd. Dit brengt met zich mee dat de bestreden vonnissen in zoverre zullen worden vernietigd. Het hof zal bij het vaststellen van de wijze van verdeling van de nalatenschap de concept-akte van verdeling, die door [zoon een] als productie 1 is overgelegd bij de memorie van grieven, tot uitgangspunt nemen.

Daarnaast is er geen belang bij de gevorderde verklaringen voor recht ten aanzien van de diverse boedelbestanddelen, zodat dit onderdeel zal worden afgewezen. Het hof zal de vordering van [de dochter] c.s., strekkende tot veroordeling van [zoon een] in de beslagkosten ten bedrage van € 121,-, afwijzen, nu deze volstrekt niet is onderbouwd en door [zoon een] is betwist. De rechtbank heeft in reconventie [de dochter] c.s. veroordeeld tot het meewerken aan een deugdelijke verdeling van de nalatenschap van erflaatster, zonder daaraan een dwangsom te verbinden. Het hof zal [zoon een] veroordelen tot medewerking aan de verdeling van de nalatenschap, maar acht geen gronden aanwezig daaraan een dwangsom te verbinden, zodat dit onderdeel zal worden afgewezen.

51. Dit leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden vonnissen voor zover daarbij de vordering tot vaststelling van de (wijze van) verdeling van de nalatenschap van erflaatster is afgewezen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

gelast de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflaatster, in zo verre in afwijking van de concept-akte van verdeling die als productie 1 bij de memorie van grieven is overgelegd, als volgt:

1. de auto, merk Volkswagen, type Lupo, wordt toegedeeld aan [zoon een] tegen een waarde van € 3.000,-;

2. bepaalt dat een bedrag aan voorgeschoten hypotheekrente ad € 1.200,-, opgenomen onder V in de concept-akte van verdeling, daaruit moet worden verwijderd;

3. bepaalt dat onder “VI. Geldlening” dient te worden toegevoegd: een geldlening aan [de dochter] ten bedrage van € 2.060,- en dat deze bij de verdeling van het saldo van de nalatenschap zoals deze zal worden herberekend, op het erfdeel van [de dochter] in mindering wordt gebracht;

4. bepaalt dat de Pandora armband aan [de dochter] zal worden toegedeeld tegen een waarde van € 800,-;

en

bepaalt dat de genoemde concept-akte van verdeling dient te worden aangepast met inachtneming van het onder 1 tot en met 4 bepaalde en dat de nalatenschap aldus moet worden verdeeld;

gelast [zoon een] zijn medewerking te verlenen aan de verdeling van de nalatenschap van erflaatster;

verklaart dit arrest tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten tussen partijen in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, A.N. Labohm en J.A. van Kempen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 september 2016, in aanwezigheid van de griffier.