Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3298

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
03-11-2016
Zaaknummer
22-003393-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is rijdend met een veel te hoge snelheid door het voor hem al meer dan 20 seconden op rood staande stoplicht gereden en heeft vervolgens op de bewezen verklaarde wijze een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij hij eerst tegen een andere auto is gebotst en vervolgens tegen een fietser, waarbij het laatste slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De fietser heeft ten gevolge van het verkeers-ongeval drie weken op de intensive care in coma gelegen. Zij heeft diverse aangezichtsbreuken, een breuk in het rechterbeen en breuken in de linkerarm opgelopen en is uiteindelijk één van haar ogen verloren tijdens een operatie. Zij is geruime tijd opgenomen geweest in het ziekenhuis en in een revalidatiecentrum.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2016/66

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-003393-15

Parketnummers: 09-817211-15, 22-002197-11 (TUL),

22-004598-12 (TUL) en 13-076168-13 (TUL)

Datum uitspraak: 26 oktober 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 juli 2015 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortejaar] 1989,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 12 oktober 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van voorarrest, en tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als vermeld in het vonnis. Tevens is beslist omtrent de vorderingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijke veroordelingen als vermeld in het vonnis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 januari 2015 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon ([benadeelde partij]) van het leven te beroven,

- heeft gereden in een voertuig (personenauto) met een snelheid van (minimaal) 90 km/u terwijl ter plaatse 50 km/u is toegestaan, althans met een voor de situatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid en/of

- een oversteekplaats en/of kruispunt is genaderd, terwijl hij zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast aan die wegsituatie en/of

- niet zijn voertuig tot stilstand heeft kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of - onvoldoende aandacht gehad voor het overige verkeer en/of het overstekende verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, en/of

- met zijn voertuig door rood licht is gereden, tengevolge waarvan verdachte met zijn voertuig tegen een ander voertuig (Ford) is aangereden waardoor verdachtes voertuig in een slip is geraakt en/of is gaan tollen en verdachte met zijn voertuig tegen [benadeelde partij] is gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 20 januari 2015 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Noordsingel zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- heeft gereden met een snelheid van (minimaal) 90 km/u terwijl ter plaatse 50 km/u is toegestaan, althans met een voor de situatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid en/of

- een oversteekplaats en/of kruispunt is genaderd, terwijl hij zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast aan die wegsituatie en/of

- niet zijn voertuig tot stilstand heeft kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of - onvoldoende aandacht gehad voor het overige verkeer en/of het overstekende verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, en/of

- met zijn voertuig door rood licht is gereden, tengevolge waarvan hij tegen een ander voertuig (Ford) is aangereden, waardoor verdachtes voertuig in een slip is geraakt en/of is gaan tollen en verdachte met zijn voertuig tegen [benadeelde partij] is gebotst, waardoor een ander (genaamd [benadeelde partij]) zwaar lichamelijk letsel, te weten diverse aangezichtsbreuken en/of het verlies van een oog en/of breuk in het rechterbeen en/of breuken in de linkerarm, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens een deze wet (de Wegenverkeerswet 1994) vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden (door op de noordsingel te rijden met een snelheid van minimaal 90 km/u).

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet helemaal verenigt.

(Bewijs)overwegingen 1

Inleiding

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt.

Deze feiten hebben ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag dienen.

Op 20 januari 2015 heeft omstreeks 14.21 uur een verkeersongeval plaatsgevonden op het kruispunt van de wegen genaamd Noordsingel en Weigelia te Leidschendam, waarbij een auto van het merk Volkswagen, een auto van het merk Ford en een fiets van het merk Cortina betrokken zijn geweest. Voornoemd kruispunt wordt geregeld door middel van een verkeerslichteninstallatie en bevindt zich in de bebouwde kom van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Ter plaatse geldt voor motorvoertuigen een toegestane maximumsnelheid van 50 km/h.2

Uit onderzoek is het volgende gebleken.3

De bestuurder van de Volkswagen, de verdachte,4 reed op 20 januari 2015 op de Noordsingel, terwijl hij uit de richting van Leidschendam kwam en in de richting van Voorburg reed. De verdachte bereed de linker rijstrook van twee rijstroken, bedoeld voor rechtdoorgaand verkeer. De bestuurster van de Ford, [benadeelde partij 2],5 reed op het Weigelia, terwijl zij uit de parkeergarage van het winkelcentrum Leidschenhage kwam. Zij reed de Noordsingel op, met het voornemen om linksaf te slaan, in de richting van de Burgemeester Banninglaan. De fietser, [benadeelde partij],6 bevond zich op de middengeleider, alwaar een oversteekplaats is gecreëerd voor fietsers om de Noordsingel over te kunnen steken. Zij was voornemens om over te steken in de richting van het winkelcentrum.

De voorzijde van de Ford is op 20 januari 2015 in confrontatie gekomen met de rechter achterzijde van de Volkswagen, ten gevolge waarvan de Volkswagen rechtsom is gaan roteren, uit zijn baan is geraakt en uiteindeljk op de middengeleider terecht is gekomen. Op de midden-geleider heeft de Volkswagen twee palen geraakt, waardoor één van de palen uit de grond los is gekomen en enige meters verder tot stilstand is gekomen. De andere paal isdubbelgevouwen op het wegdek terecht gekomen.

De Volkswagen is vervolgens op de oversteek voor fietsers terecht gekomen, alwaar de linker achterzijde van de Volkswagen in confrontatie is gekomen met de fiets en de bestuurster van die fiets. Ten gevolge van deze

confrontatie zijn de fiets en bestuurster van die fiets enige meters verderop in het gras van de trambaan terecht gekomen.7

Uit onderzoek is verder gebleken dat de bestuurder van de auto van het merk Volkswagen, de verdachte, met zijn auto door rood licht is gereden, terwijl dit verkeerslicht al meer dan 20 seconden op rood stond.8 Op dat moment stonden meerdere auto’s voor het rode licht te wachten.9

Uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut is gebleken dat de verdachte, vlak voor het ongeval, met een snelheid van minimaal 91 km/h en maximaal 97 km/h heeft gereden.10

De verdachte heeft verklaard dat hij daar vlak in de buurt woont, dat hij weet dat de Noordsingel best een drukke weg is en dat er een winkelcentrum ligt.11

Door een arts is op 21 januari 2015 onder meer het volgende letsel bij het slachtoffer [benadeelde partij] geconstateerd: diverse aangezichtsbreuken, breuk rechterbeen, kapotte oogkas en breuken in de linkerarm. Voorts was sprake van psychische stoornissen en/of stoornissen van het bewustzijn.12

Een dag nadat dit formulier was opgesteld heeft de vriend van [benadeelde partij] aan de politie medegedeeld dat het oog van [benadeelde partij] tijdens een operatie is verwijderd.13

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [benadeelde partij] haar aanvullende schriftelijke slachtofferverklaring voorgelezen.14 Hieruit blijkt –kort samengevat- dat het slachtoffer de normale vanzelfsprekende dingen zoals werken, reizen, autorijden etc. niet meer kan doen en dat zij haar verleden, haar ervaringen en al haar herinneringen kwijt is. Doordat zij hersenschade heeft opgelopen proeft en ruikt zij niets meer.

Standpunt ten aanzien van het primair ten laste gelegde

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd (poging doodslag), zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegetegde (artikel 6 WVW)

Op basis van voornoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte, als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een auto, op 20 januari 2015 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden.

De vraag die het hof dient te beantwoorden is hoe het verkeersgedrag van de verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd. De verdachte wordt verweten dat hij roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend verkeersgedrag heeft vertoond.

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm slechts in uitzonderljke gevallen sprake kan zijn. Daarbij verdient opmerking dat “roekeloosheid” in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder roekeloos” – in de betekenis van “onberaden” - wordt verstaan (zie o.m. HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1772). Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt verder dat om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet1994, de rechter zodanige feiten en omstandigheden zal moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn (zie o.m. HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1772).

Het hof is van oordeel dat uit het dossier niet is gebleken van zodanige feiten en/of omstandigheden dat daaruit valt af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Het hof acht derhalve – evenals de advocaat-generaal en de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan roekeloos rijgedrag, zodat de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging behoort te worden vrijgesproken.

Het hof is, gelet op de voornoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat wel wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich op 20 juni 2015 te Leidschendam schuldig heeft gemaakt aan zeer onvoorzichtig en onoplettend verkeersgedrag.

Het hof acht het strafverzwarende element van de tenlastelegging, te weten dat de verdachte de vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, ook bewezen, nu uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut vast is komen te staan dat de verdachte de maximum toegestane snelheid van

50 km/h met minstens 41 km/h heeft overschreden. Dit betekent dat de verdachte bijna tweemaal zo hard heeft gereden dan de maximumsnelheid welke ter plaatse was toegestaan.

Concluderend acht het hof, evenals de rechtbank, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, bestaande uit zeer onvoorzichtig en onoplettend verkeersgedrag, terwijl het feit mede is veroorzaakt door de ernstige snelheidsoverschrijding.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de in de voetnoten 1 tot en met 13 vermelde bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 20 januari 2015 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Noordsingel zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeers-ongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval doordat hij zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- heeft gereden met een snelheid van (minimaal) 90 km/u terwijl ter plaatse 50 km/u is toegestaan, althans met een voor de situatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid en/of

- een oversteekplaats en/of kruispunt is genaderd, terwijl hij zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast aan die wegsituatie en/of

- niet zijn voertuig tot stilstand heeft kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of - onvoldoende aandacht heeft gehad voor het overige verkeer en/of het overstekende verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, en/of

- met zijn voertuig door rood licht is gereden, tengevolge waarvan hij tegen een ander voertuig (Ford) is aangereden, waardoor verdachtes voertuig in een slip is geraakt en/of is gaan tollen en verdachte met zijn voertuig tegen [benadeelde partij] is gebotst, waardoor een ander (genaamd [benadeelde partij]) zwaar lichamelijk letsel, te weten diverse aangezichtsbreuken en/of het verlies van een oog en/of breuk in het rechterbeen en/of breuken in de linkerarm, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens een deze wet (de Wegenverkeerswet 1994) vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden (door op de Noordsingel te rijden met een snelheid van minimaal 90 km/u).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde (zeer onvoorzichtig en onoplettend verkeersgedrag) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van voorarrest, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is rijdend met een veel te hoge snelheid door het voor hem al meer dan 20 seconden op rood staande stoplicht gereden en heeft vervolgens op de bewezen verklaarde wijze een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij hij eerst tegen een andere auto is gebotst en vervolgens tegen een fietser, waarbij het laatste slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De bestuurster van de andere auto is erg geschrokken en heeft last van herbelevingen. De fietser heeft ten gevolge van het verkeers-ongeval drie weken op de intensive care in coma gelegen. Zij heeft diverse aangezichtsbreuken, een breuk in het rechterbeen en breuken in de linkerarm opgelopen en is uiteindelijk één van haar ogen verloren tijdens een operatie. Zij is geruime tijd opgenomen geweest in het ziekenhuis en in een revalidatiecentrum.

Uit de zich in het dossier bevindende en ter terecht-zitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring van mevrouw [benadeelde partij] komt treffend naar voren tot welk leed het handelen van de verdachte voor het slachtoffer heeft geleid. Haar leven is volledig ontwricht en zij zal de rest van haar leven van veel zorg afhankelijk blijven.

De verdachte heeft door zijn verkeersgedrag blijk gegeven van een ernstig gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van de veiligheid van andere verkeersdeel-nemers, alsmede van het ontbreken van enig besef van de grote gevaren die het op de bewezen verklaarde wijze besturen van een auto teweegbrengt voor het menselijk leven, de lichamelijke integriteit en de verkeersveilig-heid.

Bij het bepalen van de straf houdt het hof in straf-verzwarende zin in het bijzonder rekening met de omstandigheid dat de verdachte de vastgestelde maximumsnelheid in zeer ernstige mate heeft overschreden.

Ook houdt het hof ten nadele van de verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte goed bekend is met de verkeerssituatie waar het ongeval heeft plaatsgevonden en

dus moet hebben geweten dat het daar normaal gesproken druk is op dat moment van de dag en ook moet hebben geweten dat andere verkeersdeelnemers het kruispunt kunnen oprijden vanuit de parkeergarage van het

winkelcentrum. Van de verdachte had dan ook mogen worden verwacht dat hij daarom grote voorzichtigheid in acht zou nemen.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 september 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van verkeersdelicten en dat hij nog in de proeftijd liep van drie eerdere veroordelingen, waarvan er twee betrekking hadden op verkeersgedrag. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen en werkt zeer strafverzwarend.

Anderzijds houdt het hof in het voordeel van de verdachte rekening met de omstandigheid dat de verdachte ter terechtzitting spijt heeft getoond van zijn handelen en lijkt te zijn aangedaan door de gevolgen die zijn daad hebben gehad op mevrouw [benadeelde partij], die zeer ernstig gewond is geraakt ten gevolge van het verkeersongeval.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen. Het hof ziet geen gronden om anders te oordelen dan de rechtbank gedaan heeft.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte subsidiair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 874,09.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 556,99.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist op grond, kort gezegd, dat deze benadeelde niet als zodanig in de tenlastelegging is opgenomen.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezen verklaarde. Door het verkeers-gedrag van de verdachte is de benadeelde tegen het voertuig van de verdachte gebotst als gevolg waarvan schade is geleden. Deze botsing is in de tenlastelegging uitdrukkelijk als verweten gedraging van de verdachte opgenomen, waaraan niet afdoet dat de benadeelde in de tenlastelegging niet bij naam genoemd is. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het bedrag van € 250,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 556,99 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2].

Vorderingen tenuitvoerlegging

1.

Bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 4 april 2012 onder rolnummer 22-002197-11 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met bevel dat die gevangenisstraf niet tenuitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoer-legging van die niet tenuitvoergelegde straf gevorderd dat die vordering wordt afgewezen.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

Naar het oordeel van het hof zijn er geen termen aanwezig voor toewijzing van die vordering, mede nu het een ander feit betreft dan het feit dat het hof in de onderhavige strafzaak bewezen acht.

De vordering zal dan ook overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal worden afgewezen.

2.

Bij vonnis van de kantonrechter te Amsterdam van 4 april 2014 onder parketnummer 13-076168-13 is de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 440,-, subsidiair acht dagen hechtenis, met bevel dat die geldboete niet tenuitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoer-legging van die niet tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoer-legging van die niet tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

3.

Bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 17 april 2013 onder rolnummer 22-004598-12 is de verdachte veroordeeld tot hechtenis voor de duur van vier weken, met bevel dat die hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoer-legging van die niet tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoer-legging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

In plaats daarvan zal het hof evenwel - gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken - een taakstraf voor de duur van honderd uren gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14g, 22c, 22d en 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 556,99 (vijfhonderdzesenvijftig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 306,99 (driehonderdzes euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 250,- (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[benadeelde partij 2], ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 556,99 (vijfhonderdzesenvijftig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 306,99 (driehonderdzes euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 250,- (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Den Haag van 19 maart 2015, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 4 april 2012, rolnummer 22-002197-11, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kantonrechter te Amsterdam van 4 april 2014, parketnummer 13-076168-13, te weten van: een geldboete van € 440,- (vierhonderdveertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

8 (acht) dagen hechtenis.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 17 april 2013, parketnummer 22-004598-12, te weten van hechtenis voor de duur van vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, te vervangen door: taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma,

mr. I.P.A. van Engelen en mr. L.F. Gerretsen-Visser, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 oktober 2016.

Mr. I.P.A. van Engelen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PLI500-2015021767-24, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 99).

2 Voorlopig proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, pv nr: 2015021767-19, p. 1 van 8, p. 3 van 8 en 4 van 8.

3 Voorlopig proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, pv nr: 2015021767-19, p. 5 van 8.

4 Proces-verbaal aanrijding misdrijf, pv nr.: PL1500-2015021767-1, p. 1 t/m 3.

5 Proces-verbaal aanrijding misdrijf, pv nr.: PL1500-2015021767-1, p. 1 t/m 3.

6 Proces-verbaal aanrijding misdrijf, pv nr.: PLI500-2015021767-1. p. 1 t/m 4.

7 Voorlopig proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, pv nr: 2015021767-19, p. 5 van 8.

8 Definitief proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, pv nr: 2015021767-32, p. 4 van 5.

9 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], p. 26 en 27, proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2], p. 32 en 33, en proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3].

10 Een geschrift, te weten een Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, getiteld: Snelheidsbepaling van een auto in videobeelden naar aanleiding van een aanrijding te Leidschendam op 20 januari 2015, opgesteld door ing. D.J. Vrijdag op 19 mei 2015, pagina’s 5 en 6 van 15 en 15 van 15.

11 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 8 juli 2015.

12 Een geschrift, te weten een aanvraagformulier medische informatie betreffende [benadeelde partij], d.d. 21 januari 2015 opgesteld, p. 87.

13 Proces-verbaal van bevindingen. pv nr.: PL1500-2015021767-25.

14 Aanvullende schriftelijke slachtofferverklaring van [benadeelde partij], d.d. 9 augustus 2016