Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3295

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-10-2016
Datum publicatie
03-11-2016
Zaaknummer
22-001136-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren en 2 maanden met aftrek van voorarrest voor meerdere ernstige feiten. Allereerst voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen die gericht waren op het vervoeren – per schip- van (handels)hoeveelheden cocaïne.

Daarnaast wordt hij veroordeeld voor het (medeplegen van) gewoontewitwassen van zeer aanzienlijke geldbedragen. Grote contante bedragen werden opgehaald door de verdachte en een medeverdachte, elders geteld en bewaard, om vervolgens grotendeels weer te worden overgedragen. De transacties werden bijgehouden in verschillende boekhoudingen.

Ten slotte heeft de verdachte drie vuurwapens, waaronder een automatisch vuurwapen, en munitie voorhanden gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-001136-11

Parketnummers: 10-600201-08 en 10-600177-09

Datum uitspraak: 7 oktober 2016

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te Aruba op [geboortedatum] 1969,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 12, 13, 16, 19, 20, 22 en 23 september 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

2. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het op de dagvaarding met parketnummer 10-600201-08 onder 1 primair en 2 (hierna: onder 1 primair en 2) en het op de dagvaarding met parketnummer 10-600177-09 onder 1 primair en subsidiair (hierna: onder 6 primair en subsidiair) ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het op de dagvaarding met parketnummer 10-600201-08 onder 1 subsidiair, 3, 4 en 5 (hierna onder 1 subsidiair, 3, 4 en 5) en het op de dagvaarding met parketnummer 10-600177-09 onder 2 primair en 3 primair (hierna: onder 7 primair en 8 primair) ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 9 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen ten aanzien van het beslag, zoals nader in het vonnis waarvan beroep vermeld.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

3. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Het hof zal, evenals de rechtbank en overeenkomstig de vordering van de advocaten-generaal, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van het onder 8 ten laste gelegde, voor zover dat betrekking heeft op financiële transacties met de personen genaamd [betrokkene 1] en [betrokkene 2].

4. Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging daarvan ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit arrest gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

5. Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet in alle opzichten verenigt.

6. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Nu aan de verdachte meerdere witwasfeiten zijn tenlastegelegd, zal het hof allereerst het beslissingskader schetsen hetgeen zal worden gebruikt bij de beoordeling van de vraag of de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen.

Het hof zal hierna per feit telkens in een nadere bewijsoverweging ingaan op de door de verdediging dan wel het openbaar ministerie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.

6.1 Beslissingskader witwassen

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, onder [a/b] Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.

Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden (HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:194).

6.2 Zaaksdossier [adres 1]

6.2.1 Vaststaande feiten en omstandigheden

Het hof leidt uit de beschikbare bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 23 april 2009 is bij de doorzoeking van de woning aan het [adres 1] in Rotterdam een contant geldbedrag aangetroffen en inbeslaggenomen van € 4.578.360,-. Het geld bevond zich in één van de twee manshoge kluizen in een afgesloten kamer in de woning. De kluis is met geweld geopend. Het geld - in verschillende coupures - was verpakt in zeven oranje tassen en in een grijze papieren tas in deze afgesloten kluis. Er zaten 4241 briefjes van € 500,- bij het aangetroffen geld, een type biljet dat veelal in het criminele circuit wordt gebruikt. In de woning werden ook twee geldtelmachines aangetroffen.

Deze woning werd gehuurd door (medeverdachte) [medeverdachte 2], maar volgens het GBA stonden er anderen ingeschreven op dat adres.

Na de inbeslagname heeft niemand zich als rechthebbende op dat geld gemeld bij de justitiële autoriteiten.

Op basis van telefoontaps, observaties en voorwerpen aangetroffen bij de verschillende doorzoekingen is naar voren gekomen dat in de ten laste gelegde periode door de medeverdachten [verdachte] en [medeverdachte 3] op verschillende data grote contante geldbedragen op verschillende locaties in Amsterdam Zuid-Oost zijn opgehaald en vervolgens naar Rotterdam zijn gebracht.

Uit getapte gesprekken vlak voorafgaand aan de ten laste gelegde periode tussen met name [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 4] komt naar voren dat er kennelijk ‘papieren’(het hof begrijpt: geld) van [betrokkene 3] in Afrika via [verdachte] naar Pancho (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 5]) in Nederland moeten komen zodat er dan door Pancho iets aan betrokkene 3] kan worden gegeven.

Ook is vast komen te staan dat de contante geldbedragen vrijwel steeds werden gebracht naar het adres [adres 2] te Rotterdam. Dit appartement (dat gehuurd werd door verdachte [verdachte]) was de vaste verblijfplaats van medeverdachte [medeverdachte 6]. Ook bij de doorzoeking in dat pand is een geldtelmachine aangetroffen.

Voorts is gebleken dat [medeverdachte 6] het geld daar op verschillende momenten al dan niet samen met [medeverdachte 3] heeft geteld, het geld bewaarde in de woning aan het [adres 2], en ook een rol had bij het overdragen van contante bedragen aan [medeverdachte 2]/[medeverdachte 3] (Pancho). Ook noteerde zij de in- en uitgaande bedragen op notitieblaadjes en onderhield zij daarover telefonisch contact met verdachte en [medeverdachte 4].

In dat appartement zijn een aantal van deze notitieblaadjes – gestoken in het boek ‘Menselijke anatomie voor kunstenaars’ - aangetroffen met daarop verschillende berekeningen, telkens beginnend met een vermenigvuldiging (p x q) met een totaalbedrag waarvan vervolgens daaronder bedragen worden afgetrokken. Daarbij wordt in bijna alle gevallen een datum vermeld.

Dat de vermelde bedragen met 1000 vermenigvuldigd moeten worden, blijkt bij vergelijking van deze notitieblaadjes met andere op het [adres 2] aangetroffen notitieblaadjes (waar voor een deel dezelfde data staan vermeld maar waar de bedragen wel voluit zijn geschreven) in combinatie met informatie uit de telefoontaps.

De afgetrokken bedragen op de notities komen overeen met bedragen genoemd in de getapte telefoongesprekken over de hoogte van de in Amsterdam opgehaalde bedragen (beslagcode [WI028.F.3.1.014], dit betreft de zogenaamde ‘balans van Mario’ en die over de bedragen die zijn doorbetaald (al dan niet via [medeverdachte 2]) aan Pancho/[medeverdachte 5] (beslagcode [WI028.F.3.1.012], in eerder genoemd gesprek wordt gesproken over ‘wat ik Panch heb gegeven’). Ook is er een e-mail d.d. 4 mei 2009 die blijkens de getapte gesprekken door [medeverdachte 6] in de mailbox van [e-mailadres] is gezet en waar de opgehaalde bedragen ook op staan vermeld.

De combinatie van informatie uit telefoontaps, genoemde notities en emailbericht kunnen naar het oordeel van het hof als volgt schematisch worden vertaald:

Datum

Genoteerde

opgehaalde geldbedragen in Amsterdam

[WI028.F.3.1.014]

Door wie

Geno-teerde

datum

Genoteerde geldbedragen overgedragen in Rotterdam

[WI028.F.3.1.012]

Aan wie

14/2/09

€ 350.000

M

15/2/09

€ 300.000

Z

17/2/09

€ 300.000

M

17/2/09

€ 280.000

P+Z

19/2/09

€ 200.000

M

19/2/09

€ 140.000

P+Z

24/2/09

€ 400.000

M

24/2/09

€ 380.000

24/2/09

€ 85.000

Aan M overhandigd in Rotterdam

door NN

€ 85.000

Z +?

27/2/09

€ 345.000

M

€ 340.000

Z

03/3/09

€ 653.000

M

03/3/09

€ 627.000

Z+P?

07/3/09

€ 609.000

C

07/3/09

€ 580.000

Z

17/3/09

€ 496.000

M

17/3/09

€ 475.000

Z

20/3/09

€ 432.570

C

20/3/09

€ 386.500

Z

31/3/09

€ 342.430

C

31/3/09

€ 330.000

Z

02/4/09

€ 232.000

C

02/4/09

€ 210.000

Z

06/4/09

€ 198.000

C

06/4/09

€ 150.000

Z

15/4/09

€ 225.800

C

€ 200.000

Z

20/4/09

€ 139.000

C

21/4/09

€ 85.000

?

22/4/09

€ 334.980

C

22/4/09

€ 305.000

Z&P

M= [verdachte], C- [medeverdachte 3], Z= [medeverdachte 2], P= [medeverdachte 5]

Naar het oordeel van het hof zijn de volgende typologieën van witwassen1 op de onderhavige zaak van toepassing op basis waarvan een vermoeden van witwassen jegens de verdachte en haar medeverdachten is gerechtvaardigd:

• het fysiek vervoeren (en het in huis bewaren) van grote bedragen in contanten brengt een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich;

• het voorhanden hebben van grote hoeveelheden contant geld zonder noodzaak daartoe op grond van bedrijf of beroep;

• de geldbedragen van zeer grote omvang, in contante coupures, die niet terug zijn te vinden in (officiële) boeken van en evenmin kunnen worden verantwoord met stukken van reguliere handelsactiviteiten;

• de overdracht van gelden (in Amsterdam) vindt plaats op een openbare plek in plaats van op een vaste locatie;

• er is geen of slechts summiere administratie waarin namen ontbreken;

Dit vermoeden van witwassen wordt versterkt door de vele telefoongesprekken waarbij door betrokkenen versluierd taalgebruik wordt gehanteerd. De inhoud van een aantal voor het bewijs gebezigde telefoontaps gaat blijkens de context kennelijk over geld en de hoogte van de geldbedragen of over de ophaallocaties en –tijdstippen van het geld in Amsterdam. Er wordt dan in termen gesproken als ‘papieren’, ‘kamernummer’, ‘kamer wisselen’, ‘hoeveel het eten kost’ terwijl in feite over geld(bedragen) werd gesproken, over ‘koop een nieuw ding om te praten’ in plaats van een telefoon en over (de consequenties van) het al dan niet overgedragen krijgen van geld in termen als ‘hun bus gaat in beweging komen’ ‘de vrachtwagen weggaat’, ‘hoe het in de keuken gaat’ of ‘dat het eten nog niet klaar is’, ‘het ding af te ronden’, ‘of de kok is gebeld’ en over ophaallocaties en –tijden, in termen als ‘naar het station of de straat komen’, ‘de supermarkt’, ‘de telefooncel’, ‘boven’ en qua ophaaltijden over ‘het ontbijt’ of ‘de lunch’ of ‘voor het diner/dinner’ komen.

6.2.2 Wetenschap ten aanzien van de criminele herkomst

Het hof is van oordeel dat, gelet op dit vermoeden van witwassen en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, van de verdachte mag worden verlangd dat deze een verklaring geeft voor de herkomst van het geld die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

[verdachte] heeft als getuige ter terechtzitting op 26 mei 2014 verklaard dat het geld dat door hem en soms door [medeverdachte 3] in Amsterdam werd opgehaald, de opbrengst betrof van activiteiten van het schip de Ville d’Abidjan. Daarmee werd volgens hem groente, vlees en later passagiers vervoerd voor de kust van Afrika (een ticket kostte 120 dollar en per keer konden er 200 mensen mee). Het schip stond op naam van het bedrijf [bedrijf 3] en was onderdeel van het bedrijf [bedrijf 4]. [medeverdachte 4] en hij waren daar beiden aandeelhouder van. [medeverdachte 4] zat met zijn kantoor in Afrika. In zijn politieverklaring (van 10 februari 2010) heeft [verdachte] verklaard hiermee bruto $120.000,- per maand te verdienen.

[medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] hebben op de terechtzitting in hoger beroep d.d. 13 september 2016 verklaard dat zij op grond van de uitlatingen van [verdachte] ervan waren uitgegaan dat het geld dat in Amsterdam werd opgehaald en in Rotterdam op het [adres 2] werd geteld, tijdelijk bewaard en vervolgens overgedragen aan [medeverdachte 2]/[medeverdachte 5] afkomstig was van de ondernemersactiviteiten van [verdachte] en [medeverdachte 4] in Afrika.

Het hof merkt in dit verband allereerst op dat [verdachte] deze stellingen omtrent de opbrengsten van de activiteiten van de Ville d’Abidjan, dan wel andere ondernemersactiviteiten in (West-)Afrika niet met betrouwbaar te achten stukken of op een andere wijze heeft onderbouwd dan wel anderszins aannemelijk heeft gemaakt.

Door [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] is bovendien geen aannemelijke verklaring gegeven voor de omstandigheid dat in de tenlastegelegde periode het personenvervoer in Afrika met de Ville d’Abidjan kennelijk zo profijtelijk was dat daarmee in de ten laste gelegde periode van nog geen tweeëneenhalve maand ruim vijf miljoen euro(en daarmee een veelvoud van het door [verdachte] eerdergenoemde maandbedrag) werd omgezet. Evenmin is aannemelijk geworden waarom de opbrengstenstroom van deze zakelijke transacties niet via het regulier bancaire verkeer kon lopen. Dat in Afrika sprake was van contante transacties, zoals naar voren gebracht, verklaart naar het oordeel van het hof immers nog niet waarom zodra het geld eenmaal in Nederland was, dat niet alsnog op een reguliere bankrekening van [verdachte] kon worden gestort. De door hen gegeven verklaringen over de herkomst van de gelden worden daarom door het hof als ongeloofwaardig terzijde gelegd.

Overigens is door [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] evenmin een aannemelijke verklaring gegeven waarom of met welk doel het grootste deel van het geld vervolgens aan [medeverdachte 5] of [medeverdachte 2] moest worden overhandigd, noch waarom voor het overdragen van het geld aan hen geen bancaire route is gebruikt.

Gelet op alle voornoemde feiten en omstandigheden is het hof daarom van oordeel dat er in redelijkheid geen andere conclusie mogelijk is dan dat de in de ten laste gelegde bedoelde en bewezen geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte daarvan op de hoogte was.

6.2.3 Medeplegen

Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.

Naar het oordeel van het hof waren [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] telkens als medeplegers betrokken bij het gewoontewitwassen in de ten laste gelegde periode van geldbedragen die van misdrijf afkomstig waren met een totaalbedrag van ruim 5,3 miljoen euro.

Zoals hierboven omschreven had ieder van hen in beginsel een eigen specifieke rol en werd nauw en bewust met elkaar samengewerkt teneinde de geldbedragen te verwerven, voorhanden hebben en over te dragen door enerzijds de geldbedragen te vervoeren van Amsterdam naar Rotterdam, het geld te tellen, te administreren en te bewaren tot een groot deel daarvan werd overhandigd aan [medeverdachte 2]/[medeverdachte 5]. Duidelijk is wel dat verdachte de leiding over het gehele traject had, en daaraan ook actief deelnam, onder meer door in voorkomende gevallen zelf ook geld op te halen.

6.2.4 Gewoontewitwassen

De bewezenverklaarde gedragingen moeten naar het oordeel van het hof niet ieder voor zich worden bezien, maar worden beschouwd in hun onderlinge verband en samenhang. De duur van de periode waarin deze gedragingen gepleegd zijn, alsmede de stelselmatigheid waarmee deze witwasfeiten gepleegd zijn, brengt mee dat sprake is geweest van een gewoonte.

6.3 Zaaksdossier Dakar

Zakelijk weergegeven wordt de verdachte onder dit feit verweten dat hij tezamen met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd met betrekking tot verdovende middelen (cocaïne), door middel van een tanktrailer die bestemd was om de verdovende middelen mee te vervoeren. De verdachte en zijn medeverdachten zijn van dit feit in eerste aanleg vrijgesproken.

Het openbaar ministerie is tegen deze vrijspraken in hoger beroep gekomen en heeft overeenkomstig het schriftelijke requisitoir gevorderd het medeplegen van de voorbereidingshandelingen bewezen te verklaren.

Daartoe hebben de advocaten-generaal, kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de verdachten gezamenlijk een geprepareerde tanktrailer naar Dakar hebben getransporteerd en dat deze trailer bestemd was voor het transport van verdovende middelen. In de laadruimte van de trailer zijn sporen van cocaïne aangetroffen. Dat de verdachten wisten dat deze container gebruikt werd voor het transport van verdovende middelen blijkt naar de mening van het openbaar ministerie uit de volgende omstandigheden:

  • -

    De handel in verdovende middelen is datgene dat de verdachten bindt;

  • -

    Er wordt door allen in versluierd taalgebruik gesproken;

  • -

    Door [verdachte] en [medeverdachte 4] wordt zelfs expliciet gesproken over het vervoer van goederen met de trailer en het door mensen van [medeverdachte 5] lossen van de lading;

  • -

    Er wordt voor betrekkelijk veel geld een trailer, gevuld met plastic korrels, verzonden naar Senegal. Die lading is eerder een last dan het doel van de reis en kan daarom geen economisch doel hebben;

  • -

    Door niemand wordt een aannemelijke, de verdenking ontzenuwende verklaring gegeven voor dit transport, dan wel wordt er aantoonbaar gelogen.

Ook de verdachte heeft zich aldus volgens de advocaten-generaal schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen met als doel het vervoer/de invoer van verdovende middelen, die in Afrika lagen opgeslagen, naar Nederland.

Het hof oordeelt hierover naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep als volgt.

Uit de bewijsmiddelen in het dossier komt naar voren dat de trailer (uiteindelijk) op 19 april 2009 in opdracht van [verdachte] door het bedrijf [scheepvaartbedrijf] naar Dakar is verzonden. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] helpen in de aanloop naar de verzending in Nederland mee met het verkrijgen en afleveren van de juiste papieren. [medeverdachte 4], die in Afrika verblijft, wordt op de hoogte gehouden van de voortgang. In de vele telefoongesprekken over de trailer wordt veelal gesproken in versluierd taalgebruik.

Nadat de trailer medio mei 2009 is aangekomen in Dakar, ontstaan er problemen met het vrijgeven daarvan. Eind juli 2009 blijkt de trailer nog steeds niet te zijn vrijgegeven. Uit het dossier blijkt niet dat de trailer uiteindelijk door of namens een van de hiervoor genoemden is opgehaald. Integendeel, uit het dossier blijkt slechts dat de trailer op 22 april 2010 door de Gendarmerie in Senegal is aangetroffen, derhalve bijna een jaar nadat de trailer in Dakar is aangekomen en ruim een half jaar na de aanhouding van de verdachte en [medeverdachte 6]. Bij onderzoek aan de trailer, nadat deze naar Nederland was overgebracht, is gebleken dat deze trailer geprepareerd was om goederen in te verstoppen en dat de lucht uit de laadruimte van de trailer sporen van cocaïne bevatte.

Hoewel voor het hof daarmee vaststaat dat de trailer op enig moment is geprepareerd en dat er mogelijk op enig moment cocaïne in heeft gezeten, kan het hof evenwel, gezien de lange periode waarin de autoriteiten geen zicht op de trailer hebben gehad, niet buiten gerede twijfel vaststellen dat het de verdachte en zijn medeverdachten zijn geweest die de trailer hebben geprepareerd en hebben gebruikt om cocaïne in te vervoeren, laat staan dat daaruit kan volgen dat de verdachten het opzet hebben gehad de trailer te gebruiken om cocaïne in te voeren in Nederland. Voor het standpunt van het openbaar ministerie dat de trailer al geprepareerd was op het moment van het verschepen daarvan naar Dakar, bevat het dossier naar het oordeel van het hof onvoldoende concrete aanknopingspunten.

Alles overwegend is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om te kunnen vaststellen dat de verdachte en zijn medeverdachten de tenlastegelegde handelingen hebben gepleegd.

6.4 Zaakdossier Lola 2

Zakelijk weergegeven en voor zover nog aan de orde in hoger beroep wordt de verdachte verweten dat hij tezamen met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd met betrekking tot verdovende middelen (in het bijzonder cocaïne). Deze voorbereidingshandelingen zouden er onder meer in hebben bestaan dat verdachte en zijn medeverdachten en of meer schepen hebben gekocht en ingezet voor het transport van cocaïne van Zuid-Amerika naar West-Afrika en vanuit daar naar onder meer Nederland. Daarbij zou verdachte, wederom tezamen met anderen, verantwoordelijk zijn geweest voor alle logistiek, waaronder ook de inzet van personeel, het verkrijgen van de noodzakelijke scheeps- en transportdocumenten, het regelen van zogenaamde deklading, de aanschaf van communicatiemiddelen, het onderhouden van de communicatie met, en het volgen van de locatie van, de betreffende schepen en het organiseren van het laden en lossen daarvan.

Bij de beoordeling van de jegens verdachte in de tenlastelegging opgenomen feiten is het hof uitgegaan van de navolgende, uit wettige bewijsmiddelen blijkende, feiten en omstandigheden.

6.4.1 Algemeen

Het schip Ville d’Abidjan is in december 2006 door de verdachte (verder te noemen: [verdachte]) en [betrokkene 6] voor € 225.000,00 gekocht. Daarbij werd een Panamese vennootschap met de naam [bedrijf 3] als eigenaar geregistreerd. De Ville d’Abidjan is een zogenaamd supply vessel, met een koelruim en een kleine laadkraan. Het schip was gebouwd in 1954 en had een netto laadcapaciteit van 132 registerton. Dergelijke schepen worden volgens de getuige [betrokkene 9] over het algemeen gebruikt voor het vervoer van vis. In ieder geval tot en met medio februari 2007 heeft het schip in de haven ‘s-Gravendeel gelegen. Daarna is het schip, zeer waarschijnlijk op 20 februari 2007, door [betrokkene 6] en [verdachte] overgevaren naar Dakar, Senegal.

De registratiedocumenten van de Ville d’Abidjan zijn aangetroffen in eerder genoemde woning aan het [adres 2] van [verdachte] die hij aan zijn vriendin [medeverdachte 6] (verder te noemen: [medeverdachte 6]) als woonruimte ter beschikking had gesteld en in welke woning hij regelmatig verbleef. Registratiedocumenten van de Ville d’Abidjan zijn echter ook aangetroffen in een woning in Medellín, Colombia van [Mustashi], alias Mustashi. Genoemde Mustashi wordt sedert vele jaren in verband gebracht met grootschalige internationale drugshandel. In dat kader is hij onder meer in Frankrijk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, en werd hij onder meer door Spanje gezocht in verband met het aantreffen aan boord van een varend zeeschip van een zeer grote partij cocaïne.

Uit de verklaringen van [verdachte] zelf, en uit tapgesprekken waaraan hij deelneemt, blijkt dat hij en Mustashi elkaar in ieder geval al sedert 2003 kennen en al langjarig samenwerken.

Waartoe het schip na de overvaart naar Senegal is ingezet is onbekend. Volgens [verdachte] is [medeverdachte 4] (verder te noemen [medeverdachte 4]) degene die de logistiek in Afrika in verband met de Ville d’Abidjan verzorgt. [verdachte] heeft voorts gesteld dat de Ville d’Abidjan in Afrika is ingezet voor het vervoer van vis, maar het hof constateert dat deze stelling door hem noch door een van de andere verdachten met als objectief te duiden bewijsstukken, zoals ladingdocumenten, nader is onderbouwd.

Duidelijk is wel dat het schip medio 2007 vertrokken is vanuit Conakry, Guinee naar Fortaleza, Brazilië en aldaar op 20 augustus 2007 is aangekomen. De Ville d’Abidjan is daar vervolgens meer dan een jaar in de haven blijven liggen. In die tijd zijn ook reparaties en modificaties aan het schip uitgevoerd.

6.4.2 Periode 4 februari 2008 - 6 oktober 2008

Op 4 februari 2008 spreken [verdachte] en [medeverdachte 4] telefonisch “over wat Mustashi voor hen heeft”, dat “de Villes (het hof gaat er vanuit dat hiermee de Ville d’Abidjan wordt bedoeld) kan gaan”, dat ze “dan in rekening kunnen brengen wat ze normaal vragen, 350-400”, en dat [verdachte] tegen Mustashi heeft gezegd dat “het kantoor het aan ons moeten geven voor 16 of 16,5.”

Op 23 juli 2008 voert [verdachte] een telefoongesprek waarin hij onder meer zegt dat hij van een man genaamd Ras “de grote boot in Brazilië” met voor € 40.000 aan kip moet vullen en deze naar Lomé (Togo) moet sturen en vanuit daar naar Nederland”, en dat hij, [verdachte], dan de boot moet verkopen”. In een telefoongesprek d.d. 21 augustus 2008 met een persoon met een Braziliaans telefoonnummer zegt [verdachte] onder meer dat “zijn vriend” tegen hem heeft gezegd: “waarom we niet wat vis en wat kip”. [verdachte] vraagt de gebelde persoon vervolgens hem daarmee te helpen en zegt daarbij: “Ik denk zo een 20 of 25 euro aan kip”. In een op nog diezelfde dag volgend telefoongesprek met een man in Venezuela zegt [verdachte] vervolgens dat “de ouwe” bezig is er de pojo (het hof begrijpt: kip) op te doen en dat de ouwe hem daarvoor geld geleend heeft., alsook: “de ouwe gaat voor mij vullen... niet veel ... hij heeft mij 15 a 20.000 euro geleend om hem/het met Pojo (op) te vullen”.

In het dossier bevindt zich in dit verband een proces-verbaal van bevindingen, waaruit kan worden afgeleid dat de opbrengsten van een – ook in relatie tot de omvang van de totale laadruimte beperkte - lading kip van € 25.000,00 bij lange na niet de kosten van een overtocht met de Ville d’Abidjan van Fortaleza, Brazilië naar Togo zouden dekken, en derhalve “zeer onrendabel” zou zijn. Deze conclusie wordt ook ondersteund door de inhoud van een telefoongesprek d.d. 6 juni 2008 tussen [betrokkene 6] en [betrokkene 9], waarin eerstgenoemde zegt dat “2x op en neer naar Brazilië met bevroren kippen geen moer opleverde.”

Vervolgens is door [verdachte] de Nederlandse kapitein [kapitein 1] ingehuurd om de Ville d’Abidjan over te varen naar West-Afrika. [kapitein 1] haakt echter eind augustus 2008 af, omdat hij na aankomst bij de Ville d’Abidjan in Fortaleza het niet vertrouwde. Vervolgens wordt via [medeverdachte 4] op 4 september 2008 een nieuwe kapitein, [kapitein 2] (verder te noemen: [kapitein 2]), gevonden. [medeverdachte 4] belt vervolgens op 13 september 2008 met deze nieuwe kapitein en vertelt hem tijdens dit gesprek onder meer: dat op de formulieren moet worden vermeld als eindbestemming: Lomé, dat vervolgens de juiste frequentie (het hof begrijpt: radiofrequentie) en telefoonnummer moet worden doorgegeven, waarna op volle zee van richting moet worden veranderd naar Cotonou in Benin. Het hof merkt op dat Benin een buurland is van Togo. Daarna hebben [medeverdachte 4] en [verdachte], mede via een derde persoon ter plaatse genaamd [betrokkene 11], intensief contact om het vertrek van de Ville d’Abidjan te realiseren. De Ville d’Abidjan vertrekt vervolgens op 17 september 2008 uit Fortaleza.

Voorts vindt er op 20 september 2008 een telefoongesprek plaats tussen [medeverdachte 4] en ene Mono, die belt vanaf een nummer in Guinee. [medeverdachte 4] deelt dan mee dat [kapitein 2] / de dronkaard (het hof begrijpt: de kapitein van de Ville d’Abidjan) is vertrokken “naar daar waar Harvis (fon) is”. De politie concludeert dat uit andere taps blijkt dat met “Harvis” vermoedelijk Togo wordt bedoeld. Vervolgens vraagt [medeverdachte 4] aan Mono om aan Han te vragen hoeveel (brandstof) er nodig is om te komen daar waar Harvis is. Mono vraagt vervolgens: “met de Sierra?” [medeverdachte 4] antwoordt daarop bevestigend, waarna Mono een opgave van de kosten (€ 27.000,00) geeft.

Gebleken is dat [verdachte] via [bedrijf 1] feitelijk eigenaar is van een klein visserschip met de naam Sierra. De Sierra zou volgens de verklaringen van [verdachte] worden ingezet voor de visvangst voor de kust van West-Afrika. In het dossier bevinden zich echter geen documenten waaruit kan blijken dat het schip ook daadwerkelijk als vissersschip is ingezet.

Op 26 september 2008 vindt een telefoongesprek plaats tussen [medeverdachte 4] en een onbekende man, (die belt vanaf een nummer in Guinee) die kennelijk over een schip kan beschikken en vanaf dat schip contact kan maken met de Ville d’Abidjan. [medeverdachte 4] zegt namelijk tegen deze man: “Zeg aan de kapitein om de Ville te bellen en vragen hoever de Ville is en wanneer het aankomt (“so I can start making my preparation receiving it on the other side”).

Op 1 oktober 2008, terwijl de Ville d’Abidjan zich nog op zee bevindt, voert [verdachte] een telefoongesprek met een persoon met de (bij)naam El Primo. In dit telefoongesprek zegt [verdachte] onder meer “dat de kip van te voren is opengemaakt, dat het wordt gesneden en in stukjes gehakt, het op dat ding wordt gegooid, er een blokje opgelegd wordt, het weer omgedraaid wordt en het papier er bij gepakt wordt”.

[medeverdachte 4] reist vervolgens naar Cotonou, Benin en is daar in ieder geval op 2 oktober 2008. Hij houdt vervolgens telefonisch contact met [verdachte].

Blijkens bakengegevens bevindt de Ville d’Abidjan zich op 6 oktober 2008 voor de kust van West-Afrika. Na 1.12 uur vermindert de Ville d’Abidjan aanzienlijk vaart. Tussen 11.08 en 15.12 wordt slechts 6 zeemijl gevaren. Het schip ligt om 11.08u al op 3 zeemijl voor de kust van Benin/Cotonou, waarna het schip nog enige uren op ongeveer gelijke afstand van de haven blijft. Dit doet zeer sterk vermoeden dat het schip in die periode geruime tijd stil heeft gelegen en/of voor de kust langs (of heen en weer) is gevaren. Blijkens de peilbakengegevens ligt de Ville d’Abidjan uiteindelijk op 6 oktober 2008 om 17.00 uur aan de kade in de haven van Cotonou in Benin.

Het schip wordt daar in de nacht van 6 op 7 oktober 2008 tussen 23.00 en 03.00 uur doorzocht, waarbij geen lading aan boord wordt aangetroffen. Verdovende middelen worden evenmin aangetroffen.

6.4.3 Tussenbeoordeling van het hof

Uit voorgaande feiten en omstandigheden leidt het hof af dat in ieder geval [medeverdachte 4], [verdachte] en “Mustashi” in onderlinge samenwerking in de periode vanaf 4 februari 2008 tot en met 6 oktober 2008:

- een lading voor de Ville d’Abidjan hebben gereed gemaakt;

- de Ville d’Abidjan voor transport naar West-Afrika van die lading gereed hebben gemaakt;

- een lading kip hebben aangekocht als opvulling of afdekking van die andere lading;

- deze lading kip hebben geprepareerd zodat in/bij de kip “een blokje” kon worden verborgen;

- de kapitein van de Ville d’Abidjan hebben geïnstrueerd een andere dan de werkelijke eindbestemming op de documenten te vermelden, en vervolgens koers te laten zetten naar de werkelijke eindbestemming (Cotonou, Benin);

- een ander schip, waarschijnlijk de Sierra, hebben laten varen in de richting van de Ville d’Abidjan en instructies gegeven dat de kapitein daarvan contact moest maken met de kapitein van de Ville d’Abidjan;

- maatregelen hebben getroffen om de Ville d’Abidjan in de haven van Cotonou, Benin te ontvangen.

Dat de Ville d’Abidjan tijdens genoemde overtocht van Fortaleza naar Cotonou naast de lading kip ook een lading cocaïne vervoerde, leidt het hof allereerst af uit de hierna in de eindconclusie te noemen meer gezamenlijke kenmerken van de gedragingen van verdachten ten aanzien van reizen en de belading van de Ville d’Abidjan, hun eerdere betrokkenheid bij het transport van cocaïne en hetgeen ook meer in algemene zin bekend is omtrent de wijze waarop in de betrokken periode verdovende middelen vanuit Zuid-Amerika werden vervoerd naar West-Afrika, meestal met het oog op verder transport naar Europa. Meer in concreto wijst het hof voorts op de vermelding in voormeld telefoongesprek d.d. 4 februari 2008 dat het “voor 16 of 16,5” aan [medeverdachte 4] en [verdachte] moet worden gegeven. Naar het oordeel van het hof moet dit, gezien de verdere context worden beschouwd als een verwijzing naar de kiloprijs voor cocaïne, in casu 16 tot 16,5 duizend euro.

Het hof is voorts van oordeel dat de lading kip welke kennelijk in Fortaleza aan boord van de Ville d’Abidjan was gebracht in casu moet worden aangemerkt als zogenaamde deklading. Het is een feit van algemene bekendheid dat men zich bij het vervoer van in het bijzonder cocaïne, veelal bedient van de aanwezigheid van andere, legale, belading, teneinde de aanwezigheid van de cocaïne te verhullen. Dat hier sprake was van een dergelijke deklading leidt het hof af uit de volgende feiten en omstandigheden:

- het transport van de lading kip was op zichzelf zeer onrendabel;

- enig document of ander bewijs dat de bederfgevoelige lading kip daadwerkelijk na aankomst is verkocht, geleverd of opgeslagen ontbreekt;

- de kip was kennelijk geprepareerd om “blokjes” te bevatten.

Het gegeven dat bij controle na aankomst van de Ville d’Abidjan geen cocaïne is aangetroffen maakt voorgaande conclusie, dat de gedragingen van de verdachten kennelijk gericht waren op het faciliteren van het transport van cocaïne, naar het oordeel van het hof niet anders.

Het hof wijst er daarbij allereerst op dat ten tijde van de doorzoeking het schip reeds geheel leeg was. Aannemelijk is derhalve dat de (dek)lading kip al voor de doorzoeking was gelost. Daartoe bestond ook de gelegenheid, omdat er minimaal 6 uur was verstreken tussen de aankomst in de haven van de Ville d’Abidjan en de aanvang van de doorzoeking.

Daarnaast zijn er naar het oordeel van het hof sterke aanwijzingen dat de cocaïne reeds, overeenkomstig de hiervoor omschreven modus operandi, vóór aankomst in de haven van de Ville d’Abidjan op zee was overgeslagen op een kleiner schip. Het hof wijst daarbij op de hiervoor genoemde telefoongesprekken met betrekking tot het –eveneens aan [verdachte] toebehorende vissersschip Sierra en het door de kapitein van een tweede schip (mogelijk diezelfde Sierra) moeten bellen van de kapitein van de Ville d’Abidjan. Kennelijk waren de verdachten doende om op zee een tweede schip contact te laten maken met de Ville d’Abidjan. De peilbakens ondersteunen daarbij een scenario dat er ook daadwerkelijk contact is gemaakt, nu daaruit blijkt dat de Ville d’Abidjan nabij zijn eindbestemming enige uren zeer langzaam, en op en neer, is gaan varen. Verdachten hebben geen, althans geen aannemelijke, verklaring voor deze opmerkelijke vaarbewegingen gegeven, terwijl deze wel zouden passen in een scenario waarbij de Ville d’Abidjan zeer sterk vaart moet minderen om overslag naar een kleiner schip mogelijk te maken.

6.4.4 Periode 7 januari 2009 - 11 januari 2009

In de periode 7 januari 2009 tot en met 11 januari 2009 zijn diverse telefoongesprekken getapt tussen [verdachte] en Mustashi, [verdachte] en [medeverdachte 4], en [medeverdachte 6] en Mustashi. In deze met sterk versluierd taalgebruik gevoerde gesprekken wordt onder meer gesproken over:

- een schip op zee, hoogstwaarschijnlijk niet ver van de Afrikaanse kust;

- het toezenden en gebruiken van een “astrologische kaart” (Tabla de los astros);

- het lossen op zee van dat schip met behulp van een speedboot;

- een lading van 860 kg voor een prijs rond de 12.5 euro/dollar;

- de waarneming van het schip door een patrouillevliegtuig, waarna [verdachte] vraagt of de Sierra of de El Abidjan (het hof begrijpt: de Ville d’Abidjan) moet worden ingezet. Daarna zegt men dat het schip is teruggekeerd naar “huis/beneden” (het hof begrijpt: naar Zuid-Amerika);

- de controle en doorzoeking van dat schip, waarbij niets gevonden is omdat “alle televisies overboord waren gegooid”; c.q. “de meubels uit het raam moesten worden gegooid” om “te ontkomen aan de deurwaarder”.

6.4.5. Periode 12 februari 2009 – 9 mei 2009

Mustashi heeft op 12 februari 2009 per email een Tabla de los astros gestuurd aan ene Mono met de tekst: “dit is mijn kaart, geef die aan de dronkenlap”. Zoals reeds hiervoor vermeld wordt de kapitein van de Ville d’Abidjan door diverse betrokkenen aangeduid als “de dronkenlap’. Een Tabla de los astros is een (code)tabel waarmee lokaties op zee kunnen worden bepaald door middel van een combinatie van een letter en cijfer (bijv: W1, H2 etc) in plaats van met coördinaten.

Op diezelfde dag, 12 februari 2009, is aan mailadres [emailadres] eveneens een Tabla de los astros toegezonden. De mailbox [emailadres] was blijkens het politieonderzoek in ieder geval in gebruik bij [verdachte] en [medeverdachte 6]. Daarbij werd een werkwijze gebruikt dat concept-berichten in de mailbox werden geplaatst, waarna deze door andere tot die mailbox gemachtigde personen konden worden gelezen, zonder dat men het risico van onderschepping van het berichtenverkeer door de politie liep. In de woning van Mustashi en het kantoor van [verdachte], in een laptoptas van [verdachte] en in diverse andere mailboxen in gebruik bij Mustashi, [verdachte] en [medeverdachte 6] zijn eveneens exemplaren van Tabla de los astros aangetroffen.

Op 12 en 13 februari 2009 zijn er diverse telefoongesprekken gevoerd tussen [verdachte] en Mustashi, [verdachte] en [medeverdachte 4], [medeverdachte 4] en Mustashi, en Mustashi en [medeverdachte 6] waarin:

- versluierd taalgebruik wordt gehanteerd en in codetaal combinaties van letters en cijfers worden genoemd;

- wordt gesproken over een “tablero” (het hof begrijpt: een Tabla de los astros)

- er door [verdachte] tegen [medeverdachte 4] gezegd dat “we gewoon tot hier kunnen komen, we hoeven de man niet met het klein ding te sturen om het op te halen, ze nemen het in ontvangst hier.”

- gesproken wordt over bedragen en percentages, ook voor het “daar binnen te laten” en dat het “van hier naar daarginder 3849” is.

De koppeling van de codes in de telefoongesprekken en mailberichten d.d. 12 en 13 februari 2009 aan die vermeld op de op 12 februari 2009 in de mailbox [emailadres] geplaatste Tabla de los astros leert dat deze codes locaties weergeven in de Golf van Guinee (West-Afrika).

Op 26 februari 2009 vindt een telefoongesprek plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte 4]. [medeverdachte 4] belt dan vanaf een nummer in Nigeria. Het gesprek gaat over de aanschaf en verzending door [verdachte] van “Walkies” (het hof begrijpt: walkie talkies) en “twee Sat met kaarten” (het hof begrijpt: satelliettelefoons met bijbehorende beltegoed/abonneekaarten) voor onder meer een persoon die wordt aangeduid als “Kapi”, maar ook als “Burrache” en “de dronkenlap” (het hof begrijpt dat met deze persoon de reeds genoemde [kapitein 2], de kapitein van de Ville d’Abidjan wordt bedoeld). Deze zijn nodig omdat dan zowel [verdachte] als Mustashi rechtstreeks met de kapitein kunnen communiceren.

In de periode 4 tot en met 9 maart 2009 vinden er diverse telefoongesprekken plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 6] en Mustashi. [verdachte] bevindt zich in die periode op de boerderij van Mustashi in Colombia. Daarin wordt gesproken over een bezoek van [verdachte] aan Mustashi, maar wordt ook in zeer versluierde vorm gesproken over “interesse van personen in de vracht”; of “ze langs de Azores komen”, of ze “voor of achter de boerderijen komen”; dat “achterom beter is omdat ze voorom eerder problemen hebben ervaren”, alsook dat [verdachte] “de auto (het hof begrijpt: een schip) van henzelf zal laten vertrekken”. Het hof merkt daarbij op dat de Azoren een eilandengroep in de Atlantische Oceaan ter hoogte van Portugal en ten noordwesten van de kust van West-Afrika.

Van 15 tot en met 18 april 2009 zijn [verdachte] en [medeverdachte 6] in Maracaibo, Venezuela, alwaar zij ook Mustashi ontmoeten.

Op 28 april 2009 wordt vervolgens een mailbericht gestuurd naar een mailadres dat in gebruik is bij onder meer [verdachte] en Mustashi, inhoudende dat “de chip van irridium moet worden opgewaardeerd”, “want het is voor de auto die naar Machete gaat”. Uit meerdere tapgespreken en andere informatie uit het dossier leidt het hof af dat met “auto” wordt gedoeld op een schip en met “Machete” zeer waarschijnlijk op Guinee(-Bissau). Diezelfde dag gaan [medeverdachte 6] en [verdachte] naar een elektronicawinkel in Nederland in verband met de aanschaf van (beltegoed voor) een iridium-chip voor een satelliettelefoon. Volgens de verklaring van [medeverdachte 6] was deze bestemd “voor de kapitein van de boot in Afrika”. Omdat de winkel dan dicht is, wordt uiteindelijk door [medeverdachte 6] eerst op 2 mei 2009 voor € 500 beltegoed aangeschaft voor een iridium-simcard voor een satelliettelefoon. Vrijwel direct daarna heeft [medeverdachte 6] Mustashi gebeld en aan een van zijn medewerkers doorgegeven dat de chip was opgeladen.

Uit het dossier blijkt voorts dat op de Ville d’Abidjan een of meer satelliettefoons, welke in het bijzonder geschikt zijn voor de communicatie op zee, aanwezig waren. [medeverdachte 6] spreekt ook op 25 mei 2009 met [medeverdachte 4] over “2 simkaarten van een SAT”, terwijl diezelfde dag [verdachte] en [medeverdachte 4] spreken over “radio en twee kaarten van de sat” om met “Burrache” te communiceren, alsook om contact te kunnen onderhouden met [verdachte] en Mustashi.

In de periode 3 tot en met 5 mei 2009 laat [medeverdachte 6] via haar zus [zus medeverdachte 6] op naam van diezelfde zus twee blackberry-telefoons aanschaffen. [medeverdachte 6] verklaart dat deze abonnementen bedoeld zijn voor haar en [verdachte]. Op 6 mei 2009 belt [medeverdachte 6] vervolgens met Mustashi om een nieuw blackberry nummer door te geven. Over de motieven van dit handelen spreekt [verdachte] op 9 mei 2009 telefonisch met [medeverdachte 4]. [verdachte] zegt dan onder meer dat hij met Mustashi met de blackberry belt, dat hij ook Jones (het hof begrijpt: [betrokkene 10], de partner van [medeverdachte 4]) een blackberry laat kopen, “want met een blackberry kunnen wij zonder problemen chatten. Zonder dat zij erin kunnen”.

6.4.6 Periode 7 juli 2009 – 8 september 2009

In een telefoongesprek d.d. 7 juli 2009 deelt [verdachte] aan [medeverdachte 4] (die zich dan in Benin bevindt) mee dat hij lang met Mustashi heeft gesproken over “het werk”. [verdachte] zegt in dat verband: “Patron heeft Villes (het hof begrijpt: de Ville d’Abidjan) het werk gegeven, voor 200 mijl”.

[medeverdachte 4] belt vervolgens twee dagen later met [verdachte], tijdens welk gesprek [verdachte] zegt dat het a.s. zaterdag vertrekt, en “twaalf dagen erbij en het is bij Machete” (het hof begrijpt: Guinee). Het hof merkt hierbij op dat een scheepsreis van Zuid-Amerika naar West-Afrika zo’n 10 tot 12 dagen vergt.

In de weken daarna onderhoudt [verdachte] meerdere contacten met [betrokkene 5] (bijgenaamd Frus), onder meer over de kwalificaties van [betrokkene 5] om als kapitein op een zeeschip te varen. [betrokkene 5] geeft daarbij aan dat hij geen groot vaarbewijs bezit, maar dat hij dat op open zee ook niet nodig heeft.

Met betrekking tot de Ville d’Abidjan is in dit geval van belang dat [verdachte] in een telefoongesprek op 16 augustus 2009 tegen [medeverdachte 4] (die dan gebruik maakt van een telefoonaansluiting in Benin) zegt dat Mustashi heeft gevraagd “hoe het zit met het in ontvangst nemen en veel veiligheid”, dat “ze iets gaan voorbereiden om daar naar jou te sturen”, alsook zegt: “we moeten Villes (het hof begrijpt: de Ville d’Abidjan) op de helft laten komen”. De volgende dag vindt er een driegesprek plaats tussen [verdachte], [medeverdachte 4] en [betrokkene 5] waarin [medeverdachte 4] onder meer tegen [betrokkene 5] zegt: “ik ga jou naast de kapi zetten, en woensdag als alles OK is gaan ze bewegen, waar ze naar toe gaan is 2 dagen bewegen”.

Op 20 augustus 2009 wordt er wederom telefonisch gesproken tussen [verdachte] en de zich dan in Benin bevindende [medeverdachte 4]. [verdachte] zegt dan onder meer dat Mustashi hard aan het werk is, dat hij ([verdachte]) op een plek is geweest waar Villes kan aankomen, dat “dat iemand is die auto’s verkoopt en een showroom heeft”, dat [verdachte] een deal heeft gemaakt om de Villes te verkopen en dat de koper “dan vier personen stuurt om de auto te komen halen en dan naar zijn showroom brengt”.

[verdachte] zegt vervolgens: “Dan prepareer ik Villes vanzelf” en vervolgt: “als Mustashi aankomt maak ik een deal met hem, we geven de helft daar aan Mario en de andere helft gooien we met Villes, laten haar dan naar de showroom komen”

Voorts blijkt dat [verdachte], [betrokkene 5] en [medeverdachte 6] dezelfde dag, 20 augustus 2009 een afspraak hebben met [betrokkene 7] in Dinteloord. [betrokkene 7] heeft een onderneming die onder meer bemanningen levert voor de grote vaart. In de dagen erna voeren hij en [betrokkene 5] herhaaldelijk telefoongesprekken, waarin versluierd taalgebruik wordt gehanteerd. [betrokkene 5] is in Frankrijk eerder veroordeeld voor de invoer van verdovende middelen en is ook samen met na te noemen [betrokkene 7] op 26 november 2009 aan boord van een schip in de haven van Gent (België) aangehouden in verband met de aanwezigheid op dat schip (komende vanuit Zuid-Amerika) van 100 kg cocaïne.

Uit verklaringen van onder meer voormelde scheepsmakelaar [betrokkene 9] blijkt dat [verdachte] en/of [betrokkene 6] aan [betrokkene 9] kenbaar hadden gemaakt dat zij de Ville d’Abidjan wilden verkopen. In dat kader zou de Ville d’Abidjan met een grotendeels vanuit Nederland ingehuurde bemanning moeten worden overgevaren van West-Afrika naar Nederland, zodat het schip aldaar door eventuele geïnteresseerden bekeken zou kunnen worden.

Op 21 augustus 2009 deelt [verdachte] telefonisch aan [medeverdachte 4] mee dat “Mustashi heeft gebeld om te vragen of Toeboe (waarmee kennelijk [medeverdachte 7], de broer van [verdachte] wordt bedoeld) bij Guja kan komen om daar te gaan trekken” In een telefoongesprek d.d. 22 augustus 2009 deelt [verdachte] vervolgens het volgende mee aan [medeverdachte 4]: Mustashi heeft een overeenkomst met Patron afgesloten dat zij richting jou vertrekken, maar het moet dan uit Gujaa vertrekken”. In de dagen daarna boekt [medeverdachte 6] voor [betrokkene 5] een vlucht naar Conakry, Guinee en zegt [verdachte] dat hij een visum voor zijn broer [medeverdachte 7] gaat regelen. [betrokkene 5] vertrekt vervolgens daadwerkelijk naar Conakry en is daar in ieder geval op 29 augustus 2009.

Op 28 augustus 2009 koopt [verdachte] vervolgens 3 blackberries. Blijkens een tapgesprek d.d. 27 augustus 2009 zijn twee van deze blackberries bestemd voor [betrokkene 5] en [medeverdachte 7]. Na deze aanschaf belt [verdachte] [medeverdachte 6] en zegt tegen haar: “ik heb 3 telefoons genomen, ik heb nog een voor mij genomen; ik stop Mustashi in die van mij en hun, en dan pingen wij alleen daarop.

Diezelfde dag, 28 augustus 2009, belt [verdachte] met [medeverdachte 4] (die dan gebruikt maakt van een aansluiting in Benin) en zegt onder meer dat dat de Kapi daar niet naar binnen wil, omdat ze hem kennen en hij heeft gevraagd of “wij het naar buiten kunnen zetten”. Daarop bespreken [verdachte] en [medeverdachte 4] verder dat [medeverdachte 4] het moet doorgeven aan Borracho (het hof begrijpt: [kapitein 2], de kapitein van de Ville d’Abidjan) en dat [medeverdachte 4] de man die [verdachte] stuurt met de Viel (het hof begrijpt: de Ville d’Abidjan) moet laten vertrekken.

Uit een tapgesprek d.d. 31 augustus 2009 waaraan [verdachte] deelneemt blijkt dat [medeverdachte 7] nu “daar is” en dat hij via Suriname moest omdat er geen directe vlucht is. Op diezelfde 31 augustus 2009 vindt vervolgens een telefoongesprek plaats tussen [verdachte] en ene “Jairo” (die zich dan kennelijk in Senegal bevindt). [verdachte] deelt daarin onder meer mee dat hij “zijn broer heeft gestuurd naar het dorp opdat zij iets regelen” en dat hij “een kapi naar beneden heeft gestuurd”; dat hij “drie ton aan het organiseren is”, dat “het kan zijn dat hij over 20-24 dagen daar in Benito zal zijn” en: “over 20 dagen zullen we ongeveer 3 ton daar in Benito hebben” en: “In Benito, (...) het is de buurman van de Nigeriaan. Benito, Coto”. Het hof merkt in dit verband op dat Benin, met de residentie Cotonou, een buurland is van Nigeria.

Op 2 september 2009 spreekt [verdachte] vervolgens met zijn broer [medeverdachte 7], welke laatste dan bevestigt dat hij Mustashi heeft gesproken. Op 8 september 2009 zijn na een gerichte internationale politieactie op diverse plaatsen invallen gedaan en verdachten aangehouden.

6.4.7 Tussenconclusie

Het hof leidt uit voormelde feiten en omstandigheden af dat verdachte, [medeverdachte 4] en Mustashi in de periode 16 augustus 2009 – 8 september 2009 gezamenlijk betrokken zijn geweest bij de voorbereiding van een transport van een hoeveelheid cocaïne met het zeeschip Ville d’Abidjan van Georgetown, Brits-Guyana (Zuid-Amerika) naar Cotonou, Benin (West Afrika), en daarop aansluitend een transport van een hoeveelheid cocaïne van West-Afrika naar ’s-Gravendeel, Nederland.

[medeverdachte 7] is in het kader van het vertrek van het schip naar Brits-Guyana gereisd. [betrokkene 5] is kennelijk ingehuurd en naar West-Afrika gevlogen om het schip het laatste deel van de reis naar Benin te begeleiden en om bij eventuele problemen de kapitein te vervangen. Daarbij is kennelijk beoogd om na binnenkomst van de Ville d’Abidjan in Benin de helft van de lading uit te laden en over te dragen. Daarna zou het schip worden geprepareerd om de andere helft van de lading te verhullen en zou het schip, naar buiten toe om reden van verkoop van het schip, met deze lading naar ’s-Gravendeel worden overgevaren.

6.4.8 Eindconclusie

Het hof leidt uit het voorgaande af dat verdachte, [medeverdachte 4] en Mustashi in ieder geval vanaf 4 februari 2008 gezamenlijk betrokken zijn geweest bij de voorbereiding van het transport per zeeschip (in het bijzonder met het schip de Ville d’Abidjan), van hoeveelheden cocaïne van Zuid-Amerika naar West-Afrika, en eenmaal van West-Afrika naar Nederland.

Dat beoogd werd met genoemde schepen, en in het bijzonder de Ville d’Abidjan tijdens genoemde overtocht van Zuid-Amerika naar Benin en vervolgens Nederland cocaïne te (gaan) vervoeren, leidt het hof onder meer af uit de volgende -in onderling verband en samenhang beziene- feiten en omstandigheden:

- de lading waarover sprake is telkenmale afkomstig van Mustashi, een persoon woonachtig in Colombia en die meermalen in contact is gebracht, en ook reeds toen was veroordeeld, in verband met zijn betrokkenheid bij grootschalige georganiseerde internationale cocaïnetransporten. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat zeker in 2008/2009 Colombia een zeer grote producent en exporteur van cocaïne was;

- [ verdachte] en de eveneens bij een of meer andere zeereizen betrokken [betrokkene 5] en [betrokkene 7] hebben antecedenten op het gebied van invoer van cocaïne;

- er wordt gesproken over het organiseren en aankomen van kilo’s en tonnen, waarbij tevens getallen worden genoemd welke gerelateerd kunnen worden aan de kiloprijs van cocaïne;

- er wordt in de communicatie voortdurend gebruik gemaakt van versluierd taalgebruik, in het bijzonder voor wat betreft personen en geografische lokaties, waarbij voor de positiebepaling van het betrokken schip ook gebruik wordt gemaakt van specifieke, alleen bij de betrokkenen bekende, codetabellen;

- er wordt gebruik gemaakt van communicatieapparatuur welke specifieke is aangeschaft vanwege de eigenschap dat gesprekken daarmee niet kunnen worden afgeluisterd; bij de aanschaf worden ook anderen tussengeschakeld om de namen van de werkelijke gebruikers te verhullen;

- er wordt meermalen kennelijk gesproken over het op zee overslaan van de lading op kleinere andere schepen, dan wel over het feit dat dat in het specifieke geval niet nodig was;

- in ieder één geval is evident sprake van een zogenaamde deklading, terwijl ten aanzien van andere beoogde vaarten van de Ville d’Abidjan niet aannemelijk is geworden dat (tevens) sprake was van legale commerciële (be)lading.

Ook kent het hof in dit kader betekenis toe aan het feit dat [verdachte], [medeverdachte 4], Mustashi en [medeverdachte 6] blijk geven van veel interesse in en/of bezorgdheid over de berichtgeving d.d. 21 augustus 2008 omtrent de onderschepping van een lading van 4200 kg cocaïne (aan boord van een Panamees vrachtschip) op 18 augustus 2008 door het fregat H.M.S. Van Speijk. Men verkeert dan kennelijk enige tijd in de veronderstelling dat deze onderschepping betrekking heeft op een van hun eigen schepen. Een telefoongesprek d.d. 22 augustus 2008 tussen Mustashi en [verdachte], waarin [verdachte] onder meer zegt: “die van gisteren was een andere”, waarop Mustashi zegt: “ja, die van mij is 33, en deze is 42”, acht het hof in dit opzicht veelzeggend.

Het hof heeft voorgaande feiten en omstandigheden voorts mede bezien in het licht van de reeds hiervoor omschreven modus operandi ten aanzien van drugstransporten vanuit Zuid-Amerika naar West-Afrika (en daarna naar Europa). De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, en daaraan gekoppelde gedragingen van Mustashi, [verdachte] en [medeverdachte 4] passen naar het oordeel van het hof naadloos in deze modus operandi.

Op grond van voormelde overwegingen is het hof dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte], verdachte, tezamen en in vereniging met anderen de in de bewezenverklaring omschreven voorbereidingshandelingen met betrekking tot verdovende middelen, in het bijzonder cocaïne, heeft gepleegd.

6.5 De onder 7 en 8 (Zaakdossier Criminele Boekhouding) ten laste gelegde feiten

Het hof overweegt naar aanleiding van de gebezigde bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting als volgt.

Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte op 8 september 2009 zijn verschillende gegevensdragers waaronder een usb-stick in beslag genomen.

Op die usb-stick zijn Excel bestanden aangetroffen met financiële gegevens en namen waarover de verdachte – kort en zakelijk weergegeven – heeft verklaard:

- dat de documenten privé waren; en

- dat op genoemde usb-stick stond genoteerd hoeveel geld hij had verdiend, hoeveel geld hij had liggen en welke schulden hij moest betalen. Alle uitgaven en inkomsten werden bijgehouden, waarbij “trese” betekent wat er in komt en “hiba” betekent wat er uit gaat, gezien vanuit de positie van de verdachte.

Alle de verdachte in de feiten 7 en 8 ten laste gelegde geldbedragen zijn terug te vinden in documenten aangetroffen op de in beslag genomen usb-stick.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van het hof dat de verdachte geldbedragen verworven heeft, die niet terug te voeren zijn op legale inkomsten van de verdachte zoals die uit zijn dossier naar voren komen.

Daarmee is in beginsel gerechtvaardigd een vermoeden van witwassen.

Van de verdachte mag onder de gegeven omstandigheden worden verwacht dat hij een voldoende aannemelijke verklaring geeft over de herkomst van deze geldbedragen.

Door of namens de verdachte in hoger beroep te dien aanzien geen verklaring is gegeven en een dergelijke verklaring naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep evenmin aannemelijk is geworden.

Door de politie is onderzoek gedaan naar de legale inkomsten van de verdachte en uit de in dat verband opgemaakte processen-verbaal blijkt dat de verdachte sinds 2005 fiscaal bekend is, dat hij in 2007 en 2008 op de loonlijst heeft gestaan van [bedrijf 1] en dat er over de jaren 2003 tot en met 2006 geen gegevens over de verdachte bekend zijn.

Door de verdachte is in eerste aanleg verklaard dat hij inkomsten heeft gehad uit het bedrijf [bedrijf 1] en de sportschool [bedrijf 2], uit zakelijke activiteiten in Afrika waaronder de handel in machines, de handel in vis en garnalen, de handel in en de exploitatie van schepen, de goudhandel en de handel in aardappelen en uien. Uit eerder genoemd nader onderzoek van de politie naar de inkomsten van de verdachte uit die activiteiten blijkt dat die niet in verhouding staan tot de bedragen waarover hij op grond van de documenten, die op de bij hem in beslag genomen usb-stick staan vermeld, de beschikking moet hebben gehad. Die inkomsten kunnen dan ook niet als verklaring gelden voor de herkomst van de in de documenten genoemde en bewezen verklaarde bedragen.

Het hof komt op grond van de hiervoor besproken omstandigheden en de gebezigde bewijsmiddelen tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat de bewezen verklaarde geldbedragen onmiddellijk of middellijk van enig misdrijf afkomstig zijn, nu, gelet op de algemene ervaringsregels, een criminele herkomst van deze geldbedragen als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Het aantal door het hof bewezen verklaarde feiten, de duur van de periode waarin deze gepleegd zijn, alsmede de stelselmatigheid waarmee deze feiten gepleegd zijn, brengt mee dat ook ten aanzien van deze witwasfeiten sprake is geweest van een gewoonte.

7. Vrijspraken

Naar het oordeel van het hof is gelet op hetgeen hiervoor onder 6.3 is overwogen niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder feit 6 primair en subsidiair ten laste gelegde overweegt het hof als volgt. De verdachte is hiervan in eerste aanleg vrijgesproken en het openbaar ministerie heeft zich in hoger beroep niet tegen deze vrijspraken verzet. Ook het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen aan de verdachte onder 6 primair en subsidiair ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

8. Bewezenverklaring

Het hof acht gelet op het onder 6 overwogene wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte onder 1 primair, 3, 4, 5, 7 primair en 8 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 (Zaaksdossier [adres 1]):

hij op tijdstippen in de periode van 14 februari 2009 tot en met 23 april 2009 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen en daar geldbedragen

verworven en voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij, verdachte en zijn mededaders ten tijde van het verwerven en het voorhanden krijgen en overdragen van bovengenoemde geldbedragen, wisten dat bovengenoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren van enig misdrijf,

immers hebben verdachte en zijn mededaders daarvan een gewoonte gemaakt door toen en daar telkens geldbedragen, met [medeverdachte 3] te vervoeren vanuit Amsterdam naar Rotterdam) en met [medeverdachte 6] over te dragen aan [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 5];

3
3 (zaakdossier Lola2):


hij op tijdstippen in de periode van 4 februari 2008 tot en met 3 september 2009 in Nederland en Colombia en Venezuela en Guinee-Bissau en Benin en Nigeria en Republiek Guinee en Guyana, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en te bevorderen,

- anderen heeft getracht te bewegen om dat feit mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en

- zich en anderen gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft trachten te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders wist(en) of ernstige reden hadden te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededaders tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk:

- ( telefoon)gesprekken gevoerd (met onder meer een persoon genaamd Mustashi en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6]) met betrekking tot het vervoeren per schip en/of invoeren van (handels)hoeveelheden cocaïne en

- met personen (met onder meer ‘Mustashi’) contact opgenomen en ontmoetingen gehad en via e-mail contact onderhouden vervoeren en/of invoeren van (handels)hoeveelheden cocaïne en

- een of meer codetabellen (tabla de los astros) voorhanden gehad ten behoeve van het vervoeren en/of invoeren van (handels)hoeveelheden cocaïne en gebruik gemaakt van die tabellen en

- gereisd (in maart en april 2009) naar Colombia en Venezuela (teneinde daar een persoon genaamd Mustashi te ontmoeten) en

- ( vervolgens) in Colombia en/of Venezuela een of meer (telefoon) gesprekken gevoerd en ontmoetingen gehad (met onder meer voornoemde Mustashi) met betrekking tot het vervoeren en/of invoeren van (handels)hoeveelheden cocaïne en

- een schip(de Ville d'Abidjan) voorhanden gehad (waarin (handels)hoeveelheden verdovende middelen (cocaïne) geplaatst konden worden) en

- ( vervolgens) voornoemd schip in gereedheid gebracht, althans voorbereidingen daartoe ondernomen met betrekking tot het vervoeren en/of invoeren van (handels)hoeveelheden cocaïne en

- het schip de Ville d’Abidjan doen overbrengen van Zuid-Amerika (Fortaleza, Brazilië) naar West-Afrika (Cotonou, Benin) en

- een persoon, genaamd [medeverdachte 7], omstreeks eind augustus 2009 doen afreizen naar Zuid-Amerika (Georgetown te Guyana) en

- een persoon, genaamd ‘Frus’ [betrokkene 5] omstreeks eind augustus 2009 doen afreizen naar West-Afrika (Conakry te Guinee) en

- een of meer blackberries aangeschaft ten behoeve van de communicatie met medeverdachten en

- beltegoed voor (een) sateliettelefoon(s) aangeschaft;

4:


hij op 08 september 2009 te Rotterdam, een wapen en onderdeel van een wapen van categorie II, te weten:

- een automatisch vuurwapen (van het merk Zastava-Kragujevac) en

- een magazijn van een automatisch vuurwapen (van het merk Zastava)

en

munitie van categorie III, te weten 44 patronen kaliber .38 Special en munitie van categorie II, te weten 201 patronen kaliber 7.62x39, voorhanden heeft gehad;

5:


hij op 08 september 2009 te Den Haag, wapens van categorie III, te weten:

- een pistool (merk Glock) en

- een revolver (merk Smith & Wesson)

en munitie van categorie III, te weten 31 patronen kaliber 9X19 mm en/of 6 patronen kaliber .38 Special, voorhanden heeft gehad;

7
7 (Partij 1633 kilo):

hij op tijdstippen in de periode van 1 november 2006 tot en met 28 februari 2007 in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij verdachte toen en daar telkens enige geldbedragen

verworven en voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij, verdachte ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen en overdragen van bovengenoemde geldbedragen, wist dat bovengenoemde geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren van enig misdrijf

immers heeft verdachte daarvan een gewoonte gemaakt door toen en daar telkens geldbedragen te hebben overgedragen en ontvangen aan en/of van een persoon genaamd "[betrokkene 1]" (bedragen tot 6.826.900,= euro, te weten op 24 november 2006 en op 20 december 2006 en in januari 2007 (driemaal) en op 17 februari 2007 en op 22 februari 2007) en een persoon genaamd "[betrokkene 2]" (bedragen tot 5.200.000,= euro, te weten op 1 december 2006 en op 2 december 2006 en op 7 december 2006 en op 1 februari 2007 en op 17 februari 2007) en een persoon genaamd "Sobrino [betrokkene 1]" ("neef van [betrokkene 1]") (bedragen tot 612.500,= euro, te weten op 28 december 2006);

8 primair (zaaksdossier Criminele Boekhouding):

hij tijdstippen in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 30 september 2007 in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij verdachte toen en daar telkens meermalen een grote hoeveelheid geld,

verworven en voorhanden gehad en overgedragen terwijl hij, verdachte van het verwerven en het voorhanden krijgen en overdragen van bovengenoemde geldbedragen, wist dat bovengenoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren van enig misdrijf

immers heeft verdachte daarvan een gewoonte gemaakt door toen en daar telkens een groot geldbedrag te ontvangen, te weten een bedrag van:

- 537.500,= euro van een persoon genaamd "Amadu" en

- 647.000,= euro van een persoon genaamd "Antho" en

- 1.000.000,= euro van een persoon genaamd "Burda" en
- 4.675.250,= euro van een persoon genaamd "Carlos" en
- 277.500,= euro van een persoon genaamd "Igortje" en

- 4.400.000,= euro van een persoon genaamd "Mario" en
- 2.000.000,= euro van een persoon genaamd "Max" en

- 15.940.000,= euro van een persoon genaamd "Pancho" en

- 5.777.500,= euro van een persoon genaamd "Preta" en

- 461.000,= euro van een persoon genaamd "Suri" en

- 250.000,= euro van een persoon genaamd "Wout" en

- 6.267.700,= euro van (een) niet bij name genoemde perso(o)n(en)

en

toen en daar (telkens) een groot geldbedrag over te dragen, te weten een bedrag van:

- 300.000,= euro aan een persoon genaamd "Amadu" en

- 500.000,= euro aan een persoon genaamd "Antho" en

- 2.000.000,= euro aan een persoon genaamd "Daniël" en

- 500.000,= euro aan een persoon genaamd "Martin" en

- 1.600.000,= euro aan een persoon genaamd "Mike" en

- 6.136.500,= euro aan (een) niet bij name genoemde perso(o)n(en).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

9. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

10. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen.

en

medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, om daartoe gelegenheid, middelen, inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

en

medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie II en III.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III.

Het onder 7 primair en 8 primair bewezen verklaarde levert op:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

11. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

12. Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zaken van het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5, 7 primair en 8 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar en 2 maanden.

13. Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is samen met anderen betrokken geweest bij het witwassen van crimineel vermogen, waarbij de verdachte een zeer actieve rol had. Zeer aanzienlijke geldbedragen van soms wel honderdduizenden euro’s werden contant door verdachte en een medeverdachte opgehaald, waarna de bedragen door de medeverdachten in een door hem gehuurde woning werden geteld, geadministreerd, tijdelijk bewaard en vervolgens grotendeels weer werden overgedragen. Het witwassen van crimineel geld vormt een aantasting van de integriteit van het financiële en economische verkeer, omdat aldus de opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie en de legale economie worden onttrokken. Door witwassen wordt het plegen van strafbare feiten gefaciliteerd.

Het hof komt tot de conclusie dat de verdachte jarenlang in samenwerking met medeverdachten de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd en een leidende rol met betrekking tot de internationale handel in harddrugs en het bijbehorende witwasmilieu heeft gespeeld.

Voorts heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen die gericht waren op het vervoeren – per schip – van (handels)hoeveelheden cocaïne. De verdachte had veel veelvuldig telefonisch en e-mailcontact met medeverdachten die onder meer in Zuid-Amerika en West-Afrika verbleven. Hij is naar Zuid-Amerika gereisd om een medeverdachte te ontmoeten. De verdachte had daarin een leidende rol. Door aldus te handelen heeft de verdachte meegewerkt in de keten van de verspreiding van verdovende middelen.

De verdachte heeft bovendien drie vuurwapens, waaronder een automatisch vuurwapen, een magazijn en (bijbehorende) munitie voorhanden gehad. Aan het gevaarzettende karakter hiervan tilt het hof zwaar.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Het hof heeft voorts in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 augustus 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Overschrijding redelijke termijn

Het hof constateert dat in de onderhavige zaak in de fase van het hoger beroep een forse overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden, zowel bij de inzending van het dossier vanaf de rechtbank, nu het dossier niet binnen 8 maanden na het instellen van hoger beroep bij het hof binnen is gekomen, als bij de behandeling van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, nu het geding niet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld met een eindarrest is afgerond. Het hof stelt aldus vast dat de redelijke termijn met ruim 3 jaar is overschreden en stelt eveneens vast dat deze overschrijding niet, althans niet in aanmerkelijke mate, aan de verdachte of de verdediging is te wijten. Naar aanleiding van deze overschrijding zal het hof, waar het in beginsel voor feiten als de onderhavige onder de gegeven omstandigheden een gevangenisstraf van 8 jaren passend en geboden acht, strafvermindering met 10% toepassen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

14. De inbeslaggenomen voorwerpen

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat de in beslag genomen voorwerpen, te weten een geldbedrag ad € 4.578.360,-, een schip, de Ville d’Abidjan genaamd en een tanktrailer met kenteken [x] verbeurd zullen worden verklaard en dat voorts de in beslag genomen voorwerpen, te weten een automatisch vuurwapen Zastava Kragujevac, een magazijn Zastava en munitie zullen worden onttrokken aan het verkeer.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een tanktrailer met kenteken [x], een automatisch vuurwapen Zastava Kragujevac, een magazijn Zastava en de munitie dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet. De onder 4 en 5 bewezenverklaarde feiten zijn begaan met betrekking tot voornoemd vuurwapen, magazijn en munitie.
Voornoemde tanktrailer is bij gelegenheid van het onderzoek naar het feit waarvan de verdachte werd verdacht aangetroffen en deze kan, gezien de wijze waarop deze tanktrailer is geprepareerd voor het heimelijk vervoeren van kennelijk verdovende middelen, dienen tot het begaan en de voorbereiding van soortgelijke feiten.


Het hof constateert in verband met de gevorderde verbeurdverklaring van het schip de Ville D’Abidjan allereerst dat voormeld schip niet in beslag is genomen. Voorts blijkt uit het dossier dat het schip niet verdachte persoonlijk toebehoorde, maar een buitenlandse vennootschap, terwijl onduidelijk is of de verdachte en/of deze vennootschap, dan wel een ander thans rechthebbende zijn op dit schip. Voormelde omstandigheden maken dat het hof niet de impact van een eventuele beslissing tot verbeurdverklaring kan inschatten en evenmin kan bepalen in hoeverre een bevel dan wel vergoeding als bedoeld in artikel 33c Sr aan de orde is. Het hof merkt in dat kader op dat er ook geen min of meer betrouwbare aanknopingspunten voorliggen om de huidige waarde van het schip op een enigszins verantwoorde wijze te bepalen. Gezien al deze onbekendheden en onzekerheden is het hof van oordeel dat de vordering tot verbeurdverklaring van voormeld schip dient te worden afgewezen.

Met betrekking tot het geldbedrag overweegt het hof als volgt. Reeds omdat in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 2] de verbeurdverklaring is uitgesproken van het geldbedrag, ziet het hof geen termen aanwezig om ook in deze zaak tot verbeurdverklaring van het gevraagde bedrag over te gaan.

15. Vordering gevangenneming

De advocaten-generaal hebben de gevangenneming van de verdachte gevorderd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof acht onvoldoende termen aanwezig om de vordering gevangenneming toe te wijzen. Het hof heeft daarbij mede betrokken het tijdsverloop sedert aanvang van de zaak, en het feit dat verdachte thans in het buitenland, en naar mag worden vermoed: langdurig, voor nieuwe feiten is gedetineerd.

Aldus doet zich naar het oordeel van het hof geen dringende maatschappelijke noodzaak voor de gevraagde gevangenneming voor en zal het hof de vordering van de advocaten-generaal afwijzen.

16. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 10a van de Opiumwet, de artikelen 36b, 36c, 36d, 47, 57, 63 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging voor zover het betreft het onder 8 ten laste gelegde met betrekking tot de financiële transacties met de personen genaamd [betrokkene 1] en [betrokkene 2].

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 en onder 6 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 3, 4 en 5, 7 primair en 8 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 3, 4 en 5, 7 primair en 8 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren en 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

een automatisch vuurwapen Zastava Kragujevac, een magazijn Zastava en munitie.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een tanktrailer met kenteken OH-50-07.

Wijst af de vordering tot gevangenneming van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries,
mr. A. Kuijer en mr. T.B. Trotman, in bijzijn van de griffier mr. E. van Doren.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 oktober 2016.

Bijlage 1 bij het arrest van 7 oktober 2016

TEKST TENLASTELEGGING NA WIJZIGING IN EERSTE AANLEG

1. primair (Zaaksdossier [adres 1]):

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 februari 2009 tot en met 23 april 2009 te Amsterdam en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen en daar (telkens) (krachtens die gewoonte), meermalen (van) een grote hoeveelheid geld, althans meerdere bankbiljetten (totale waarde ongeveer 4.578.360 euro), althans enig(e) geldbedrag(en)

de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van bovengenoemd(e) geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) 4.578.360 euro, althans van enig(e) geldbedrag(en) en/of bovengenoemde geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte en/of haar mededader(s) wist(en) dat het/de bovengenoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf;

en/of

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), van in totaal (ongeveer) 4.578.360 euro, althans van enig(e) geldbedrag(en), wist(en) dat bovengenoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) daarvan een gewoonte gemaakt door toen en daar (telkens) (grote) geldbedragen (van telkens enkele honderdduizenden euro's), althans enig(e) geldbedrag(en), met (onder meer) [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 3] te vervoeren (vanuit Amsterdam naar Rotterdam) en/of over te dragen aan (onder meer) [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 5];

1. subsidiair:


hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 februari 2009 tot en met 23 april 2009 te Amsterdam en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) (een) voorwerp(en), te weten een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) 4.578.360 euro, althans enig(e) geldbedrag(en),

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing hebben/heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van genoemd(en) geldbedrag(en) en/of genoemde geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig van enig misdrijf

en/of

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), van in totaal 4.578.360 euro, althans van enig(e) geldbedrag(en), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovengenoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf;

2 primair (zaakdossier Dakar):


hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 januari 2009 tot en met 3 september 2009 te Rotterdam en/of Amsterdam, althans in Nederland en/of Dakar, althans in Senegal en/of Benin en/of Nigeria, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een onbekende hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne), in elk geval een hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft trachten te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk:

- een tanktrailer aangeschaft en/of voorhanden/ter beschikking gehad (waarin (handels)hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen geplaatst kon(den) worden) en/of

- het vervoer/transport van voornoemde tanktrailer van Rotterdam (Nederland) naar Dakar (Senegal) geregeld en/of - met een of meer perso(o)nen contact opgenomen en/of ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het vervoer van voornoemde tanktrailer naar Senegal en/of

- een of meer (telefoon)gesprekken gevoerd met betrekking tot het verstrekken en/of vervoeren en/of afleveren en/of verkopen en/of invoeren en/of uitvoeren van (handels)hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen met behulp van voornoemde tanktrailer;

3
primair (zaakdossier Lola2):


hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 3 september 2009 te Rotterdam, althans in Nederland en/of Colombia en/of Venezuela en/of Guinee-Bissau en/of Benin en/of Nigeria en/of Republiek Guinea en/of Liberia en/of Togo en/of Guyana, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een onbekende hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne), in elk geval een hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft trachten te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk:

- een of meer (telefoon)gesprekken gevoerd (met onder meer een persoon genaamd Mustashi en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 6]) met betrekking tot het verstrekken en/of vervoeren (per schip vanuit Zuid-Amerika in de richting van West-Afrika) en/of afleveren en/of verkopen en/of invoeren en/of uitvoeren van (handels)hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen (cocaïne) en/of

- een of meer sms-berichten verstuurd/verzonden met betrekking tot het verstrekken en/of vervoeren en/of afleveren en/of verkopen en/of invoeren en/of uitvoeren van (handels)hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen (cocaïne) en/of

- met een of meer perso(o)nen (met onder meer ‘Mustashi’) contact opgenomen en/of ontmoeting(en) gehad en/of via e-mail contact(en) onderhoud(en) en/of gelegd met betrekking tot het verstrekken en/of vervoeren (per schip vanuit Zuid-Amerika in de richting van West-Afrika) en/of afleveren en/of verkopen en/of invoeren en/of uitvoeren van (handels)hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen (cocaïne) en/of

- een of meer codetabellen (tabla de los astros) voorhanden gehad ten behoeve van het vervoeren en/of afleveren en/of verkopen en/of invoeren en/of uitvoeren van (handels)hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen (cocaïne) en/of gebruikt gemaakt van die tabel(len) en/of

- gereisd (in maart en april 2009) naar Colombia en/of Venezuela (teneinde daar een persoon genaamd Mustashi te ontmoeten) en/of

- ( vervolgens) in Colombia en/of Venezuela een of meer (telefoon) gesprekken gevoerd en/of met een of meer perso(o)n(en) contact opgenomen en/of ontmoeting(en) gehad (met onder meer voornoemde Mustashi) met betrekking tot het verstrekken en/of vervoeren en/of afleveren en/of verkopen en/of invoeren en/of uitvoeren van (handels)hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen (cocaïne) en/of

- een of meer schip/schepen (onder meer de Ville d'Abidjan en/of Sensebar) voorhanden/ter beschikking gehad (waarin (handels)hoevelhe(i)d(en) verdovende middelen (cocaïne) geplaatst kon(den) worden) en/of

- ( vervolgens) voornoemd(e) schip/schepen in gereedheid gebracht, althans voorbereidingen daartoe ondernomen met betrekking tot het verstrekken en/of vervoeren en/of afleveren en/of verkopen en/of invoeren en/of uitvoeren van (handels)hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen (cocaïne) en/of

het schip de Ville d’Abidjan overgebracht cq doen overbrengen van Zuid-Amerika (Fortaleza, Brazilië) naar West-Afrika (Cotonou, Benin) en/of

- een persoon, genaamd [medeverdachte 7], omstreeks eind augustus 2009 doen afreizen naar Zuid-Amerika (Georgetown te Guyana) en/of

- een persoon, genaamd ‘Frus’ [betrokkene 5] omstreeks eind augustus 2009 doen afreizen naar West-Afrika (Conakry te Guinee) en/of

- een of meer blackberries aangeschaft ten behoeve van de communicatie met medeverdachten en/of opgestuurd naar colombia, althans naar Zuid-Amerika en/of naar West-Afrika en/of

- een of meer satelliettelefoon(s), cq sim-kaarten voor (een) satelliettelefoon(s) en/of beltegoed voor (een) sateliettelefoon(s) aangeschaft en/of opgestuurd naar Colombia, althans Zuid-Amerika en/of naar West-Afrika;


4:


hij op of omstreeks 08 september 2009 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen een wapen en/of onderdeel van een wapen van categorie II en/of III, te weten:

- een automatisch vuurwapen (van het merk Zastava-Kragujevac) en/of

- een magazijn van een automatisch vuurwapen (van het merk Zastava)

en/of munitie van categorie II, te weten 44, althans een of meer patronen kaliber .38 Special en/of munitie van categorie III, te weten 201, althans een of meer patronen kaliber 7.62x39, voorhanden heeft gehad;

5:


hij op of omstreeks 08 september 2009 te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen een of meer wapen(s) van categorie III, te weten:

- een pistool (merk Glock) en/of

- een revolver (merk Smith & Wesson)

en/of munitie van categorie III, te weten 31, althans een of meer patronen kaliber 9X19 mm en/of 6, althans een of meer patronen kaliber .38 Special, voorhanden heeft gehad;

6
primair (Partij 563 kilo):


hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2006 tot en met 31 oktober 2006 te Rotterdam en/of te Den Haag en/of elders in Nederland en/of Benin, althans één of meer landen in (West)Afrika, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s) toen en daar (telkens) (krachtens die gewoonte), meermalen (van) een grote hoeveelheid geld, althans meerdere bankbiljet(ten) (totale waarde 5.517.400,= euro), althans enig(e) geldbedrag(en)

de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van bovengenoemd(e) geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) 5.517.400,= euro, althans van enig(e) geldbedrag(en) en/of bovengenoemde geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat het/de bovengenoemde geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf

en/of

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten en/of gebruik maken van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), van in totaal ongeveer 5.517.400,= euro, althans van enig(e) geldbedrag(en), wist(en) dat bovengenoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) daarvan een gewoonte gemaakt door toen en daar (telkens) (grote) geldbedrag(en) te hebben overgedragen en/of ontvangen aan en/of van een persoon genaamd "[betrokkene 1]" (bedragen tot 3.500.000,= euro) en/of een persoon genaamd "[betrokkene 2]" (bedragen tot 2.000.000,= euro) en/of een persoon genaamd [medeverdachte 4], althans een persoon genaamd "" (bedragen tot 56.300,= euro);

6 subsidiair:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2006 tot en met 31 oktober 2006 te Rotterdam en/of te Den Haag en/of elders in Nederland en/of in Benin, althans één of meer landen in (West)Afrika , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) (een) voorwerp(en), te weten een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) 5.517.400,= euro, althans enig(e) geldbedrag(en)

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing hebben/heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van genoemd(e) geldbedrag(en) en/of genoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig van enig misdrijf

en/of

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten en/of gebruik maken van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), van in totaal 5.517.400,= euro, althans van enig(e) geldbedrag(en), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovengenoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf; (artikel 420bis subs. artikel 420quater Wetboek van Strafrecht)

7
primair (Partij 1633 kilo):

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2006 tot en met 28 februari 2007 te Rotterdam en/of te Den Haag en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s) toen en daar (telkens) (krachtens die gewoonte), meermalen (van) een grote hoeveelheid geld, althans meerdere bankbiljet(ten) (totale waarde 16.003.400,= euro), althans enig(e) geldbedrag(en)

de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van bovengenoemd(e) geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) 16.003.400,= euro, althans van enig(e) geldbedrag(en) en/of bovengenoemde geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat het/de bovengenoemde geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf

en/of

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten en/of gebruik maken van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), van in totaal ongeveer 16.003.400,= euro, althans van enig(e) geldbedrag(en), wist(en) dat bovengenoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) daarvan een gewoonte gemaakt door toen en daar (telkens) (grote) geldbedrag(en) te hebben overgedragen en/of ontvangen aan en/of van een persoon genaamd "[betrokkene 1]" (bedragen tot 6.826.900,= euro, te weten op 24 november 2006 en/of op 20 december 2006 en/of in januari 2007 (driemaal) en/of op 17 februari 2007 en/of op 22 februari 2007) en/of een persoon genaamd "[betrokkene 2]" (bedragen tot 5.200.000,= euro, te weten op 1 december 2006 en/of op 2 december 2006 en/of op 7 december 2006 en/of op 1 februari 2007 en/of op 17 februari 2007) en/of een persoon genaamd "Sobrino [betrokkene 1]" ("neef van [betrokkene 1]") (bedragen tot 612.500,= euro, te weten op 28 december 2006);

7 subsidiair:


hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2006 tot en met 28 februari 2007 te Rotterdam en/of te Den Haag en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) (een) voorwerp(en), te weten een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) 16.003.400,= euro, althans enig(e) geldbedrag(en)

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing hebben/heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van genoemd(e) geldbedrag(en) en/of genoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig van enig misdrijf

en/of

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten en/of gebruik maken van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), van in totaal 16.003.400,= euro, althans van enig(e) geldbedrag(en), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovengenoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk ofmiddellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf;

8
primair (zaaksdossier Criminele Boekhouding):

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 30 september 2007 te Rotterdam en/of te Den Haag en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s) toen en daar (telkens) (krachtens die gewoonte), meermalen (van) een grote hoeveelheid geld, althans meerdere bankbiljet(ten) (totale waarde 42.233.450,= euro, althans 26.230.050,= euro)

de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben zij verdachte en/of haar mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van bovengenoemd(e) geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) 42.233.450,= euro, althans 26.230.050,= euro, althans van enig(e) geldbedrag(en) en/of bovengenoemde geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) wist(en) dat het/de bovengenoemde geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf;

en/of

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt , terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten en/of gebruik maken van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), van in totaal ongeveer 42.233.450,= euro, althans 26.230.050,= euro, althans van enig(e) geldbedrag(en), wist(en) dat bovengenoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) daarvan een gewoonte gemaakt door toen en daar (telkens) een groot geldbedrag te ontvangen, te weten een bedrag van:

- 537.500,= euro van een persoon genaamd "Amadu"en/of

- 647.000,= euro van een persoon genaamd "Antho" en/of

- 1.000.000,= euro van een persoon genaamd "Burda" en/of - 4.675.250,= euro van een persoon genaamd "Carlos" en/of - 277.500,= euro van een persoon genaamd "Igortje" en/of - 4.400.000,= euro van een persoon genaamd "Mario" en/of - 2.000.000,= euro van een persoon genaamd "Max" en/of

- 15.940.000,= euro van een persoon genaamd "Pancho" en/of - 5.777.500,= euro van een persoon genaamd "Preta" en/of - 461.000,= euro van een persoon genaamd "Suri" en/of - 250.000,= euro van een persoon genaamd "Wout" en/of - 6.267.700,= euro van (een) niet bij name genoemde perso(o)n(en)

en/of

toen en daar (telkens) een groot geldbedrag over te dragen, te weten een bedrag van:

- 300.000,= euro aan een persoon genaamd "Amadu" en/of

- 500.000,= euro aan een persoon genaamd "Antho" en/of

- 2.000.000,= euro aan een persoon genaamd "Daniël" en/of - 500.000,= euro aan een persoon genaamd "Martin" en/of

- 1.600.000,= euro aan een persoon genaamd "Mike" en/of

- 23.152.400,= euro althans een bedrag van 11.152.500,= aan personen genaamd "[betrokkene 1]" en/of "[betrokkene 2]" en/of

- 6.136.500,= euro aan (een) niet bij name genoemde perso(o)n(en);

8 subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 30 september 2007 te Rotterdam en/of te Den Haag en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) (een) voorwerp(en), te weten een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) 42.233.450,= euro, althans 26.230.050,= euro, althans enig(e) geldbedrag(en)

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing hebben/heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van genoemd(e) geldbedrag(en) en/of genoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig van enig misdrijf;

en/of

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten en/of gebruik maken van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), van in totaal 42.233.450,= euro, althans 26.230.050,= euro, althans van enig(e) geldbedrag(en), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovengenoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf;

1 https://www.fiu-nederland.nl/nl/witwas-typologieen-0