Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:325

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
08-03-2016
Zaaknummer
22-003059-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft een niet op haar naam gesteld reisdocument gebruikt, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003059-15

Parketnummer: 10-072633-15

Datum uitspraak: 16 februari 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 7 juli 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Oekraïne) op [geboortejaar] 1988,

[adres]:(Oekraïne),

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 2 februari 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 11 april 2015 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op haar naam gesteld(e) reisdocument en/of Nederlandse identiteitskaart, te weten een Poolse identiteitskaart (op naam van [valse naam], geboren [geboortejaar] 1988 te [geboorteplaats], kaartnummer [nr]), door genoemde identiteitskaart te tonen aan opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee district West, brigade Zuid-Holland bij de uitreiscontrole naar Harwich (GB).

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het verweer gevoerd – zakelijk weergegeven - dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, nu het dossier vele slordigheden bevat. Daarnaast is zijn cliënte na haar aanhouding niet met de nodige voortvarendheid overgebracht naar de plaats van verhoor en vervolgens voorgeleid aan de hulpofficier.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof heeft vastgesteld dat het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee in die mate is gecorrigeerd, dat dit proces-verbaal naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk is.

Met betrekking tot de overbrenging en voorgeleiding van de verdachte aan de hulpofficier is het hof van oordeel dat de betreffende verbalisanten daarmee niet onredelijk lang hebben getalmd, mede gelet op hetgeen daarover is gerelateerd in het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee nr. PL27WZ/15-001730.

Het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging wordt op deze gronden verworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op of omstreeks 11 april 2015 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op haar naam gesteld (e) reisdocument en/of Nederlandse identiteitskaart , te weten een Poolse identiteitskaart (op naam van [valse naam], geboren [geboortejaar] 1988 te [geboorteplaats], kaartnummer [nr]), door genoemde identiteitskaart te tonen aan opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee district West, brigade Zuid-Holland bij de uitreiscontrole naar Harwich (GB).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk gebruik maken van een niet op haar naam gesteld reisdocument.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een niet op haar naam gesteld
reisdocument gebruikt, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven.
Aldus handelend heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met een bewijsbestemming als het onderhavige.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep subsidiair onder meer bepleit om aan zijn cliënte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, op dezelfde gronden als hiervoor weergegeven onder het kopje “Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte”.

Het hof verwerpt het door de raadsman gevoerde strafmaatverweer, nu het – op dezelfde feitelijke stellingen berustende – verweer aangaande de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte is verworpen en het hof ook overigens gelet op de ernst van het feit geen aanleiding ziet om aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft het hof acht geslagen op de ten tijde van het gepleegde feit geldende zogeheten LOVS-oriëntatiepunten. Hieruit blijkt dat voor dit delict een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden passend is. Het hof ziet geen aanleiding om van deze oriëntatiepunten af te wijken en zal deze straf dan ook aan de verdachte opleggen.

Het is op deze grond dat het hof een zwaardere straf zal opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit rechtens geldt dan wel gold.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht,

mr. C.J. van der Wilt en mr. H.W. Samson-Geerlings, in bijzijn van de griffier R. Luijken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 februari 2016.

Mr. H.W. Samson-Geerlings is buiten staat dit arrest te ondertekenen.