Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3190

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
25-10-2016
Zaaknummer
22-000313-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan mishandeling. In eerste aanleg is de verdachte van het impliciet primair en impliciet subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken. De verdachte is ter zake van het impliciet meer subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-000313-15

Parketnummer: 10-681220-14

Datum uitspraak: 23 augustus 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1990,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 9 augustus 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het impliciet primair en impliciet subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken. De verdachte is ter zake van het impliciet meer subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 december 2013 te Papendrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade een persoon genaamd [benadeelde partij] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal (telkens)

- ( met kracht) die [benadeelde partij] met een breekijzer/koevoet, althans met een hard voorwerp op de rug en/of op de arm(en) en/of hand(en), althans op het lichaam heeft geslagen, en/of

- ( met kracht) met een breekijzer/koevoet, althans met een hard voorwerp, in de richting van het hoofd, althans het (boven)lichaam, van die [benadeelde partij] heeft gezwaaid en/of geslagen, en/of

- ( met kracht) op en/of in de richting van het hoofd en/of op de rug en/of in de buik, althans op het lichaam van die [benadeelde partij] heeft geslagen en/of geschopt en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft –overeenkomstig het op schrift gestelde, aan het hof overgelegde en in het dossier gevoegde requisitoir- gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, met dien verstande dat het hof in het vonnis waarvan beroep de hierna te vermelden aanvullingen en verbetering aanbrengt.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep –overeenkomstig de aan het hof overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota- vrijspraak bepleit en, onder meer, betoogd dat aangever slechts drie mannen heeft gezien terwijl er volgens de getuige [getuige] vier verdachten waren en dat derhalve niet uit te sluiten valt dat er één persoon ten onrechte als verdachte is aangemerkt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Blijkens het verhoor van de medeverdachte [getuige] d.d. 25 juli 2014, proces-verbaalnummer PL1700-2013401111-53, blz. 269 t/m 281, heeft [getuige] verklaard: “Toen [medeverdachte 1] zag dat de man was uitgestapt en de koffer had gepakt, zei hij dat wij moesten gaan. Wij zijn toen met zijn drieën uitgestapt en op hem afgelopen”. Op de vraag wie hij met “wij drieën” bedoelt heeft [getuige] verklaard: “Ik, [medeverdachte 2] en [verdachte]”. Op de vraag waar [medeverdachte 1] op dat moment was, heeft [getuige] verklaard: “In de auto”. Het hof is van oordeel dat uit deze verklaring blijkt dat vier personen betrokken zijn geweest bij het ten laste gelegde feit en dat drie van de vier personen, te weten [getuige], [medeverdachte 2] en de verdachte, op de man (aangever) zijn afgelopen. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw.

Aanvulling toegepaste wetsartikelen:

Het hof vult de in het vonnis waarvan beroep toegepaste wetsartikelen aan met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Aanvulling bewijsmiddel 1, zoals weergegeven in bijlage II bij vonnis van 22 januari 2015:

In de eerste zin “Op 18 december 2012 (...)”, dient na “2012” te worden ingevoegd “(het hof begrijpt: 2013)”.

Verbetering bewijsmiddel 5, zoals weergegeven in bijlage II bij vonnis van 22 januari 2015:

Onder “Berichten:” wordt de huidige tekst vervangen door: “Aan: [naam] [telefoonnummer]

Datum: 10-07-2014 16:40

Hoi hoi of je [medeverdachte 1] even wil bellen op [telefoonnummer]”.

Het vonnis waarvan beroep dient derhalve onder aanvulling en verbetering van gronden te worden bevestigd.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door mr. M. Moussault, mr. M.P.J.G. Göbbels en mr. R.C. Langeler, in bijzijn van de griffier mr. S. Imami.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 augustus 2016.

Mr. M.P.J.G. Göbbels is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.