Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:319

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
23-02-2016
Zaaknummer
200.143.072/10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht; casco binnenvaartpolis met ligclausule; brandschade aan een schip tijdens verbouwingswerkzaamheden gedekt?; uitleg clausule SC 1200 beperking van het risico van ombouw – en/of verbouw; meldingsplicht bij verbouwingswerkzaamheden van meer (in totaal) bedragen dan € 250.000,--.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.143.072/01


Zaaknummer rechtbank : C/10/336154 / HA ZA 09-2144

arrest van 23 februari 2016

inzake

EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ PRINCESS B.V.,

gevestigd te Hendrik-Ido-Ambacht,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

nader te noemen: Princess,

advocaat: mr. E.J. Eijsberg te Rotterdam,

tegen:

1. DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerden in het principaal appel,

appellanten in het incidenteel appel,

hierna te noemen: verzekeraars,

advocaat: mr. J. Blussé van Oud-Alblas te Rotterdam.

Het geding

Bij dagvaarding van 28 januari 2014 is Princess in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2010 en 30 oktober 2013. Princess heeft bij memorie van grieven (met producties) negentien grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd. Verzekeraars hebben de grieven bestreden bij memorie van antwoord tevens incidentele memorie van grieven (met een productie), en van hun kant één incidentele grief aangevoerd, die door Princess bij memorie van antwoord in incidenteel appel is bestreden. Partijen hebben hun standpunten ter terechtzitting van 12 januari 2016 mondeling toegelicht, waarbij Princess pleitaantekeningen heeft overgelegd. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Tot slot hebben partijen het hof verzocht arrest te wijzen.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de door de rechtbank in haar tussenvonnis van 24 november 2010 onder 2.1 tot en met 2.10 vastgestelde feiten, nu hiertegen in hoger beroep geen grief is gericht.

2. Het gaat in deze zaak, kort samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, om het volgende. Princess heeft op 22 september 2008 uit een failliete boedel het schip [naam] (hierna: het schip) in eigendom verkregen. Ten behoeve van het schip heeft Princess, door tussenkomst van haar verzekeringsmakelaar [… 1], een verzekeringsovereenkomst (casco binnenvaartpolis met ligclausule) afgesloten. Princess heeft het schip op 15 september 2008 naar de Heuvelmanhaven in ’s-Gravendeel doen varen en daar aan een steiger gelegd. Vervolgens heeft zij een aantal Poolse werkkrachten opdracht gegeven tot het verrichten van onder meer schoonmaak- en sloopwerkzaamheden op het schip. Voorts heeft zij de firma [… 2] opdracht gegeven tot het verrichten van las- en slijpwerkzaamheden, in het kader waarvan in elk geval raamgaten zijn vergroot en een trapgat is gemaakt. Op 14 november 2008 is, na vertrek van de werklieden, om ongeveer 19.00 uur brand geconstateerd op het schip. De schade aan het schip als gevolg van de brand is begroot op (in elk geval) € 1.774.009,50. Princess heeft de schade geclaimd onder de door haar afgesloten verzekering. Verzekeraars hebben uitkering geweigerd. Zij hebben zich primair beroepen op verzwijging, aangezien Princess bij het sluiten van de verzekering ten onrechte niet had gemeld dat zij plannen had voor een grootscheepse verbouwing van het schip. Subsidiair hebben verzekeraars een beroep gedaan op de toepasselijke clausule SC 1200, volgens welke clausule het verbouwingsrisico alleen is gedekt als de verbouwingswerkzaamheden tevoren aan verzekeraars zijn gemeld en over de premie en verzekeringsvoorwaarden overeenstemming is bereikt, dan wel de verbouwingswerkzaamheden minder dan (in dit geval) € 250.000,- bedragen. Meer subsidiair hebben verzekeraars aangevoerd dat de brand het gevolg is van roekeloos handelen van Princess bij de uitvoering van de werkzaamheden aan het schip. De rechtbank heeft het beroep op verzwijging van verzekeraars gehonoreerd, en de vorderingen van Princess om die reden afgewezen. Princess is hiervan in hoger beroep gekomen. Verzekeraars hebben incidenteel appel ingesteld van de beslissing van de rechtbank dat, in het kader van het beroep van verzekeraars op clausule SC 1200, voor de beantwoording van de vraag of sprake is van verbouwingswerkzaamheden van minder dan € 250.000,-, uitsluitend de werkzaamheden in ’s-Gravendeel moeten worden meegeteld, en niet tevens de door Princess in aansluiting hierop geplande verbouwingswerkzaamheden aan het schip op werven in Almelo en Gendt.

3. Het hof zal om proceseconomische redenen eerst het beroep van verzekeraars op clausule SC 1200 bespreken. Indien dit beroep slaagt komt het hof aan de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van verzwijging (waar het principaal appel om draait) niet meer toe. In de grieven 5 tot en met 8 en de toelichtingen daarop heeft Princess stellingen betrokken die voor de beoordeling van dit beroep van verzekeraars op clausule SC 1200 van belang zijn. Deze stellingen zullen waar relevant bij de bespreking van het incidenteel appel worden betrokken.

Het beroep op clausule SC 1200

4. Clausule SC 1200 luidt als volgt:
“SC 1200 CLAUSULE BEPERKING VAN HET RISICO VAN OMBOUW – EN/OF VERBOUW
In afwijking van hetgeen in de polisvoorwaarden en clausules met betrekking tot het risico van verbouwen is vermeld, wordt het volgende overeengekomen:
- voor aanvang van dit risico dient dit aan verzekeraars te worden kennisgegeven
- dit risico voor verzekeraars vangt eerst aan indien tussen partijen overeenstemming is bereikt inzake premie, eigen risico en conditiën
Het vorenstaande is niet van toepassing indien:
- de verbouwwerkzaamheden minder bedragen dan 25% van het verzekerde bedrag van het object
- de verbouwwerkzaamheden ten aanzien van objecten met een verzekerd bedrag van € 1.000.000,00 of hoger niet meer bedragen dan € 250.000,00.”

5. Het hof overweegt dat bovenstaande clausule moet worden uitgelegd aan de hand van het Haviltex-criterium. Voor zover grief 6 in het principaal appel zich richt tegen de toepassing van dit criterium wordt deze grief verworpen, nu Princess in hoger beroep niet aannemelijk heeft gemaakt dat in dit geval een ander uitlegcriterium van toepassing zou zijn. De vraag hoe de clausule moet worden uitgelegd kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg, maar hierbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. In dit verband is het volgende van belang.

6. Vast staat dat Princess bij het sluiten van de verzekering is bijgestaan door een assurantiemakelaar. De wetenschap van deze makelaar over de betekenis en reikwijdte van clausule SC 1200 moet worden toegerekend aan Princess. Daarbij kan in het midden blijven of het een clausule betreft die door de makelaar zelf is opgesteld, of afkomstig is uit de polisvoorwaarden van Delta Lloyd. Van een onduidelijkheid over de uitleg van clausule SC 1200, waarbij de vraag rijst voor wiens risico dit moet komen, is in het onderhavige geval namelijk geen sprake: uit het verslag van de bespreking die op 4 maart 2009 heeft plaatsgevonden, waarbij zowel vertegenwoordigers van verzekeraars als van de makelaar SAA [… 1] aanwezig waren, in samenhang met de verklaring die de heer [… 3] (hierna: [werknemer van assurantiemakelaars]) van [… 1] Assurantiemakelaars als getuige voor de rechtbank heeft afgelegd, blijkt immers dat de betekenis en reikwijdte van clausule SC 1200 voor de makelaar duidelijk was: als er meer aan het schip zou gebeuren dan het spreekwoordelijke “lampje indraaien”, zou de verzekering daarvoor geen dekking bieden en zou dekking onder een aanbouwpolis moeten worden gekocht. Dit betekent dat hetgeen in het kader van grief 5 in het principaal appel naar voren is gebracht tevergeefs wordt voorgesteld.

7. In voormeld verslag is voorts als verklaring van [werknemer van assurantiemakelaars] vermeld dat hij de directeur van Princess, de heer [… 4] (hierna: [directeur van Princess]), (onder meer) in verband met de SC 1200 clausule hierop heeft gewezen. In de e-mail van 26 mei 2008 (gehecht aan het proces-verbaal van getuigenverhoor van [werknemer van assurantiemakelaars]), waarvan de inhoud door Princess niet is weersproken, heeft [werknemer van assurantiemakelaars] aan [directeur van Princess] onder meer geschreven:
“Verzekerd gebied: B 7a ligclausule (met reparatie), liggende achter gesloten terrein te ’s-Gravendeel
Eventuele verbouwingen tijdens stilliggen dienen van te voren te worden doorgegeven aan cq. doorgenomen met [… 1]/assuradeuren”.
[werknemer van assurantiemakelaars] heeft hierover als getuige verklaard dat hij bovenstaande opmerking gemaakt heeft omdat vrij vroeg in het sluittraject bekend was dat [directeur van Princess] op enig moment eventuele verbouwingen aan het schip wilde gaan laten verrichten voor het nieuwe seizoen, zij het dat het op dat moment nog helemaal onduidelijk was wanneer dat aan de orde zou zijn. Hij heeft hieraan nog toegevoegd dat, als hij eerder had geweten van de concrete verbouwingsplannen van [directeur van Princess], hij hem op dat moment zou hebben geadviseerd om een aanbouwverzekering af te sluiten.

8. Princess heeft niet weersproken dat [werknemer van assurantiemakelaars] [directeur van Princess] heeft gewaarschuwd dat hij eventuele verbouwingsplannen tevoren moest melden, maar stelt dat hij deze waarschuwing gelet op de tekst van clausule SC 1200 aldus heeft begrepen en mogen begrijpen dat deze meldingsplicht uitsluitend gold indien en voor zover het verbouwingswerkzaamheden betrof die meer zouden bedragen dan € 250.000,-. Nu de verbouwingswerkzaamheden die gepland waren voor de periode dat het schip in de Heuvelmanhaven in ’s-Gravendeel zou liggen slechts voorbereidende werkzaamheden betroffen, althans in elk geval minder bedroegen dan € 250.000,-, hoefde zij deze – aldus Princess – onder de clausule SC 1200 niet te melden. De aansluitende verbouwingswerkzaamheden die gepland stonden voor de werven in Almelo en Gendt moeten in dit verband volgens Princess buiten beschouwing blijven. Verzekeraars hebben (onder meer) dit laatste gemotiveerd betwist, en aangevoerd dat het ging om een grootscheepse verbouwing van het schip die weliswaar op verschillende locaties zou plaatsvinden, maar die voor de toepassing van clausule SC 1200 en het in deze clausule vermelde maximumbedrag van € 250.000,- niet vanwege die verschillende locaties “in stukjes kan worden geknipt”. De rechtbank heeft Princess echter op dit laatste punt in het gelijk gesteld. Hiertegen richt zich de incidentele grief.

9. Het hof is van oordeel dat de incidentele grief slaagt, en overweegt hierover het volgende.

10. Vast staat dat Princess in de loop van 2008 verbouwingsplannen (in totaal begroot op ruim € 1.000.000,00) heeft ontwikkeld voor het schip, met het oog op een te sluiten charterovereenkomst voor het cruiseseizoen 2009 waarvoor het schip ingrijpend moest worden gerenoveerd. Deze verbouwingsplannen waren – wat er ook zij van het exacte tijdstip waarop deze zijn geconcretiseerd – in elk geval in oktober 2008 zodanig vastomlijnd dat hiervoor blijkens de eigen stellingen van Princess reeds afspraken waren gemaakt met werven in Almelo, waar het schip eind december 2008 heen zou varen, en Gendt, alwaar het schip in maart 2009 aan de achterzijde met drie meter zou worden verlengd. Voorafgaande aan het verblijf in Almelo heeft Princess het schip afgemeerd in ’s-Gravendeel. Vervolgens heeft zij opdracht gegeven aan onder meer een aantal Poolse werkkrachten tot het verrichten van schoonmaak- en sloopwerkzaamheden op het schip, en aan de firma [… 2] tot het verrichten van las- en slijpwerkzaamheden, in het kader waarvan in elk geval raamgaten zijn vergroot en een trapgat is gemaakt. Vaststaat dat Princess de verbouwingsplannen noch de werkzaamheden voor de brand op 14 november 2008 aan haar makelaar dan wel verzekeraars heeft gemeld.

11. Princess heeft gesteld dat zij in ’s-Gravendeel slechts enige reparatiewerkzaamheden en voorbereidende werkzaamheden van beperkte aard heeft uitgevoerd, die geen deel uitmaakten van de verbouwing. Die stelling wordt verworpen. Vaststaat dat Princess voor de brand onder meer materialen heeft aangeschaft, offertes heeft aangevraagd, contracten heeft gesloten met leveranciers en met werven in Almelo en Gendt, financiering heeft geregeld en contact heeft gelegd met de scheepvaart inspectie, om te beginnen op basis van een tekening (001) dd 25 augustus 2008 van de hand van tekenaar [… 5], waarvan de opzichter [… 2] als getuige heeft verklaard dat dit algemene plan het wel zo’n beetje was en het 6 à 7 maanden werk zou vergen. Voorts is op 10 september nog een revisie tekening gereed gekomen. Deze beide tekeningen factureert [… 5] op 1 oktober 2008 onder vermelding van algemeen plan/ stappenplan. Vaststaat dat het schip omstreeks 1 april 2009 als cruiseschip beschikbaar moest zijn. Princess moest dus opschieten. Aan de hand van de plannen, waarbij in het midden kan blijven – zoals Princess stelt en verzekeraars betwisten – of deze op een later tijdstip nog nader zijn uitgewerkt en geconcretiseerd, zijn de Poolse slopers op 15 september 2008 aan de gang gegaan, zoals de getuige [… 6] aangeeft: 5 dagen per week, met ingrijpende sloopwerkzaamheden, en zijn bovenbedoelde las- en snijwerkzaamheden uitgevoerd. Dergelijke werkzaamheden in onderlinge samenhang bezien moeten redelijkerwijs worden aangemerkt als verbouwingswerkzaamheden en niet enkel als voorbereidende werkzaamheden van beperkte aard.

12. Het hof is, anders dan de rechtbank, voorts van oordeel dat de verbouwingswerkzaamheden die in ’s-Gravendeel zouden worden verricht voor de toepasselijkheid van clausule SC 1200 redelijkerwijs moeten worden beschouwd als onderdeel van de totale verbouwingswerkzaamheden aan het schip zoals deze door Princess tot en met de werf in Gendt waren gepland, en niet als een zelfstandige verbouwing kunnen worden aangemerkt. Het betrof één grootscheepse verbouwing van het schip, die weliswaar op verschillende locaties zou worden uitgevoerd maar die voor de toepasselijkheid van clausule SC 1200 redelijkerwijs niet “in stukjes kan worden geknipt”, zoals verzekeraars terecht opmerken. Dat de verzekering – die was afgesloten voor de periode van een jaar – beperkt was tot het “verzekerd gebied” ’s- Gravendeel, zoals op de sluitnota is vermeld, is naar het oordeel van het hof in dit verband niet beslissend. Het argument dat verzekeraars voor de verbouwingswerkzaamheden in ’s- Gravendeel slechts risico hebben gelopen voor de verbouwingswerkzaamheden ter plaatse tot een bedrag van (maximaal) € 250.000,-, miskent dat de hoogte van het bedrag van de (totale) verbouwingswerkzaamheden mede een indicatie vormt van de aard en de omvang van de betreffende werkzaamheden, en daarmee van de grootte van het te verzekeren risico. Met name bij ingrijpende verbouwingen, waarvan in dit geval sprake was, zal er bijvoorbeeld een grotere kans zijn dat ook het nodige heetwerk zal plaatsvinden met het daaraan verbonden verhoogde brandrisico. Princess had naar het oordeel van het hof, mede in het licht van de onder 7 van dit arrest genoemde e-mail van [werknemer van assurantiemakelaars] aan [directeur van Princess], clausule SC 1200 redelijkerwijs niet zo mogen en kunnen begrijpen dat onder “verbouwwerkzaamheden” uitsluitend het deel van de werkzaamheden was begrepen dat zou worden uitgevoerd in ’s- Gravendeel. Het had, gegeven de waarschuwing van [werknemer van assurantiemakelaars], minst genomen op haar weg gelegen om hier navraag naar te doen bij haar assurantiemakelaar, die haar vervolgens – aldus de verklaring van [werknemer van assurantiemakelaars] – zou hebben geadviseerd om een aanbouwverzekering af te sluiten. Hetgeen bij de grieven 7 en 8 in het principaal appel is aangevoerd wordt tevergeefs voorgedragen.

13. Uit het bovenstaande volgt dat het beroep van verzekeraars op clausule SC 1200 naar het oordeel van het hof moet worden gehonoreerd, en dat de vorderingen van Princess om die reden moeten worden afgewezen. Het verweer van Princess dat clausule SC 1200 hier geen rol kan spelen omdat verzekeraars niet hebben aangetoond dat er een causaal verband is tussen de verrichte verbouwingswerkzaamheden en de brand, wordt verworpen. Clausule SC 1200 verplicht de verzekeringnemer om dergelijke werkzaamheden (indien deze meer (in totaal) bedragen dan € 250.000,-) vooraf te melden, waarna overeenstemming dient te worden bereikt over de premie, het eigen risico en de voorwaarden waaronder verzekeraars bereid zijn om het schip in dekking te nemen. Nu Princess de werkzaamheden niet heeft gemeld, en er derhalve geen overeenstemming is bereikt over deze punten, is de schade aan het schip niet gedekt. Verzekeraars hebben gesteld dat zij, als zij op de hoogte waren geweest van de verbouwingswerkzaamheden, de dekking van het schip niet zonder nadere voorwaarden zouden hebben geaccepteerd, hetgeen Princess onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Dat het verbouwingsrisico, waarop clausule SC 1200 betrekking heeft, zich niet heeft gerealiseerd is bovendien niet aannemelijk geworden. De brand is immers ontstaan in de periode waarin de verbouwingswerkzaamheden werden verricht, terwijl het risico op brand inherent is aan het verrichten van verbouwingswerkzaamheden, met name indien sprake is van het uitvoeren van heetwerk. De stelling van Princess dat clausule SC 1200 aldus moet worden uitgelegd dat verzekeraars hierop slechts een beroep toekomt indien zij bewijzen dat de brand het gevolg is geweest van de verbouwingswerkzaamheden, wordt verworpen. Een dergelijke uitleg vindt geen steun in de tekst van clausule SC 1200, noch in de aard en strekking ervan, welke kort gezegd inhouden dat de dekking onder de verzekering beperkt is tot verbouwingswerkzaamheden van maximaal € 250.000,-.

14. De incidentele grief slaagt derhalve, en de principale grieven 5 tot en met 8 worden, voor zover in dit verband relevant, verworpen. De overige grieven behoeven bij gebrek aan belang geen verdere behandeling. Het hof zal het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigen met verbetering van gronden. Een vernietiging van het tussenvonnis van de rechtbank zal, bij gebrek aan belang, achterwege blijven.

15. Princess zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van zowel het principaal als het incidenteel appel. Daarbij zal het hof het pleidooi in hoger beroep (uitsluitend) toerekenen aan het principaal appel.

16. Het hof komt niet toe aan bewijslevering, nu geen concreet en gespecificeerd bewijs is aangeboden van feiten die, indien bewezen, kunnen leiden tot een andere beslissing.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 oktober 2013;

- veroordeelt Princess in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van verzekeraars tot op heden in het principaal appel begroot op € 5.114,- aan vast recht en € 13.740,- aan salaris advocaat, en in het incidenteel appel op € 2.290,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, M.C.M. van Dijk en J.M. Willink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 februari 2016 in aanwezigheid van de griffier.