Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3174

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
31-10-2016
Zaaknummer
200.199.457/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:11087, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. Weigeringsgronden. Is benoeming bijzondere curator en/of raadsonderzoek nodig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 12 oktober 2016

Zaaknummer : 200.199.457/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 16-5719

Zaaknummer rechtbank : C/09/515364

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.J. Kim-Meijer te Den Haag.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te [vestigingsplaats]

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 21 september 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 8 september 2016 van de rechtbank Den Haag.

De man heeft op 27 september 2016 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 28 september 2016 twee faxberichten met bijlagen;

van de zijde van de man:

- op 28 september 2016 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 29 september 2016 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat en [naam] , tolk in de Engelse taal;

- [naam] namens de raad.

De advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

De hierna te noemen minderjarige [minderjarige] is op 3 oktober 2016 in raadkamer gehoord.

Van het kindgesprek is een verslag gemaakt, welk verslag op 3 oktober 2016 naar partijen is verstuurd. Partijen hebben de gelegenheid gekregen om binnen twee dagen een reactie op het verslag aan het hof te doen toekomen.

Bij faxberichten van 5 oktober 2016 hebben beide partijen een reactie gegeven. Op 6 oktober 2016 heeft de advocaat van de vrouw nog een faxbericht verzonden. Het hof merkt daarover op dat het uitsluitend acht zal slaan op de inhoud van de brief van de advocaat van de man, voor zover die een reactie op het kindgesprek inhoudt, omdat dit aldus met partijen is besproken.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is de terugkeer gelast van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Verenigd Koninkrijk (hierna te noemen: de minderjarige), naar het Verenigd Koninkrijk uiterlijk op 23 september 2016. Daarbij is bevolen, indien de vrouw nalaat de minderjarige terug te brengen naar het Verenigd Koninkrijk, dat de vrouw de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de man zal afgeven uiterlijk op 23 september 2016, opdat de man de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar het Verenigd Koninkrijk. Voorts is de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van de door hem gemaakte kosten ter hoogte van € 10.488,-. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

  • -

    de ouders zijn op [trouwdatum] te [plaats] , Verenigd Koninkrijk, met elkaar gehuwd; zij wonen sinds 28 februari 2013 feitelijk gescheiden en zijn sindsdien verwikkeld in gerechtelijke procedures in het Verenigd Koninkrijk aangaande de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats van de minderjarige;

  • -

    de ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over de minderjarige;

  • -

    de vrouw is op of omstreeks 30 mei 2016 met de minderjarige naar Nederland vertrokken en is op 6 juni 2016 niet teruggekeerd naar het Verenigd Koninkrijk;

  • -

    op 22 juni 2016 heeft de man zich gewend tot de Britse Centrale Autoriteit;

  • -

    op 22 juli 2016 heeft de man een teruggeleidingsverzoek ingediend bij de rechtbank Den Haag;

  • -

    de man is Brits Burger; de vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit; de minderjarige is Brits Burger en heeft de Nederlandse nationaliteit.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog het verzoek van de man, om de minderjarige terug te geleiden naar het Verenigd Koninkrijk, af te wijzen, met veroordeling van de man tot vergoeding aan de vrouw van de door haar gemaakte kosten in beide instanties.

2. De man verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en de onmiddellijke teruggeleiding van de minderjarige naar [woonplaats] , Verenigd Koninkrijk, te gelasten uiterlijk op 10 oktober 2016, of zoveel eerder als mogelijk, waarbij de vrouw de minderjarige dient terug te brengen, dan wel de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de man af te geven uiterlijk op 10 oktober 2016, dan wel de door het hof te bepalen datum te 11:00 uur op Schiphol, opdat de man de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar het Verenigd Koninkrijk, met veroordeling van de vrouw in de kosten die de man heeft moeten maken in verband met de ontvoering en de teruggeleiding, waaronder zijn reiskosten vanuit het Verenigd Koninkrijk naar Nederland, zijn verblijfkosten in Nederland, de griffierechten, de kosten van de in te schakelen tolk, alsmede de kosten van de procesvertegenwoordiging, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

3. De vrouw verzoekt het hof haar stellingen zoals verwoord in eerste aanleg en met name zoals beschreven in de pleitnotities, nadere brieven en producties, als herhaald en ingelast te beschouwen. Voorts voert zij het volgende aan. Zij is van mening dat voor de minderjarige een bijzondere curator dient te worden benoemd, alsmede dat de raad een onderzoek dient in te stellen naar de gesteldheid van de minderjarige, ter beoordeling of het verzet van de minderjarige gegrond is en hij een zodanige leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden. De minderjarige komt door zijn psychische problematiek en beperkingen in een ondragelijke toestand bij terugkeer. Ten bewijze daarvan heeft de vrouw diverse producties ingebracht. De rechtbank heeft geen kennis als het gaat om de vraag welke betekenis aan mededelingen van minderjarigen moet worden toegekend. De man heeft allerlei procedures opgestart in het Verenigd Koninkrijk tegen de vrouw en zij is kansloos bij terugkeer en zal worden gescheiden van de minderjarige. Het aanbod dat de man ter zitting bij de rechtbank heeft gedaan is ongeloofwaardig, onbetrouwbaar en met vele voorbehouden omgeven. Op geen enkele wijze is voldaan aan een zogenaamde “safe return”. De vrouw wacht aanhouding en veroordeling. Zij stelt diverse voorwaarden aan een eventuele teruggeleiding en bestrijdt de door de man opgevoerde kosten. De man zal bovendien de door hem gestelde gemaakte kosten compenseren met zijn oncontroleerbare toezeggingen met betrekking tot kosten samenhangend met de door de vrouw verzochte “safe return”.

4. De man verweert zich daartegen als volgt. De vrouw verwijst enkel naar hetgeen zij in eerste aanleg heeft gesteld. In hoger beroep zijn geen nieuwe feiten en onderbouwende bescheiden door de vrouw ingebracht. Er is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3 van het Haags Kinderontvoeringsverdrag: de ouders hebben het gezamenlijk gezag over de minderjarige, die zijn gewone verblijfplaats in het Verenigd Koninkrijk had voor de overbrenging naar Nederland, en de man heeft geen toestemming gegeven voor de vasthouding in Nederland. Er is dan ook sprake van een ongeoorloofde achterhouding in Nederland. Voorts is voldaan aan de voorwaarden van artikel 12 van het verdrag: er is minder dan een jaar verstreken tussen de vasthouding in Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank, zodat de onmiddellijke terugkeer dient te volgen. Het is in het belang van de minderjarige dat er duidelijkheid komt en hij weer terug kan keren naar zijn vertrouwde omgeving, vriendjes en vriendinnetjes en school. Volgens de man is geen sprake van een van de uitzonderingen, genoemd in artikel 13 HKOV. Door terugkeer wordt de minderjarige niet blootgesteld aan lichamelijk en/of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand gebracht. De man bestrijdt dat er ook maar iets mis is met de minderjarige. De vrouw onderwerpt de minderjarige aan allerlei medische onderzoeken, terwijl geen enkele instantie in het Verenigd Koninkrijk de stellingen van de vrouw aangaande psychische problemen van de minderjarige onderschrijft. Evenmin blijkt van verzet van de minderjarige tegen terugkeer naar het Verenigd Koninkrijk. De man ziet geen aanleiding voor het benoemen van een bijzondere curator dan wel een onderzoek door de raad. De man wenst vergoeding van de door hem gemaakte kosten.

Bijzondere curator/raadsonderzoek

5. Het hof is van oordeel dat er geen aanleiding is om een bijzondere curator voor de minderjarige te benoemen, dan wel een raadsonderzoek te gelasten. Krachtens artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter een bijzondere curator benoemen indien dit noodzakelijk is in het belang van de minderjarige om diens belangen te behartigen bij een conflict tussen de ouder(s) en de minderjarige. In deze is geen sprake van een belangenconflict tussen de minderjarige en zijn ouders en evenmin is sprake van een conflict met betrekking tot de verzorging en opvoeding. Het hof heeft in deze zaak de vraag te beantwoorden of, op grond van de verdragsbepalingen, in samenhang met het bepaalde in de verordening Brussel II bis, zich een uitzonderingsgrond voordoet op grond waarvan geen terugkeer van de minderjarige naar het Verenigd Koninkrijk dient te volgen. Het hof ziet daarin in deze zaak geen taak weggelegd voor de bijzondere curator. De minderjarige zelf is zowel door de rechtbank als het hof op een aan de leeftijd van de minderjarige aangepaste wijze gehoord en er zijn geen aanwijzingen dat hij zijn verhaal niet heeft kunnen doen. Voorts is het hof van oordeel dat er geen noodzaak is tot het gelasten van een raadsonderzoek, nu het hof zich op basis van het aan het hof voorliggende dossier en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht acht. Het hof acht zich voorts in staat om zelfstandig het kindgesprek dat met de minderjarige is gevoerd, te beoordelen en acht zich ook daarover voldoende voorgelicht. Het hof zal deze verzoeken van de vrouw dan ook afwijzen.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980, Trb. 1987, 139 (hierna: het HKOV)

6. Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 3 lid 1 van het HKOV het overbrengen of het niet doen terugkeren van een kind als ongeoorloofd wordt beschouwd, wanneer:

  1. dit geschiedt in strijd met een gezagsrecht, dat is toegekend aan een persoon, een instelling of enig ander lichaam, alleen of gezamenlijk, ingevolge het recht van de Staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had; en

  2. dit recht alleen of gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.

7. Ook in hoger beroep staat als niet weersproken vast dat de minderjarige zijn gewone verblijfplaats had in het Verenigd Koninkrijk alvorens hij door de vrouw is overgebracht naar Nederland. Voorts is niet in geschil dat de vrouw de minderjarige zonder toestemming van de man niet heeft doen terugkeren naar het Verenigd Koninkrijk. Onweersproken is derhalve dat sprake is van ongeoorloofde vasthouding van de minderjarige in Nederland zoals bedoeld in artikel 3 HKOV.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 lid 1 HKOV

8. Gezien het feit dat minder dan een jaar is verstreken tussen het niet doen terugkeren van de minderjarige naar het Verenigd Koninkrijk en het tijdstip van de indiening van het verzoek van de man tot teruggeleiding, moet op grond van artikel 12 HKOV de terugkeer van de minderjarige worden gelast, tenzij sprake is van (een van) de weigeringsgronden van artikel 13 HKOV.

Weigeringsgronden ex artikel 13 HKOV

9. De vrouw stelt dat de minderjarige zich tegen terugkeer naar het Verenigd Koninkrijk verzet en dat hij mede door zijn psychische problematiek bij terugkeer in een ondragelijke toestand zal worden gebracht. Daarbij is de kans groot dat de minderjarige zal worden gescheiden van de vrouw gelet op de procedures die de man tegen haar aanhangig heeft gemaakt.

10. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken. Naar zijn mening mankeert de minderjarige niets en stelt de vrouw hem onnodig bloot aan allerlei onderzoeken die niet in het belang van de minderjarige zijn. De man stelt ervoor in te staan dat hij zal toezien op de naleving van de voorwaarden voor een “safe return” van de vrouw, zoals deze zijn neergelegd in de beschikking.

11. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op juiste gronden geoordeeld dat in de onderhavige zaak geen sprake is van het bestaan van een ernstig risico dat de minderjarige door zijn terugkeer naar het Verenigd Koninkrijk zal worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand zal worden gebracht. Het hof neemt de gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een ander oordeel en andere beslissing zouden moeten leiden. Uit de aan het hof voorliggende stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat er een medische noodzaak is voor de minderjarige om in Nederland te blijven. Hoewel duidelijk is dat de vrouw zich grote zorgen maakt over (psychische) problematiek bij de minderjarige, is het hof van beperkingen bij de minderjarige niet dan wel onvoldoende gebleken. Wel is duidelijk dat de minderjarige erg lijdt onder de echtscheidingsstrijd van de ouders die al ruim drie jaar duurt, met de minderjarige als inzet. Dat de minderjarige door het loyaliteitsconflict wordt geschaad in zijn ontwikkeling blijkt ook uit de voorliggende stukken. Naar het oordeel van het hof is echter onvoldoende onderbouwd dat de minderjarige niet terug kan keren naar het Verenigd Koninkrijk, waar hij is geboren en hij zijn hele leven en tot voor kort heeft gewoond. De door de vrouw opgeworpen stellingen aangaande mogelijk ontucht door de man van de minderjarige brengen het hof niet tot een ander oordeel. Deze komen in een zeer laat stadium - te weten een dag voor de zitting in hoger beroep - terwijl daar nooit eerder aanwijzingen voor zijn geweest en de vrouw daar ook eerder niets over heeft aangevoerd. Voorts is niet gebleken dat de vrouw, bij terugkeer naar het Verenigd Koninkrijk, zal worden aangehouden, dan wel zal worden gescheiden van de minderjarige. De man heeft een brief van een Britse advocaat overgelegd waaruit volgt dat de kans op strafvervolging gering is en ook dat de vrouw bij een terugkeer niet aanstonds zal worden aangehouden, zo daar al sprake van zou zijn, maar zij dan eerst zal worden gehoord. Daarom leidt dit niet tot een ander oordeel. Het hof merkt op dat, nu het oordeelt dat geen sprake is van de weigeringsgrond vermeld in artikel 13 lid 1 sub b HKOV, het niet toekomt aan de beoordeling van de vraag of er adequate voorzieningen zijn getroffen om de bescherming van de minderjarige na terugkeer te verzekeren, zoals bepaald in artikel 11 lid 4 Verordening Brussel II bis.

12. Met betrekking tot de stelling van de vrouw dat de minderjarige zich tegen een terugkeer verzet, overweegt het hof als volgt. Uit het gesprek met de minderjarige blijkt dat de minderjarige zich zwart/wit uitlaat over het Verenigd Koninkrijk en loyaal is aan de vrouw. Hoewel hij niets leuks kan benoemen in het Verenigd Koninkrijk, terwijl hij daar zijn hele leven heeft gewoond, aanvankelijk in harmonie met beide ouders, verzet hij zich niet expliciet tegen een terugkeer, zolang zijn moeder meegaat. De minderjarige kan niet expliciet zaken benoemen die maken dat hij absoluut niet zou willen terugkeren naar het Verenigd Koninkrijk. Gelet op de jonge leeftijd van de minderjarige en het feit dat hij voor zijn verzorging afhankelijk is van de vrouw acht het hof het voorstelbaar dat de minderjarige onder de invloedssfeer van de vrouw staat. Significant daarbij is dat de minderjarige bij het kindgesprek in hoger beroep naar voren brengt dat zijn vader hem pijn zou hebben gedaan, terwijl daarvan eerder geen sprake is geweest of daarvoor geen aanwijzingen zijn geweest. Bovendien verklaart hij dat het recente bezoek aan Madurodam helemaal niet leuk was, maar hij kan niet vertellen waarom dit niet leuk zou zijn. In het kindgesprek bij de rechtbank noemde de minderjarige, zo blijkt uit de bestreden beschikking, een geheel andere reden waarom hij niet zou willen terugkeren. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet gebleken van een evenwichtig gevormde eigen mening van de minderjarige die grond is om het verzoek tot teruggeleiding te weigeren. Uit het kindgesprek volgt niet dat de minderjarige in staat is om op authentieke wijze en consistent een eigen mening te uiten waaruit zou blijken dat de minderjarige in staat is de reikwijdte van hetgeen hij verklaart te overzien.

Conclusie

13. Nu geen sprake is van één of meer van de in artikel 13 HKOV genoemde weigeringsgronden, terwijl minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 HKOV de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen. Van een strijd met het EVRM of het IVRK is het hof ook in hoger beroep niet gebleken. Het hof is van oordeel dat genoegzaam is gebleken dat de man betrokken is bij de minderjarige. In het Verenigd Koninkrijk is nog altijd een procedure aanhangig waarin ten gronde zal worden beslist over de kwesties betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid. Het hof spreekt de hoop uit dat de ouders zich in het belang van de minderjarige zullen gaan inzetten voor een verbetering van hun onderlinge verstandhouding.

Niet gebleken is - mede gezien het sub 11 overwogene betreffende de “safe return” - dat de vrouw niet naar het Verenigd Koninkrijk zou kunnen terugkeren met de minderjarige en weer over huisvesting en inkomen kan komen te beschikken. De vrouw is niet in de positie om diverse voorwaarden te verbinden aan de teruggeleiding, zo deze al op het verdrag dan wel de Verordening Brussel II bis gebaseerd kunnen worden. De verzoeken van de vrouw zullen dan ook worden afgewezen. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de man zijn toezeggingen voor een “safe return”, als door de rechtbank nader omschreven op pagina 8 van de bestreden beschikking, gestand zal doen.

Het hof zal dan ook in zoverre de bestreden beschikking bekrachtigen, met dien verstande dat het hof, nu de door de rechtbank bepaalde datum van teruggeleiding vanwege dit hoger beroep is achterhaald, de teruggeleiding van de minderjarige naar zijn gewone verblijfplaats in het Verenigd Koninkrijk op uiterlijk 19 oktober 2016 zal gelasten.

Proceskosten

14. Partijen hebben het hof over en weer verzocht om de ander in de gemaakte kosten te veroordelen. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de vrouw, zijnde degene die de minderjarige in Nederland heeft vastgehouden, kan worden verplicht tot betaling van de noodzakelijke kosten die de man naar aanleiding daarvan heeft gemaakt. De man heeft als productie h bij het verweerschrift in hoger beroep een overzicht van de door hem gemaakte kosten overgelegd. Het hof stelt de advocaatkosten in redelijkheid vast op het liquidatietarief. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de processtukken zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vele herhalingen bevatten en derhalve een onnodig grote omvang hebben. Voorts is het hof van oordeel dat de kosten van de cross border mediation tussen partijen en de door de man opgevoerde gederfde inkomsten niet voor vergoeding in aanmerking komen. De kosten voor de procedure aan de zijde van de man zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht eerste aanleg € 288,-

- griffierecht hoger beroep € 314,-

- salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

2 punten x tarief II in eerste aanleg = € 904,-

2 punten x tarief II in hoger beroep = € 1.788,-

- de kosten van de tolk 2 x € 245,- = € 490,-

- reiskosten € 234 (75,44 + 159) x 4 = € 936,-

- verblijfkosten 6 nachten x € 143,- = € 858,-,

in totaal € 4.976,-.

15. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de hoogte van de door de man in verband met de teruggeleiding van de minderjarige gemaakte kosten betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van de door de man gemaakte kosten ter hoogte van
€ 4.976,-;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, met dien verstande dat de terugkeer van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Verenigd Koninkrijk, wordt gelast uiterlijk op 19 oktober 2016, waarbij de vrouw de minderjarige dient terug te brengen naar het Verenigd Koninkrijk en beveelt, indien de vrouw nalaat de minderjarige terug te brengen naar het Verenigd Koninkrijk, dat de vrouw de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de man zal afgeven uiterlijk op 19 oktober 2016, opdat de man de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar het Verenigd Koninkrijk;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Mink, L.F.A. Husson, en C.M. Warnaar, bijgestaan door mr. A.C. van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 oktober 2016.