Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3126

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
200.184.912/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:13497, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag gehandhaafd, ondanks communicatie problemen ouders. Geen zorgregeling vastgesteld, gelet op afwijzende houding van minderjarigen van 12 en 15 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 12 oktober 2016

Zaaknummer : 200.184.912/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 13-7923

Zaaknummer rechtbank : C/09/452204

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. G.J.M. Gussenhoven te Zeist,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat voorheen mr. G. Crawfurd te Rotterdam, thans mr. L.A. Middelkoop te Rotterdam.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 3 februari 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 6 november 2015 van de rechtbank Den Haag.

De moeder heeft op 13 mei 2016 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 29 februari 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

- op 18 maart 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

- op 1 april 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

- op 2 september 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

- op 5 september 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

- op 9 september 2016 een V-formulier van 8 september 2016 met bijlagen.

van de zijde van de moeder:

- op 18 augustus 2016 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen.

van de zijde van de raad:

- op 14 april 2016 een brief van 11 april 2016 met als bijlage het raadsrapport van 24 februari 2015.

De zaak is op 14 september 2016 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- [naam] namens de raad.

De advocaat van de vader heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

De minderjarigen:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , en

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna gezamenlijk ook: de minderjarigen, zijn in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar tussenbeschikking van 23 april 2015 en de bestreden beschikking.

Bij de tussenbeschikking heeft de rechtbank na een eerdere aanhouding bij beschikking van 2 december 2014 in verband met een onderzoek van de raad naar het gezag, de zorgregeling en de informatie- en consultatieregeling, voor zover in hoger beroep van belang – met wijziging in zoverre van het vonnis in kort geding van de rechtbank Den Haag van 17 oktober 2013 – uitvoerbaar bij voorraad:

- de vader voorlopig – in afwachting van het verloop van het traject “Kinderen uit de Knel” van Stek Jeugdhulp – het recht op contact met de minderjarigen verboden, met uitzondering van de contacten die de vader in het kader van het traject met de minderjarigen zal hebben, en

- partijen verwezen naar Stek Jeugdhulp voor het volgen (samen met de minderjarigen) van het traject “Kinderen uit de Knel”. Iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de zorgregeling en de informatie- en consultatieregeling is aangehouden.

Bij de bestreden beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat het gezag over de minderjarigen alleen aan de moeder zal toekomen en is het recht op omgang van de vader met de minderjarigen ontzegd. Voorts is een informatieregeling vastgesteld.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad;

- uit die relatie zijn uit de moeder de minderjarigen geboren;

- de vader heeft de minderjarigen erkend;

- de minderjarigen verblijven bij de moeder.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn het gezag ten aanzien van de minderjarigen, de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen, alsmede de vaststelling van een uitgebreidere informatieregeling en een consultatieregeling.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag af te wijzen;

- een omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en de minderjarigen waarbij de minderjarigen bij de vader verblijven:

- primair: eens per twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.30 uur alsmede twee aaneengesloten weken in de zomervakantie en één week in de kerstvakantie;

- subsidiair: eens per twee weken op zondag van 10.00 uur tot 20.00 uur alsmede twee aaneengesloten weken in de zomervakantie en één week in de kerstvakantie;

- te bepalen dat de moeder de vader iedere maand dient te informeren over het welzijn van de minderjarigen en in spoedeisende situaties telefonisch overleg pleegt met de vader en dat de moeder de vader dient te consulteren over gewichtige aangelegenheden betreffende de persoon en het vermogen van de minderjarigen, waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend, begrepen schoolkeuze en medische behandelingen.

3. De moeder verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking zo nodig met aanvulling van gronden, te bekrachtigen.

Gezag

4. De vader voert, samengevat, het volgende aan. De rechtbank heeft de moeder ten onrechte belast met het eenhoofdig gezag. De vader stelt dat de rechtbank deze zware beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd. De communicatie tussen partijen loopt weliswaar moeizaam, maar dat vormt geen reden voor toekenning van het eenhoofdig gezag, aldus de vader. De vader verwijst ter onderbouwing hiervan naar verschillende uitspraken van de Hoge Raad en van het hof Leeuwarden-Arnhem. De verstandhouding tussen partijen is niet dusdanig ernstig verstoord dat belangrijke beslissingen aangaande de minderjarigen stagneren. Ook frustreert de vader de beslissingen van de moeder niet. Doordat de moeder de omgangsregeling telkens stopzette en de vader hierdoor gedwongen was om te procederen en de moeder niet open staat voor een vader in het leven van de minderjarigen heeft de vader in het verleden desperate periodes gekend waarin hij het niet langer zag zitten om te vechten voor het behoud van het contact met de minderjarigen. Ook ontbrak het hem aan financiële middelen om zich te verweren jegens de juridische acties van de moeder. Om die reden heeft de vader geen medewerking kunnen verlenen aan “Kinderen uit de Knel”. De vader kon het noch emotioneel, noch financieel opbrengen om uitvoering te geven aan een dergelijk intensief traject. In dat licht moet ook de reactie van de vader op het raadsrapport van 19 februari 2015 worden gelezen. De raad heeft overigens niet geadviseerd om het eenhoofdig gezag aan de moeder te geven.

5. De moeder stelt, kort weergegeven, dat de rechtbank terecht haar met het eenhoofdig gezag heeft belast. Zij betoogt dat de vader nimmer belangstelling heeft getoond voor zaken betreffende de minderjarigen. Op het moment dat hij ontstemd is, zet hij (misbruikt) het gedeelde gezag in in een poging om de moeder dwars te zitten. Hij toont daarmee geen enkel inzicht in de belangen van de minderjarigen. Zo weigerde de vader voor akkoord te tekenen voor een therapie van [minderjarige] bij de kinderpsycholoog. Verder betoogt de moeder dat de vader [minderjarige] nooit positief ondersteunt bij hockey. De vader stond hem niet toe dat hij tijdens omgangsweekenden hockeyde. Verder misbruikte de vader zijn gezag door met [minderjarige] naar het politiebureau te rijden om daar aangifte te doen tegen de moeder. Volgens de moeder heeft het gezamenlijk gezag de afgelopen jaren geleid tot onrust, discussies en spanningen. Tussen partijen is sprake van een ernstig verstoorde verstandhouding, waarbij het onmogelijk is gebleken om constructief overleg te voeren over de minderjarigen. Het instabiele gedrag van de vader maakt dat het onmogelijk is geworden voor de moeder om gezamenlijk met de vader op een goede manier invulling te geven aan het gezag.

6. De raad heeft ter zitting bij het hof verklaard dat uit het onderzoek van de raad van februari 2015 is gebleken dat de minderjarigen inderdaad moeite hebben met de situatie en de strijd waarin zij klem zitten. Ook hebben zij moeite met het contact met de vader. Hij biedt weinig voorspelbaarheid en dat vinden zij lastig. De beslissing van de rechtbank is destijds aangehouden voor hulpverlening; het traject “Kinderen uit de Knel” zou door partijen en de minderjarigen gevolgd worden. Helaas is dat niet gebeurd. Op de vervolgzitting heeft de raad het advies gewijzigd omdat het traject niet was ingezet en ook omdat de vader niet op deze zitting was verschenen. Nu is er volgens de raad nog steeds sprake van dezelfde problematiek, er is geen contact tussen de ouders, en als dat wel het geval zou zijn dat zouden alle problemen weer van voor af aan beginnen. Er zijn nog steeds geen condities geschapen voor de minderjarigen.

Mocht het hof gezamenlijk gezag opleggen dan adviseert de raad om een vorm van hulpverlening in te zetten, zodat beide ouders weer in gesprek raken over hoe de opvoeding van de minderjarigen in de echtscheidingscontext vorm te geven. De raad stelt dat er stabiliteit gecreëerd dient te worden.

7. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:253n Burgerlijk Wetboek (BW) in verbinding met artikel 1:251a, eerste lid, BW kan de rechter het gezamenlijk gezag beëindigen indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

8. Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren kan dat betekenen dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, ten minste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, zal er geen onaanvaardbaar risico zijn dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders. Andere redenen kunnen evenwel een wijziging van het gezag noodzakelijk maken.

9. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er sprake is van een verstoorde relatie van de vader met de minderjarigen en de moeder en dat er geen communicatie plaatsvindt tussen de vader en de moeder. Niet voldoende onderbouwd gesteld noch gebleken is echter dat bij belangrijke beslissingen de minderjarigen betreffende, bijvoorbeeld bij de schoolkeuze van de minderjarigen, het aanvragen van een paspoort of identiteitskaart of bij noodzakelijke medische (be)handelingen de besluitvorming door de vader wordt belemmerd. Dat de vader heeft geweigerd voor een therapie van [minderjarige] bij de kinderpsycholoog te tekenen, zoals de moeder heeft betoogd, heeft de vader tegenover de raad weersproken en blijkt ook niet uit de stukken. Het hof is dan ook van oordeel dat er onvoldoende gronden aanwezig zijn om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Het hof acht de (communicatie-) problemen tussen de vader en de moeder niet zodanig ernstig dat het gevaar bestaat dat na herstel van het gezamenlijk gezag de minderjarigen klem of verloren zullen raken tussen de vader en de moeder. Evenmin zijn andere gronden aanwezig die meebrengen dat het in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is dat het eenhoofdig gezag aan de moeder moet worden toegewezen.

Gelet op het vorenstaande dient de bestreden beschikking in zoverre te worden vernietigd.

Zorgregeling

10. De rechtbank heeft volgens de vader ten onrechte het recht op omgang ontzegd. De vader is van mening dat een regelmatige omgang in het belang van de minderjarigen en hem is. Zij hebben recht op de opbouw van een goede relatie met hun vader. De raad heeft geen aanleiding gezien om de vader de omgang te ontzeggen. Sterker nog, de raad heeft juist gesteld dat het stopzetten van omgang het (negatieve) gevoel van de minderjarigen ten opzichte van hun vader alleen maar zal versterken.

11. De moeder stelt dat de raad in zijn rapport heeft aangegeven dat er contra-indicaties zijn voor contact tussen de vader en de minderjarigen. Het contact brengt veel spanningen mee en de minderjarigen voelen zich niet veilig bij de vader. De raad is van mening dat de contra-indicaties opgeheven kunnen worden door het traject “Kinderen uit de Knel” te volgen. De vader, de moeder en de minderjarigen waren bereid het traject te volgen. De vader heeft nadien laten weten zich niet meer geroepen te voelen tot het ouderschap en met rust gelaten te willen worden. Bij de moeder heeft hij er meerdere malen op aangedrongen dat zij een overeenkomst zouden sluiten waarin vastgelegd zou worden dat de vader geen contact meer heeft met de minderjarigen en in ruil daarvoor geen kinderalimentatie meer zou hoeven betalen. Daarnaast heeft de vader zijn toezegging om mee te werken aan voornoemd traject ingetrokken. Gezien al deze ontwikkelingen heeft de raad ter zitting bij de rechtbank op 7 oktober 2015, waar de vader niet was verschenen, het eerdere advies gewijzigd en aangegeven omgang niet langer in het belang van de minderjarigen te achten. Volgens de moeder is omgang in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarigen.

12. Het gaat hier volgens de raad om minderjarigen van twaalf en vijftien jaar die ook zelf een mening hebben die steeds belangrijker wordt. Ook bij hen moet er draagvlak zijn voor contact met de vader. En contact moet praktisch haalbaar zijn. Het contact met beide ouders acht de raad nog steeds van belang voor de identiteitsontwikkeling van de minderjarigen zodat zij probleemoplossend vermogen ontwikkelen en leren hoe zij relaties moeten aangaan.

13. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:253a BW, eerste en tweede lid, kan de rechter in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening op verzoek van een ouder een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Daarnaast geldt dat op grond van lid 2, onder a, van dit artikel jo. artikel 1:377a lid 3 BW ook een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben door de rechter kan worden uitgesproken. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel er een tijdelijk verbod moet komen aan de vader om contact te hebben met de minderjarigen. Het hof overweegt daartoe dat de minderjarigen, van twaalf en vijftien jaar, die tijdens het kindgesprek een authentieke en evenwichtige indruk maakten, te kennen hebben gegeven geen contact met de vader te willen hebben en door het ontbreken van contact de afgelopen anderhalf jaar rust te hebben ervaren. Zij hebben moeite met het temperament van de vader, met zijn boosheid richting hen en met de negatieve uitlatingen van de vader over de moeder. Door de rust gaat het ook beter met hen op school. Gelet hierop en nu naar het oordeel van het hof gezien de leeftijd van de minderjarigen een minimum aan contact tussen partijen noodzakelijk is om een eventuele zorgregeling tot stand te brengen en uit te voeren en dat contact niet mogelijk is gebleken, mede door het gedrag van de vader jegens de moeder, en door het ontbreken van enige communicatie, wordt een zorgregeling met de vader thans in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarigen geacht.

14. Nu de beslissing tot ontzegging van het recht op omgang door de rechtbank is genomen voor de situatie waarin de moeder alleen het gezag heeft, zal de bestreden beschikking op dit punt worden vernietigd en zal het inleidende verzoek van de moeder, inhoudende dat het contact tussen de vader en de minderjarigen wordt opgeschort, alsnog worden toegewezen.

Daarbij geldt op grond van vaste jurisprudentie dat de vader zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te laten vaststellen.

Informatie en - consulatieregeling

15. De vader betoogt dat de rechtbank ten onrechte een informatieregeling heeft vastgesteld die neerkomt op driemaal per jaar informatie geven aan de vader over de minderjarigen. Het feitencomplex rechtvaardigt niet dat de informatieregeling zo summier is. De vader wenst frequenter geïnformeerd te worden en de minderjarigen zijn hierbij ook gebaat. Voorts betoogt de vader dat de rechtbank ten onrechte geen consultatieregeling heeft vastgesteld.

16. Artikel 1:253a BW bepaalt (lid 2) dat de rechtbank op verzoek van de ouders (met gezamenlijk gezag) of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten: c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd.

17. Het hof is van oordeel dat een informatieplicht zoals vastgesteld door de rechtbank redelijk en in het belang is van de minderjarigen zeker nu de vader mede met het gezag blijft belast en door de informatieregeling op de hoogte blijft van de situatie van de minderjarigen. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen, zij het op andere gronden.

18. Nu het gezamenlijk gezag wordt gehandhaafd acht het hof het redelijk en ook haalbaar dat de vader in het kader daarvan door de moeder wordt geraadpleegd op na te melden wijze. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de contacten tussen de ouders met spanning gepaard gaan en e-mailcontact enige afstand brengt en meer bezinning vergt.

19. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het het gezag over en omgang met de minderjarigen betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het inleidende verzoek van de moeder om haar met het eenhoofdig gezag te belasten alsnog af;

wijst het inleidende verzoek van de moeder om het contact tussen de vader en de minderjarigen op te schorten alsnog toe;

bepaalt dat de moeder de vader dient te consulteren over gewichtige aangelegenheden betreffende de persoon en het vermogen van de minderjarigen, waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend, begrepen schoolkeuze en medische behandelingen, welke consultatie per e-mail plaatsvindt;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. van Baardewijk, P.B. Kamminga, en J. Calkoen-Nauta, bijgestaan door mr. M.A.J. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 oktober 2016.