Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3123

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
20-10-2016
Zaaknummer
200.188.903/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:267, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Overeenstemming tussen partijen dat de man geen kinderalimentatie is verschuldigd omdat hij geen draagkracht heeft. De stukken roepen vragen op over de draagkracht. Het hof gelast de doorgang van de mondelinge behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0278

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 12 oktober 2016

Zaaknummer : 200.188.903/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 15-8722

Zaaknummer rechtbank : C/09/499623

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.M. Menheere te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. K. Bingöl te Den Haag.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 8 april 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 13 januari 2016 van de rechtbank Den Haag.

De vrouw heeft op 15 juni 2016 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

  • -

    op 22 juni 2016 een V-formulier van 21 juni 2016 met bijlagen;

  • -

    op 2 augustus 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen.

Bij faxbericht van 29 augustus 2016, bij het hof ingekomen op 30 augustus 2016, hebben partijen het hof bericht dat zij overeenstemming hebben bereikt, kort gezegd inhoudende dat aan de zijde van de man geen draagkracht is voor het voldoen van kinderalimentatie. Daarbij hebben partijen aangegeven dat de geplande zitting, gelet op de overeenstemming tussen partijen, geen doorgang behoefde.

Het hof heeft partijen daarop bericht dat het ontbreken van draagkracht aan de zijde van de man niet voorshands uit de door de man in het geding gebrachte stukken is gebleken. Omdat het partijen niet geheel vrij staat om in het nadeel van minderjarigen af te wijken van de wettelijke uitganspunten die ten grondslag liggen aan kinderalimentatie. Om de discrepantie tussen de overgelegde stukken en de overeenstemming van partijen te bespreken, heeft het hof de mondelinge behandeling doorgang laten vinden.

De zaak is op 31 augustus 2016 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de advocaat van de vrouw.

De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Na de zitting zijn, volgens afspraak ter zitting, de volgende stukken bij het hof ingekomen:

  • -

    van de zijde van de man op 12 september 2016 een V-formulier van 9 september 2016 met bijlagen;

  • -

    van de zijde van de vrouw op 21 september 2016 een faxbericht van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de door de man met ingang van 13 januari 2016 te betalen bijdrage ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , en

  • -

    [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

(hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen) bepaald op € 350,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderalimentatie).

2. Tussen partijen staat vast dat de man op dit moment geen draagkracht heeft om enige kinderalimentatie te voldoen. Gelet op de na afloop van de mondelinge behandeling overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de bestreden beschikking van aanvang af niet heeft voldaan aan de wettelijke maatstaven omdat de man onvoldoende draagkracht had en heeft om enige kinderalimentatie te voldoen.

3. Gelet op het feit dat de man de minderjarigen circa drie dagen per week bij zich heeft in het kader van de tussen partijen geldende zorgregeling, ziet het hof aanleiding om de man ook niet de minimumbijdrage van € 25,- per kind per maand op te leggen.

4. Hetgeen partijen overigens – onder meer ten aanzien van de behoefte van de minderjarigen en de zorgkorting waarop de man aanspraak wenst te maken – hebben aangevoerd, kan niet tot een andere beslissing leiden en behoeft derhalve geen bespreking.

5. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en het inleidend verzoek van de vrouw alsnog zal afwijzen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

wijst het inleidende verzoek van de vrouw alsnog af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Mink, L.F.A. Husson en N.P.C. van Wijk, bijgestaan door mr. R.S. Hogendoorn-Matthijssen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 oktober 2016.