Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3102

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
25-10-2016
Zaaknummer
200.197.420/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Second opinion-procedure, hoewel geen overeenstemming bestaat over de feiten. Vordering tot betaling verzekeringspremies aan verzekeringstussenpersoon die voor deze premies in rekening-courant was belast door verzekeraars.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.197.420/01

Zaaknummer rechtbank : 3730775 CV EXPL 15-6

arrest van 25 oktober 2016

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante, tevens geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. L. Hennink te Rotterdam,

tegen

[naam] Assurantiën B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

geïntimeerde, tevens appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. H.G. Hilgevoord te Rotterdam.

Het geding

Verwezen wordt naar het tussenarrest van 6 september 2016 waarin een comparitie na aanbrengen is bevolen. Ter comparitie, die heeft plaatsvonden op 10 oktober 2016 en waarvan proces-verbaal is opgemaakt, is namens beide partijen toelating tot de second opinion-procedure verzocht. Daartoe hebben partijen en hun advocaten ieder een SO-formulier als bedoeld in de artikel 3.2 van het Second Opinion Reglement (hierna: SOR) ingevuld en ondertekend. Beide partijen zijn daarbij overeengekomen dat de stukken die voorafgaand aan de comparitie en ter comparitie zijn overgelegd in de beoordeling zullen worden betrokken en dat het hof, in afwijking van het SOR, wel een bewijsopdracht kan geven.

Voornoemd verzoek is toegestaan, waarna een datum voor arrest is bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Met de invulling en ondertekening van de SO-formulieren hebben partijen ingestemd met het SOR en worden zij geacht de conclusies als bedoeld in artikel 347 lid 1 Rv te hebben genomen (zie ook de artikelen 3.3 en 3.4 SOR). Zoals volgt uit artikel 3.3 SOR, luidt de enige grief van [appellante] dat de rechtbank Rotterdam team kanton, locatie Rotterdam – hierna ook: de kantonrechter – in het vonnis van 29 april 2016 niet heeft beslist overeenkomstig hetgeen [appellante] in eerste aanleg heeft gevorderd. [geïntimeerde] heeft ter comparitie verklaard dat zij incidenteel beroep instelt met als grief dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft beslist overeenkomstig hetgeen zij in eerste aanleg heeft gevorderd. Hoewel [geïntimeerde] hiervan geen aantekening heeft gemaakt op het door haar ingevulde SO-formulier – dat daarvoor overigens ook niet een voorgedrukte formulering bevat – blijkt van het ingestelde appel voldoende uit het opgemaakte proces-verbaal. [appellante] mag voorts geacht worden een conclusie van antwoord in het incidenteel appel te hebben genomen.

2. Het hof ziet zich eerst gesteld voor de vraag of deze zaak zich wel leent voor toepassing van de second opinion-procedure. Deze vraag doet zich voor nu de second opinion-procedure is ontworpen voor zaken waarin in hoger beroep geen nadere bewijslevering nodig is, terwijl in deze zaak mogelijk wel nadere bewijslevering nodig zal zijn, namelijk over de vraag of [appellante] in 2008 aan [geïntimeerde] heeft laten weten dat zij de verzekeringen wilde opzeggen. Met partijen is hierover ter comparitie gesproken. Beide partijen hebben te kennen gegeven dat zij hun stellingen in eerste aanleg helder uiteengezet hebben en dat zij daaraan verder niets hebben toe te voegen, zodat bij hen, mede gelet op het beperkte financiële belang van de zaak, geen behoefte bestaat aan het nemen van memories van grieven en van antwoord. Voorts hebben beide partijen verklaard dat zij het hof in afwijking van het SOR wel ruimte willen laten voor het geven van een bewijsopdracht.

3. Het hof is van oordeel dat nu beide partijen van oordeel zijn dat hun standpunten voldoende duidelijk blijken uit de in eerste aanleg ingediende processtukken, partijen kunnen worden gevolgd in hun wens om in hoger beroep de te procederen met toepassing van het SOR, met dien verstande dat het hof zo nodig wel een bewijsopdracht zal kunnen geven en voorts dat het hof bij de beoordeling wel rekening zal houden met de stukken die voorafgaand aan en tijdens de comparitie zijn overgelegd.

4. Het hof heeft kennisgenomen van de stukken van de eerste aanleg en gaat uit van de door de rechtbank in het bestreden vonnis vastgestelde feiten. Het gaat in deze zaak, kort weergegeven, om het volgende. [appellante] heeft zowel zakelijk als privé diverse verzekeringen gesloten waarvoor [geïntimeerde] als assurantietussenpersoon optrad. De voldoening van de premies voor deze verzekeringen ging aldus in zijn werk dat de premies eerst ten laste van [geïntimeerde] werden geboekt in de rekening-courantverhouding die hij met elk van de verzekeraars had, waarna [geïntimeerde] de ten laste van hem gekomen premies vervolgens met gebruikmaking van een incassomachtiging van een bankrekening van [appellante] inde. In 2008 is tussen partijen discussie ontstaan over de door [geïntimeerde] geïnde premiebedragen. Volgens [appellante] heeft zij toen aan [geïntimeerde] te kennen gegeven dat de verzekeringen opgezegd moesten worden. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellante] slechts te kennen gegeven dat zij de incassomachtiging introk en dat zij de premies voortaan zelf aan [geïntimeerde] zou voldoen. De vordering van [geïntimeerde] heeft voor een bedrag van € 7.171,45 betrekking op ten laste van [geïntimeerde] gekomen premies waarvoor hij betaling van [appellante] verlangt. Daarnaast vordert [geïntimeerde] terugbetaling van een bedrag van € 892,88 dat [geïntimeerde] aan [appellante] heeft betaald in verband met door [appellante] geleden schade aan haar woning. Volgens [geïntimeerde] diende [appellante] in verband daarmee nog wel een factuur over te leggen van de uitgevoerde reparatie en heeft zij dit nagelaten; [appellante] betwist dit en stelt dat zij indertijd al een factuur heeft overgelegd. Daarnaast maakt [geïntimeerde] aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten en op wettelijke rente.

5. De kantonrechter heeft de vordering ter zake van de premies toegewezen, de vordering ter zake van de schade aan de woning en de buitengerechtelijke kosten afgewezen en de wettelijke rente toegewezen met ingang van de datum van de inleidende dagvaarding.

In het principaal appel:

6. Het hof zal eerst het principaal appel behandelen. De grief van [appellante] houdt in dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft beslist overeenkomstig hetgeen [appellante] in eerste aanleg heeft gevorderd, te weten tot afwijzing van de vorderingen. Het geschil van partijen spitst zich toe op de vraag of [appellante] de verzekeringen in 2008 heeft opgezegd. [appellante] stelt dat dit het geval is en heeft zich daartoe beroepen op het in 2.8 van het bestreden vonnis aangehaalde e-mailbericht dat de broer van [appellante] namens haar op 7 oktober 2008 aan [geïntimeerde] heeft gezonden. Daarnaast heeft [appellante] gesteld dat zij telefonisch aan [geïntimeerde] heeft laten weten dat verzekeringen werden opgezegd.

7. Het hof is evenals de kantonrechter van oordeel dat uit het e-mailbericht van 7 oktober 2008 niet kan worden afgeleid dat [appellante] de verzekeringen wenste op te zeggen. In het bericht wordt over de zakelijke verzekeringen in het geheel niet gesproken. Met betrekking tot de privé-verzekeringen wordt slechts becijferd dat [appellante] voor deze verzekeringen tot “eind datum alle verzekeringen” een bedrag van € 298,14 moest betalen, alsmede dat de aan [geïntimeerde] verleende incasso-machtiging werd ingetrokken en dat [geïntimeerde] verzocht werd hiervan geen gebruik meer te maken. Volgens [geïntimeerde] bracht de intrekking van de incassomachtiging mee dat zij voortaan facturen aan [appellante] zou zenden voor de ten laste van haar gebrachte premies. Dit vindt bevestiging in het door de broer van [appellante] namens haar op 9 maart 2009 aan [geïntimeerde] gezonden e-mailbericht, inhoudende:

“Geachte heer [geïntimeerde] ,

Naar aanleiding van uw bezoek heden morgen, en de ontvangen facturen, het volgende.

U schrijft op de facturen dat deze geïncasseerd zullen worden conform de verleende machtigingen, wij gaan er vanuit dat dit een slip of the pen is.

Alle machtigingen die u had moet u zien als ingetrokken.

Hoop dat u correcte facturen op kunt sturen.”

Uit dit bericht volgt dat [appellante] inderdaad niet langer wenste dat facturen voor de premies door [geïntimeerde] zouden worden geïncasseerd van haar rekening krachtens de eerder verstrekte incassomachtiging, maar dat zij daarvoor van [geïntimeerde] correcte facturen wenste te ontvangen. In het midden kan blijven of [geïntimeerde] de overgelegde facturen, waarvan [appellante] de ontvangst heeft betwist, daadwerkelijk heeft verzonden, nu in elk geval vast staat dat [appellante] ook na het e-mailbericht van 7 oktober 2008 bereid was tot voldoening van aan haar gefactureerde premies van de via [geïntimeerde] lopende verzekeringen. Nu dit gegeven zich niet verdraagt met de stelling van [appellante] dat zij ook telefonisch aan [geïntimeerde] had laten weten dat de verzekeringen moesten worden opgezegd, had het op de weg van [appellante] gelegen om deze verder op geen enkele wijze geconcretiseerde stelling nader feitelijk te onderbouwen. Nu zij dit heeft nagelaten, zal het hof aan deze stelling verder als onvoldoende gemotiveerd voorbij gaan.

8. De kantonrechter heeft het verweer van [appellante] dat [geïntimeerde] zich niet kan beroepen op eventuele onduidelijkheid of onvolledigheid van de door haar gedane opzegging omdat artikel 6:89 BW daaraan in de weg staat, terecht verworpen. De genoemde bepaling heeft betrekking op de gehoudenheid van een schuldeiser om binnen bekwame tijd na ontdekking van een gebrek in de prestatie door zijn schuldenaar te protesteren. Nu de door [appellante] gestelde opzegging niet beschouwd kan worden als een door haar als schuldenaar jegens [geïntimeerde] als schuldeiser verrichte prestatie, is art. 6:89 BW daarop niet van toepassing.

9. Uit het voorgaande vloeit voort dat [appellante] gehouden is om aan [geïntimeerde] de premies te vergoeden die [geïntimeerde] aan verzekeraars heeft voldaan. Tussen partijen staat vast – zie overweging 2.6 van het bestreden vonnis – dat [appellante] over de periode 1 januari 2004 tot 1 januari 2009 een bedrag van € 1.649,45 aan premies voor zakelijke verzekeringen en over de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011 een bedrag van € 5.522,00 aan premies voor privé verzekeringen onbetaald heeft gelaten. Partijen hebben ter comparitie verklaard het erover eens te zijn dat de overwegingen 3.2 en 4.2 van het vonnis een kennelijke fout bevatten in die zin dat de bedragen voor zakelijke resp. privé verzekeringen zijn verwisseld, maar dat het dictum van het bestreden vonnis zonder deze kennelijke fout niet anders zou hebben geluid. Het hof verenigt zich met het oordeel van de kantonrechter dat de hoogte van de gevorderde premiebedragen voor de zakelijke verzekeringen niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, is bestreden en maakt dit oordeel tot het zijne. Dat geldt eveneens voor het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] de gevorderde premiebedragen voor de privé-verzekeringen qua hoogte onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Daarin wordt geen verandering gebracht door de rekeningafschriften die [appellante] voorafgaand aan de comparitie in het geding heeft gebracht. Met deze stukken heeft [appellante] willen betogen, zo begrijpt het hof, dat op de vordering van [geïntimeerde] een bedrag van per saldo € 1.601,64 in mindering dient te worden gebracht in verband met uit de rekeningafschriften blijkende betalingen door [appellante] na 2 mei 2008, met welke betalingen door [geïntimeerde] geen rekening zou zijn gehouden. Uit de rekeningafschriften kan evenwel slechts worden afgeleid dat [appellante] na 2 mei 2008 per saldo, rekening houdend met een eveneens daaruit blijkende stornering, een bedrag van € 1.183,39 aan [geïntimeerde] heeft voldaan, terwijl uit de inleidende dagvaarding, onderdeel 6, blijkt dat [geïntimeerde] reeds rekening heeft gehouden met van [appellante] ontvangen betalingen van na 2 mei 2008 ten bedrage van € 1.183,39.

10. Het principaal appel slaagt derhalve niet.

In het incidenteel appel:

11. [geïntimeerde] heeft betaling gevorderd van € 892,88 ter zake van een door [appellante] aan haar woning geleden en in beginsel onder een van de via [geïntimeerde] lopende verzekeringen gedekte schade. Volgens [geïntimeerde] heeft zij dit bedrag aan [appellante] voorgeschoten op basis van een door [appellante] gepresenteerde offerte op voorwaarde dat zij aan [geïntimeerde] de factuur ter zake van de uitgevoerde herstelwerkzaamheden zou overhandigen. [appellante] betwist niet dat zij het genoemde bedrag heeft ontvangen, maar stelt dat zij, zonder daarvan een kopie te bewaren, een rekening heeft ingeleverd en dan ook terecht betaling heeft verkregen, omdat [geïntimeerde] dit bedrag immers niet voor niets betaalt. [appellante] beroept zich verder op verjaring, nu de offerte waarop door [geïntimeerde] zou zijn betaald dateert van 30 januari 2008 en [geïntimeerde] eerst aanspraak op terugbetaling heeft gemaakt bij brief van 17 juni 2013. [geïntimeerde] bestrijdt het beroep op verjaring, nu de betaling dateert van 28 mei 2008 en daarna nog een handeling is verricht en in de correspondentie op een eerder moment over de vordering is gesproken, in ieder geval in de brief van 17 juni 2013 (productie 10 bij inleidende dagvaarding).

12. Het hof oordeelt als volgt. Uit de door [geïntimeerde] voor de comparitie in eerste aanleg overgelegde stukken (productie 11) blijkt dat [appellante] de offerte van 30 januari 2008 op 3 maart 2008 aan [geïntimeerde] heeft gezonden. De betaling heeft vervolgens plaatsgevonden op 28 mei 2008. Nergens blijkt uit dat de betaling daadwerkelijk het karakter had van een voorschot, door [geïntimeerde] vooruitlopend op de ontvangst van een nog over te leggen factuur gedaan. In haar brief van 17 juni 2013 spreekt [geïntimeerde] van ‘het door ons “voorgeschoten” schadebedrag ad € 892,88’, hetgeen doet vermoeden dat de betaling indertijd niet als zodanig aan [appellante] is gepresenteerd. Als het inderdaad ging om een voorschot, mocht van [geïntimeerde] worden verwacht dat zij nader had uiteengezet op welke wijze dit tussen partijen was overeengekomen en, zo dit niet het geval was, op grond waarvan het aan [appellante] niettemin duidelijk had moeten zijn dat het ging om een voorschot. Het hof is gelet op dit een en ander van oordeel dat [geïntimeerde] dit deel van haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd.

13. [geïntimeerde] heeft voorts betaling gevorderd van buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter heeft dit deel van haar vordering afgewezen op grond van overwegingen die het hof overneemt en tot de zijne maakt.

14. Ten slotte heeft [geïntimeerde] vergoeding gevorderd van wettelijke rente over de haar toekomende bedragen ‘vanaf de vervaldag’. De kantonrechter heeft de wettelijke rente gematigd en deze slechts toegewezen vanaf de dag der dagvaarding, nu [geïntimeerde] lange perioden heeft stilgezeten en dit, gelet op de omstandigheden van het geval en de soort relatie die partijen hadden, haar te verwijten is. Ook op dit punt verenigt het hof zich met de overwegingen van de kantonrechter en maakt deze tot de zijne.

15. Het incidentele appel slaagt derhalve niet.

In het principaal appel en het incidenteel appel:

16. De slotsom is dat zowel het principaal appel als het incidenteel appel niet slaagt en dat het bestreden vonnis derhalve zal worden bekrachtigd. In het principaal appel zal [appellante] in de proceskosten worden veroordeeld als hierna vermeld. In het incidenteel appel zal [geïntimeerde] in de proceskosten worden veroordeeld als hierna vermeld.

Beslissing

Het hof:

in het principaal appel en het incidenteel appel:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam team kanton, locatie Rotterdam, van 29 april 2016;

in het principaal appel:

- veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot heden berekend op

€ 718,-- aan griffierecht en € 632,-- aan salaris advocaat, en verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

in het incidenteel appel:

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot heden berekend op

€ 316,-- aan salaris advocaat, en verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

Dit arrest is gewezen door mrs. F.R. Salomons, M.M. Olthof en M. Flipse en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 oktober 2016 in aanwezigheid van de griffier.