Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3047

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-09-2016
Datum publicatie
19-10-2016
Zaaknummer
BK-15/00813
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:8096, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1317, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of met betrekking tot de aanvang van de termijn waarbinnen met vrucht alsnog kan worden gekozen voor verruimde achterwaartse verliesverrekening, dient te worden aangeknoopt bij de dagtekening van de verrekeningsbeschikking van 27 juli 2013. Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, is in geschil of de overschrijding van de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2237
FutD 2016-2552
Viditax (FutD), 20-10-2017
Viditax (FutD), 17-08-2018
NTFR 2016/2915 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-15/00813

Uitspraak van 13 september 2016

in het geding tussen:

[X] B.V., gevestigd te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 23 juni 2015, nummer SGR 14/8849, betreffende de hierna vermelde aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 269.005 negatief. Gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur bij beschikking het verlies van dat jaar vastgesteld op € 269.005.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van € 980 en vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 328 gelast.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 497.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend en het incidenteel ingestelde hoger beroep beantwoord.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 juli 2016, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1.

Belanghebbende heeft op 5 juni 2012 aangifte Vpb over het jaar 2010 gedaan naar een belastbaar bedrag van € 269.005 negatief. In de aangifte is per abuis niet de keuze gemaakt om gebruik te maken van de verruimde achterwaartse verliesverrekening van artikel 20, lid 10, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst: 2010, hierna: de Wet). Op dat moment waren de volgende aanslagen in de vennootschapsbelasting vastgesteld:

2007: € 107.456

2008: € 256.345

2009: -/- € 51.582

3.2.

Met dagtekening 13 juli 2013 is de aanslag Vpb 2010 conform de ingediende aangifte vastgesteld. Op hetzelfde biljet is bij separate beschikking het verlies van het boekjaar 2010 vastgesteld op € 269.005.

3.3.

Met dagtekening 20 juli 2013 is de aanslag Vpb 2011 vastgesteld. Op hetzelfde biljet is bij separate beschikking het verlies van het boekjaar 2011 vastgesteld op € 13.200 en is medegedeeld dat het totaalbedrag van nog verrekenbare verliezen thans € 282.205 bedraagt.

3.4.

Bij beschikking van 27 juli 2013 heeft de Inspecteur de aanslag Vpb 2008 met een bedrag van € 13.200 verminderd als gevolg van het verlies dat in 2011 is geleden (hierna: de verrekeningsbeschikking). Verder is medegedeeld dat het totaalbedrag van de nog te verrekenen verliezen € 269.005 bedraagt.

3.5.

Na haar vakantie heeft de bestuurder van belanghebbende op 26 augustus 2013 de inhoud van de hiervoor vermelde aanslagbiljetten en verrekeningsbeschikking besproken met haar adviseur. Geconstateerd werd dat ten onrechte het verlies over het jaar 2010 nog niet was verrekend met de belastbare winst over het jaar 2008.

3.6.

Bij brief met dagtekening 27 augustus 2013 heeft de adviseur namens belanghebbende de Inspecteur verzocht om het verlies van 2010 te verrekenen met de winsten van de jaren 2007 en 2008. Deze brief is door de Inspecteur opgevat als bezwaar tegen de aanslag Vpb 2010.

3.7.

Na telefonisch contact te hebben gehad met de Inspecteur, heeft de adviseur het bezwaarschrift op 3 september 2013 per email aan de Inspecteur gestuurd. Op 4 september 2013 is telefonisch aan de adviseur medegedeeld dat het bezwaar te laat is ingediend en dat ambtshalve inwilliging van het verzoek niet mogelijk is.

3.8.

Bij brief met dagtekening 13 september 2013 heeft [Y] , het kantoor dat de aangifte Vpb 2010 heeft verzorgd, een verzoek om ambtshalve herziening ingediend. De Inspecteur heeft op 4 oktober 2013 telefonisch medegedeeld niet aan het verzoek tegemoet te zullen komen en het verzoek als ingetrokken te beschouwen.

3.9.

Bij brief met dagtekening 31 oktober 2013 heeft [Y] een verzoek om toepassing van de hardheidsclausule ex artikel 63 AWR ingediend bij het ministerie van Financiën. Dit verzoek is niet gehonoreerd.

3.10.

Bij brief met dagtekening 7 augustus 2014 heeft de huidige gemachtigde van belanghebbende verzocht om afhandeling van het hiervoor in 3.6 vermelde bezwaar en daarbij aangegeven dat de brief van 27 augustus 2013 moet worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de verliesverrekening zonder toepassing van de verruimde carry back. Zij heeft daarbij tevens het bezwaar nader toegelicht en verzocht te worden gehoord.

3.11.

Bij uitspraak op bezwaar van 18 augustus 2014 heeft de Inspecteur het bezwaar wegens termijnoverschrijding kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Tussen partijen is in geschil of met betrekking tot de aanvang van de termijn waarbinnen met vrucht alsnog kan worden gekozen voor verruimde achterwaartse verliesverrekening, dient te worden aangeknoopt bij de dagtekening van de verrekeningsbeschikking van 27 juli 2013. Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, is in geschil of de overschrijding van de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend. De Inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

4.2.

In het incidenteel ingestelde hoger beroep is in geschil of de hoorplicht is geschonden.

4.3.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, wordt verwezen naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot ontvankelijk verklaring van het bezwaarschrift, de Inspecteur te gelasten de verrekeningsbeschikking (voor het jaar 2008) vast te stellen op € 161.549 alsmede een verliesverrekeningsbeschikking voor het jaar 2007 vast te stellen van € 107.456, tot toekenning van een proceskostenvergoeding en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.

5.2.

Het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur strekt tot vernietiging van de uitspraak van Rechtbank inzake de veroordeling tot een proceskostenvergoeding.

Oordeel van de Rechtbank

6. De Rechtbank heeft omtrent het geschil het volgende overwogen:

"10. Ingevolge artikel 20, tiende lid, van de van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (de Wet; tekst 2010) kan bij aangifte voor toepassing van de verruimde achterwaartse verliesverrekening worden gekozen. Vaststaat dat [belanghebbende] dit niet heeft gedaan. Het Besluit Fiscaal Bestuursrecht bepaalt dat in gevallen waarin een belanghebbende bij de aangifte een verzoek had moeten doen voor toepassing van een fiscale faciliteit, een dergelijk verzoek niet meer succesvol kan worden gedaan nadat de aanslag onherroepelijk vast is komen te staan, dan wel de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken (Besluit van 18 december 2013, nr. BLKB2013/995M, onderdeel 17, achtste lid, onder c). Toepassing van de verruimde achterwaartse verliesverrekening is dus slechts mogelijk indien de aanslag op 27 augustus 2013 (datum indiening verzoek) niet onherroepelijk vaststond. Dit is het geval indien het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.

11. Niet in geschil is dat het bezwaarschrift buiten de bezwaartermijn is ingediend. Ingevolge artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.

12. Op 27 juli 2013 - ruim vóór afloop van de bezwaartermijn - is de in 4 [zie 3.4; Hof] genoemde verliesverrekeningsbeschikking gegeven waaruit kon worden opgemaakt dat de verruimde verliesverrekening ten aanzien van de in 2010 geleden verliezen niet was toegepast. De bestuurder van [belanghebbende] heeft deze beschikking op 26 augustus 2013 - de laatste dag van de bezwaartermijn - met haar accountant besproken. Zij hebben toen geconstateerd dat de verruimde achterwaartse verliesverrekening voor 2010 niet was toegepast. Omdat zij in de veronderstelling verkeerden dat hiervoor bij de aangifte wel was gekozen, namen zij aan dat de fout bij de belastingdienst lag. Nadat de accountant telefonisch contact had gehad met de belastingdienst en had vernomen dat in de aangifte niet was geopteerd voor de verruimde achterwaartse verliesverrekening, is op 27 augustus 2013 het verzoekschrift ingediend.

13. Dat de verrekeningsbeschikking door vakantie van de bestuurder van [belanghebbende] pas op 26 augustus 2013 met de accountant is besproken en zij (ook) toen de aangifte niet hebben gecontroleerd, maar veronderstelden dat de fout bij de belastingdienst lag waardoor niet tijdig (pro forma) bezwaar is ingediend, dient naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van [belanghebbende] te blijven. Deze omstandigheden kunnen dus niet tot verschoonbaarheid leiden. Verder heeft [belanghebbende], tegenover gemotiveerde betwisting van [de Inspecteur], niet aannemelijk gemaakt dat een rechtsmiddelenverwijzing op de aanslag ontbrak. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is derhalve geen sprake. De stelling van [belanghebbende] dat ten aanzien van de bezwaartermijn moet worden aangesloten bij de verliesverrekeningsbeschikking volgt de rechtbank niet. Uit hetgeen hierboven in 10 is overwogen, volgt dat het verzoek moet worden gedaan voordat de aanslag onherroepelijk vaststaat. De vaststelling van de verliesverrekeningsbeschikking is daarbij niet relevant.

14. Ten aanzien van de stelling van [belanghebbende] dat de hoorplicht is geschonden overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 7:2 van de Awb stelt het bestuursorgaan voordat het op een bezwaar beslist de belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord.

Daarvan kan ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, dat wil zeggen dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over de niet-ontvankelijkheid.

15. Vaststaat dat [belanghebbende] [de Inspecteur] heeft verzocht om te worden gehoord. Gelet op hetgeen door [belanghebbende] in de bezwaarfase is aangevoerd omtrent de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de ontvankelijkheid van het bezwaar. [De Inspecteur] was dan ook gehouden [belanghebbende] te horen. De rechtbank zal het beroep van [belanghebbende] daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

16. De rechtbank ziet echter aanleiding om, gelet op hetgeen in de onderdelen 10 tot en met 13 is overwogen, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Proceskosten

17. Nu het beroep gegrond is vindt de rechtbank aanleiding [de Inspecteur] te veroordelen in de kosten die [belanghebbende] in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 980 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1)."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

In artikel 23, lid 8, letter c, van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 15 februari 2016, nr. BLKB2016/19, Stcrt. 2016, 9680 (hierna: het BFB) is bepaald dat in gevallen waarin de belanghebbende bij de aangifte een keuze had moeten maken voor toepassing van een fiscale faciliteit, een dergelijke keuze niet meer succesvol kan worden gemaakt nadat de aanslag onherroepelijk vast is komen te staan, dan wel de bezwaar- of de beroepstermijn is verstreken. In dergelijke gevallen wordt door de Inspecteur geen ambtshalve vermindering of teruggaaf van belastingen verleend. Een vergelijkbare regeling was opgenomen in de voorlopers van het BFB (zie het Besluit van 16 december 2010, nr. DGB2010/6799M, Stcrt. 2010, 20 999, BNB 2011/88, onderdeel 3, lid 1, letter c, het BFB van 18 december 2013, nr. BLKB2013/995M, Stcrt. 2013, 35879, onderdeel 17, lid 8, letter c en het BFB van 7 januari 2015, nr. BLKB2015/62M, Stcrt. 2015, 959, onderdeel 21, lid 8, letter c).

7.2.

Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 27 augustus 2013 de Inspecteur laten weten dat bij het invullen van het aangiftebiljet een fout is gemaakt en de Inspecteur verzocht het verlies van 2010 alsnog te verrekenen met de winsten van de jaren 2007 en 2008. Deze brief is door de Inspecteur – in overeenstemming met de bedoeling van belanghebbende - opgevat als bezwaar tegen de onderhavige aanslag (zie 3.6 en 3.10). Tussen partijen is niet in geschil dat dit bezwaarschrift niet tijdig is ingediend, zodat de aanslag in beginsel - behoudens indien de termijnoverschrijding verschoonbaar is (zie dienaangaande 7.5 e.v. hierna) - onherroepelijk vaststaat. Aangezien dit standpunt niet uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, sluit het Hof zich hierbij aan.

7.3.

Belanghebbende betoogt evenwel onder verwijzing naar het bepaalde in artikelen 3:4 en 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dat het in dit geval onredelijk is om vast te houden aan de in het BFB neergelegde beleid dat herstel van een bij de aangifte gemaakte vergissing alleen nog kan plaatsvinden tot de aanslag onherroepelijk is geworden, aangezien verliesverrekening niet altijd gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag plaatsvindt maar veelal pas (veel) later. Naar de mening van belanghebbende moet voor de termijn waarbinnen herstel kan plaatsvinden dan ook geen aansluiting worden gezocht bij het onherroepelijk worden van de aanslag, maar bij het onherroepelijk worden van de verliesverrekeningsbeschikking waarin naar voren komt dat de verruimde achterwaartse verliesverrekening niet heeft plaatsgevonden.

7.4.

Dit betoog faalt, reeds omdat in het onderhavige geval geen sprake is van een geval waarin de in het BFB neergelegde herstelmogelijkheid niet kon worden geëffectueerd. Immers, de verrekeningsbeschikking waaruit kan worden opgemaakt dat de verruimde verliesverrekening ten aanzien van de in 2010 geleden verliezen niet is toegepast, is op 27 juli 2013 gegeven, derhalve ruim vóór afloop van de bezwaartermijn van de onderhavige aanslag op 26 augustus 2013. Het Hof acht bovendien niet onredelijk dat de staatsecretaris van Financiën heeft ervoor gekozen aan te sluiten bij het onherroepelijk worden van de aanslag.

7.5.1.

Belanghebbende betoogt voorts dat geen rechtsmiddelenclausule op het aanslagbiljet was vermeld en dat de Rechtbank ten onrechte de bewijslast dienaangaande bij belanghebbende heeft gelegd. In dit verband heeft zij aangevoerd dat het aanslagbiljet een op de zaak betrekking hebbend stuk is in de zin van artikel 8:42 van de Awb en dat de Inspecteur niet heeft voldaan aan de in deze bepaling neergelegde verplichting tot inzending van dat stuk.

7.5.2.

De Inspecteur heeft de stelling dat een rechtsmiddelenclausule ontbrak gemotiveerd weersproken onder verwijzing naar een door hem overgelegd blanco standaard aanslagbiljet (het zogenoemde AL660-aanslagbiljet), zoals dat door de Centrale Administratie van de Belastingdienst te Apeldoorn voor de vennootschapsbelasting wordt gebruikt. De achterkant van het AL660-aanslagbiljet is voorbedrukt en bevat een rechtsmiddelenclausule. De Inspecteur heeft ook een schermprint van de aanslaggegevens overgelegd. De Inspecteur heeft gesteld dat de aanslag vanuit de Centrale Administratie van de Belastingdienst is verzonden.

7.5.3.

Belanghebbende - die in het kader van haar verweer dat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is, daarvan de bewijslast draagt - heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij een aanslagbiljet zonder rechtsmiddelenverwijzing heeft ontvangen.

7.5.4.

De Inspecteur heeft ter zitting gesteld het originele aanslagbiljet niet te kunnen overleggen, omdat hij daar niet over beschikt. Het Hof acht de verklaring van de Inspecteur, dat hij geen mogelijkheden heeft om het originele aanslagbiljet te kunnen overleggen, geloofwaardig. Daarom kan niet worden gezegd dat de Inspecteur, door geen afschrift van de originele aanslag te overleggen, niet heeft voldaan aan de in artikel 8:42 van de Awb opgenomen verplichting.

7.5.5.

Belanghebbende zelf heeft alleen een afschrift van de voorzijde van het originele aanslagbiljet overlegd. Deze door haar overgelegde voorzijde van de onderhavige aanslag stemt overeen met de voorzijde van het door de Inspecteur overgelegde blanco AL660-aanslagbiljet. De Inspecteur heeft gesteld - hetgeen belanghebbende niet heeft betwist - dat de aanslag geautomatiseerd vanuit Apeldoorn is verzonden, waarbij de Centrale Administratie van de Belastingdienst bij aanslagen vennootschapsbelasting gebruik maakt van voorgedrukte AL660-aanslagbiljetten. Op grond hiervan is het vermoeden gerechtvaardigd dat de door belanghebbende ontvangen aanslag een voorbedrukte achterkant met rechtsmiddelenclausule bevat. Dit bewijsvermoeden kan door belanghebbende worden ontzenuwd door voldoende sterk tegenbewijs te leveren. Daarvoor is vereist dat op grond van hetgeen belanghebbende aanvoert, redelijkerwijs de juistheid van het op grond van het vermoeden aangenomen feit moet worden betwijfeld. Belanghebbende is daarin niet geslaagd. Dat zij niet in staat is dit bewijs te leveren nu zij het originele aanslagbiljet niet (meer) kan overleggen, aangezien – naar zij heeft gesteld – het aanslagbiljet alleen nog gedeeltelijk (alleen de voorzijde) digitaal beschikbaar is, komt voor haar risico.

7.6.1.

Belanghebbende stelt voorts dat, mocht het aanslagbiljet wel een rechtsmiddelenclausule hebben bevat, deze dan zo onduidelijk was dat hieruit niet kon worden afgeleid dat zij bezwaar had moeten maken. In het kader van het betoog dat de termijnoverschrijding als verschoonbaar in de zin van artikel 6:11 van de Awb is te beschouwen, is voorts aangevoerd dat het gaat om een minimale termijnoverschrijding, dat de bestuurder van belanghebbende na haar vakantie meteen actie heeft ondernomen en dat in de gegeven omstandigheden niet meer van haar kon worden verwacht, mede gelet op de complexiteit van de onderhavige problematiek.

7.6.2.

Het Hof acht de rechtsmiddelenverwijzing als vermeld op een AL660-aanslagbiljet voldoende duidelijk, nu daaruit volgt waartegen, op welke wijze en binnen welke termijn er bezwaar gemaakt kan worden, zodat de termijnoverschrijding op die grond niet verschoonbaar is.

7.6.3.

Bovendien is de overschrijding van de bezwaartermijn mede het gevolg te achten van de vakantie van de bestuurder, alsmede van een inschattingsfout aan de zijde van belanghebbende c.q. haar adviseur (dat het niet toepassen van de verruimde achterwaartse verliesverrekening lag aan een fout van de belastingdienst), waardoor ook op die grond moet worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is (vgl. HR 13 februari 2004, nr. 38483, ECLI:NL:HR:2004:AO3640, BNB 2004/159, r.o. 3.5).

7.6.4.

Het Hof merkt voorts nog op dat belanghebbende werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener, die, naar moet worden aangenomen, redelijkerwijs wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar tegen een aanslag moest maken. Bij een tot de gedingstukken behorende brief van 10 mei 2012 van [Y] is belanghebbende erop gewezen dat zij, om te voorkomen dat de termijnen voor het indienen van eventuele bezwaarschriften zouden verlopen, door haar te ontvangen aanslagbiljetten zo spoedig mogelijk ter controle diende door te zenden aan haar adviseur. Belanghebbende heeft zulks, na haar vakantie, ook gedaan (zie 3.5). Niets stond belanghebbende c.q. haar adviseur in de weg op dat moment tijdig (pro forma) bezwaar in te dienen. Op grond van deze omstandigheden kan dan ook niet worden geoordeeld dat belanghebbende redelijkerwijs niet in verzuim is geweest door pas na afloop van de bezwaartermijn een bezwaarschrift in te dienen.

7.7.

Het voorgaande leidt het Hof tot de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is.

Beoordeling van het incidenteel hoger beroep

8.1.

Het betoog van de Inspecteur dat hij op grond van het bepaalde in artikel 7:3 Awb niet was gehouden om belanghebbende te horen omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk was, faalt. Anders dan de Inspecteur meent, blijkt uit de door de nieuwe gemachtigde ingediende aanvulling van 7 augustus 2014 op het bezwaarschrift niet van een evident niet-verschoonbare reden van de termijnoverschrijding. De Inspecteur had derhalve belanghebbende, conform haar verzoek, in de gelegenheid moeten stellen om te worden gehoord. Ook tijdens het hoorgesprek had belanghebbende immers nog omstandigheden kunnen aanvoeren die de termijnoverschrijding mogelijkerwijs verschoonbaar zouden maken.

8.2.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook het incidenteel hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

9.1.

In het principaal ingestelde hoger beroep acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

9.2.

In het incidenteel ingestelde hoger beroep acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, vast op € 744 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (1 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep à € 496 x 1,5 voor het gewicht van de zaak).

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank; en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 744.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. W.M.G. Visser, J.J.J. Engel en D.M. Drok, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 13 september 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.