Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3019

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
21-10-2016
Zaaknummer
BK-16/00001
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:13288, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de Ontvanger belanghebbende terecht aansprakelijk heeft gesteld voor het door voor het door zijn broer verschuldigde doch niet betaalde bedrag van € 3.100.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2544
ERF-Updates.nl 2016-0193
NLF 2016/0418 met annotatie van Jacques Raaijmakers
V-N Vandaag 2016/2262
RN 2017/5
Belastingadvies 2016/24.9
V-N 2017/13.19

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-16/00001

Uitspraak d.d. 3 augustus 2016

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de ontvanger van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, de Ontvanger,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 18 november 2015, nummer SGR 15/3651, betreffende de onder 1.1. vermelde beschikking.

Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Belanghebbende is bij beschikking van de Ontvanger van 17 februari 2015 op grond van artikel 47 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) aansprakelijk gesteld voor de door de broer van belanghebbende onbetaald gelaten aanslag in de erfbelasting ten bedrage van € 3.100 (hierna: de beschikking).

1.2.

Het tegen de beschikking gemaakte bezwaar heeft de Ontvanger ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 124. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 mei 2016, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

[In] 2011 is overleden mevrouw [Y] (hierna: de erflaatster). Haar erfgenamen zijn haar vier kinderen: belanghebbende, diens twee zussen en diens broer. In haar testament heeft erflaatster belanghebbende aangewezen als executeur-testamentair.

3.2.

De nalatenschap is op 17 juli 2013 door alle erfgenamen beneficiair aanvaard.

3.3.

Belanghebbende heeft op 25 oktober 2013 aangifte voor de erfbelasting gedaan onder vermelding van "Beneficiair aanvaard sinds 17-7-2013".

3.4.

Aan ieder van de erfgenamen is, overeenkomstig de door belanghebbende ingediende aangifte, een aanslag in de erfbelasting ten bedrage van € 4.084 opgelegd en is bij gelijktijdig gegeven beschikking heffingsrente tot een bedrag van € 187 in rekening gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar is elk van de aanslagen en de gelijktijdig in rekening gebrachte heffingsrente verminderd met respectievelijk € 1.120 en € 51 tot € 2.964 en € 136. Drie erfgenamen, waaronder belanghebbende, hebben de aan ieder van hen opgelegde aanslag en in rekening gebrachte heffingsrente betaald. De broer van belanghebbende heeft de hem opgelegde aanslag en in rekening gebrachte heffingsrente niet betaald.

3.5.

Belanghebbende is bij beschikking van de Ontvanger van 17 februari 2015 op grond van artikel 47 IW aansprakelijk gesteld voor het door de broer van belanghebbende verschuldigde doch niet betaalde bedrag van (€ 2.964 + € 136 =) € 3.100.

3.6.

Het beroepschrift is op 27 april 2015 door belanghebbende ter post bezorgd en op 1 mei 2015 bij de Rechtbank Rotterdam afgegeven.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In geschil is of de Ontvanger belanghebbende terecht aansprakelijk heeft gesteld voor het door voor het door zijn broer verschuldigde doch niet betaalde bedrag van € 3.100.

4.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en stelt zich op het standpunt dat hij niet op grond van artikel 47 IW aansprakelijk kan worden gesteld, omdat hij bij het doen van de aangifte voor de erfbelasting als vereffenaar is opgetreden en niet in zijn hoedanigheid als executeur-testamentair heeft gehandeld.

4.3.

De Ontvanger beantwoordt de in geschil zijnde vraag bevestigend en heeft het standpunt van belanghebbende in zijn verweerschrift in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

4.4.

Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en van de beschikking.

5.2.

De Ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De Rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Ontvanger als verweerder.

"(…)

6. Ingevolge artikel 47 van de IW zijn executeurs hoofdelijk aansprakelijk voor al de door en bij het overlijden van de erflater verschuldigde erfbelasting, tenzij de aangifte voor de erfbelasting niet door hen is gedaan.

7. Vast staat dat eiser de aangifte heeft gedaan in zijn hoedanigheid van executeur-testamentair. Op die grond is hij hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de aanslagen erfbelasting. Vast staat voorts dat één van de erfgenamen de aanslag niet heeft betaald en ook geen verhaal biedt. Verweerder heeft dan ook terecht en op goede gronden eiser aansprakelijk gesteld voor de betaling van deze aanslag. De al dan niet beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap speelt bij een aansprakelijkstelling als de onderhavige geen rol. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de (medische) problemen van eiser, biedt de wet geen aanknopingspunten om op grond daarvan de aansprakelijkstelling niet in stand te laten.

8. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

Beoordeling van het hoger beroep

Ontvankelijkheid beroep

7.1.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan op de dag na die van dagtekening van een uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen is vóór de dag van die bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het eind van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

7.2.

De dagtekening van de uitspraak op bezwaar is 18 maart 2015. De stukken van het geding bieden geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat de uitspraak op bezwaar pas na die datum is verzonden. Derhalve is de termijn voor het indienen van een beroepschrift aangevangen op 19 maart 2015 en geëindigd op 29 april 2015. Het beroepschrift is op 1 mei 2015 bij de Rechtbank ontvangen. Het poststempel op de envelop waarin het bezwaarschrift is verstuurd vermeldt als datum 1 mei 2015. Mitsdien is de beroepstermijn overschreden. Belanghebbende heeft gesteld dat hij in de veronderstelling verkeerde dat zijn rechtsbijstandverlener en gemachtigde [A] voor de (tijdige) indiening van het beroepschrift zorg zou dragen en dat hem pas op het laatste moment duidelijk werd dat [A] dit niet zou doen. Voorts heeft belanghebbende gesteld dat hij, zo spoedig mogelijk nadat hem gebleken was dat [A] geen beroepschrift bij de Rechtbank zou indienen, zelf een beroepschrift aan de Rechtbank heeft gezonden. Tenslotte heeft belanghebbende gesteld dat hij te maken had met diverse gezondheidsproblemen waardoor hij mogelijk trager heeft gereageerd op de ontdekking dat [A] het beroepschrift niet zou indienen dan hij zonder die problemen zou hebben gedaan. De Ontvanger heeft deze stellingen niet weersproken. Gelet op het een en ander is het Hof van oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende met betrekking tot het na afloop van de beroepstermijn ingediende beroepschrift in verzuim is geweest. Derhalve laat het Hof niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op grond van artikel 6:11 van de Awb achterwege.

Aansprakelijkstelling

7.3.

Op grond van artikel 47, eerste lid, IW zijn executeurs hoofdelijk aansprakelijk voor al de door en bij het overlijden van de erflater verschuldigde erfbelasting, tenzij de aangifte voor de erfbelasting niet door hen is gedaan (hierna: de executeursaansprakelijkheid) . De executeursaansprakelijkheid strekt zich ingevolge artikel 32, tweede lid, IW mede uit tot in te vorderen bedragen die verband houden met de belasting waarvoor de aansprakelijkheid geldt, waaronder de onder 3.4 en 3.5 vermelde heffingsrente, een en ander voor zover het belopen daarvan aan de aansprakelijke is te wijten. Ingevolge artikel 47, tweede lid, IW geldt de executeursaansprakelijkheid niet voor zover een executeur aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.

7.4.

Belanghebbende heeft gesteld dat hem ter zake van het niet voldoen van de verschuldigde erfbelasting door één van de erfgenamen geen verwijt kan worden gemaakt. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende.

7.5.

Artikel 47, tweede lid, IW, dat executeurs de mogelijkheid biedt zich van de executeursaansprakelijkheid te disculperen, is bij Wet van 22 december 2011, Stb. 640 (Wet overige fiscale maatregelen 2012 (hierna: Wet OFM 2012), art. XII aanhef en onderdeel Fa, aan artikel 47 IW toegevoegd. Dit geschiedde bij amendement, Kamerstukken II, 2011/12, nr. 9. Uit de toelichting op het amendement blijkt dat de bepaling ertoe strekt de executeursaansprakelijkheid niet van toepassing te doen zijn ingeval niet aannemelijk is dat als gevolg van een bewust dan wel een onzorgvuldig handelen van de executeur de materieel verschuldigde erfbelasting niet of niet volledig is geheven. Art. XII aanhef en onderdeel Fa is op 1 januari 2012 in werking getreden (artikel XXIII Wet OFM 2012). Er is niet voorzien in een overgangsregeling. Derhalve heeft de bepaling onmiddellijke werking en geldt zij ook voor erfbelasting die weliswaar vóór 1 januari 2012 materieel verschuldigd is geworden maar pas na die datum is geheven.

7.6.

Niet in geschil is dat belanghebbende de aangifte in de erfbelasting tot het juiste bedrag heeft gedaan en dat de erfbelasting tot het juiste bedrag is geheven. Van een bewust dan wel een onzorgvuldig handelen van de executeur als gevolg waarvan de materieel verschuldigde erfbelasting niet of niet volledig is geheven is derhalve geen sprake. Gelet op het vorenoverwogene is belanghebbende niet aansprakelijk voor de van zijn broer geheven doch door deze niet betaalde erfbelasting. Nu belanghebbende niet aansprakelijk is voor de zo-even bedoelde erfbelasting, is hij dat evenmin voor de aan de broer van belanghebbende in rekening gebrachte heffingsrente.

7.7.

Gelet op het vorenoverwogene dient te worden beslist zoals hieronder is vermeld.

Proceskosten

8.1.

Het Hof ziet geen aanleiding tot veroordeling van de Ontvanger in de proceskosten van belanghebbende omdat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

8.2.

De Ontvanger dient, nu het hoger beroep gegrond is, aan belanghebbende de griffierechten te vergoeden die belanghebbende in eerste aanleg (€ 45) en in hoger beroep (€ 124) heeft betaald.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de beschikking; en

- gelast de Ontvanger de in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 169 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. J.J.J. Engel en mr. drs. S.A.W.J. Strik, in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.A. Mijnans. De beslissing is op 3 augustus 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.