Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2993

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
11-10-2016
Zaaknummer
200.184.353/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Toewijzing huurrecht. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.184.353/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : 4609328\CV EXPL 15-6995

arrest d.d. 23 augustus 2016

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C. Car te Den Haag,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. H.H.R. Bruggeman te Lisse.

Het geding

De vrouw is bij exploot van 19 januari 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats [plaatsnaam] , rechtdoende als voorzieningenrechter, van 23 december 2015, gewezen tussen de vrouw als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie, en de man als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie, hierna: het bestreden vonnis.

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar wat de voorzieningenrechter daarover in het bestreden vonnis onder ‘1 en 2’ heeft vermeld.

De vrouw heeft bij memorie van grieven onder de punten 10-16 grieven aangevoerd.

De man heeft een memorie van antwoord genomen en heeft daarbij drie producties overgelegd.

Op verzoek van de vrouw heeft het hof pleidooi bepaald, dat is gehouden op 27 juli 2016.

Verschenen zijn de vrouw met haar advocaat en de advocaat van de man. Laatstgenoemde heeft pleitnotities overgelegd. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Partijen hebben ermee ingestemd, dat het hof recht doet op het bij gelegenheid van pleidooi overgelegde procesdossier.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis bepaald dat de man met ingang van 15 februari 2016 met uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] , welk vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Bij vonnis van 23 maart 2016, waartegen geen hoger beroep is ingesteld, heeft de voorzieningenrechter de vrouw veroordeeld tot ontruiming van die woning en haar veroordeeld in de proceskosten van die procedure.

2. De vrouw vordert dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, de vorderingen van de man alsnog zal afwijzen en de vordering in reconventie van de vrouw alsnog zal toewijzen, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.

3. De man concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure, waaronder de kosten van de gemachtigde.

4. Kort weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende. De man is huurder van de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] sedert november 2009. Partijen zijn op 24 april 2012 in Egypte gehuwd. Uit het huwelijk zijn geen kinderen geboren. De man bestrijdt dat het huwelijk volgens Nederlands recht geldend is en dat de vrouw op grond van artikel 7:266 lid 1 BW medehuurder is geworden. Partijen wensen allebei in de woning te blijven wonen en de voorzieningenrechter heeft bepaald dat de vrouw de woning moet verlaten.

5. De vrouw stelt – samengevat – dat de rechtbank een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt. De rechtbank heeft onvoldoende rekening gehouden met de subjectieve factoren van de vrouw. Dat de man de huur betaalt, kan de vrouw niet worden tegengeworpen, te meer nu nog geen onderhoudsbijdrage ten behoeve van haar is vastgesteld. De man heeft nimmer aan de vrouw gevraagd de huur te betalen. Inmiddels heeft de vrouw werk als schoonmaakster voor 24 tot 30 uur per week gevonden en start zij in augustus met een nieuwe baan in de bediening van een restaurant. Hierdoor kan zij de huur ook zelf betalen. Zij is destijds voor de man naar Nederland verhuisd en heeft hier geen vrienden of familie. Sinds de uitspraak van de rechtbank heeft de vrouw vergeefs getracht andere woonruimte te vinden. Zij leidt thans een zwervend bestaan en woont afwisselend bij een oude vrouw en in een (speel)tuin. De man heeft niet aangetoond dat hij niet langer bij zijn vriend kan verblijven en dat hij al zes maanden op de bank slaapt. Ook heeft de man niet kunnen aantonen dat hij niet kan terugvallen op familie of vrienden. De man heeft door vrijwillig vertrek uit de woning zijn rechten prijsgegeven.

6. De man is - samengevat - van mening dat de rechtbank de belangen van beide partijen juist heeft beoordeeld en afgewogen. De man leidt zijn dagelijkse leven in de woonkamer van een vriend en slaapt daar op de bank, maar hij kan daar niet langer blijven. Verder heeft hij problemen ondervonden omdat de vrouw zijn post niet heeft doorgezonden. De man heeft de woning niet vrijwillig verlaten. Zijn vertrek in juni 2015 heeft onder begeleiding van de politie plaatsgevonden. Inmiddels heeft de vrouw een baan en een woning gevonden. De man ontkent dat hij naar Nederlands recht is gehuwd en dat de vrouw medehuurder is geworden.

7. Ter zitting is voorts het volgende gebleken. Na het vonnis van 23 maart 2016 heeft de man de vrouw verzocht de woning te verlaten. Omdat de vrouw hier geen gehoor aan gaf, is de woning op 15 april 2016 door de deurwaarder ontruimd. De man woont sindsdien weer in de woning.

8. Het hof oordeelt als volgt. Het hof gaat, evenals de rechtbank, uit van een in Nederland erkend huwelijk van partijen. In de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie (GBA) staan partijen als gehuwd geregistreerd. In beginsel moet van de juistheid van deze gegevens worden uitgegaan. Het bewijs dat eenmaal in de basisadministratie opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn, kan alleen maar geleverd worden door overlegging van de juiste brondocumenten. De man merkt slechts op dat hij meent dat geen sprake is van een huwelijk dat naar Nederlands recht ontbonden dient te worden. Nu de man geen stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van dat standpunt, gaat het hof uit van de juistheid van de gegevens zoals vermeld in het GBA. Hoewel alleen de naam van de man op het huurcontract is vermeld, worden op grond van artikel 7:266 lid 1 BW beide partijen als huurder van de woning aangemerkt. De man heeft naar het oordeel van het hof gemotiveerd weersproken dat hij de woning op 9 juni 2015 vrijwillig heeft verlaten. De stelling van de vrouw dat hij zijn recht op het gebruik van de woning heeft prijs gegeven wordt dan ook verworpen. Beide partijen hebben in beginsel evenveel recht op het (uitsluitend) gebruik van de woning en hun belangen zullen over en weer gewogen worden. In het kader van deze belangenafweging oordeelt het hof als volgt.

9. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het gebruik van de woning aan de man moet worden toegewezen. Na zijn vertrek uit de woning in juni 2015 heeft de man bij een vriend kunnen logeren, echter de gastvrijheid van deze vriend heeft een grens bereikt, zo blijkt uit de door de man overgelegde brief van deze vriend van 1 maart 2016. De man heeft wel al die tijd zorggedragen voor betaling van de huur van de woning. Namens de man is onweersproken gesteld dat hij deels arbeidsongeschikt is en dus deels een uitkering ontvangt. Als onweersproken staat voorts vast dat de man (financiële) problemen heeft ondervonden doordat de vrouw zijn post niet aan hem doorzond. De vrouw is sinds mei 2012 in Nederland. Zij heeft in Egypte een goede opleiding genoten. Niet is gebleken dat de vrouw daadwerkelijk en serieuze inspanningen heeft gepleegd om een voor beide partijen goede oplossing te bewerkstelligen. Tot het moment waarop het bestreden vonnis is gewezen, heeft de vrouw, zo volgt uit haar stellingen, niets ondernomen om aan vervangende woonruimte te komen. Niet duidelijk is welke pogingen zij daarna heeft ondernomen om vervangende woonruimte te verkrijgen en wat haar huidige situatie is. De vrouw stelt sinds 15 april 2016 geen vaste woon- of verblijfplaats te hebben, maar verstrekt daarover geen duidelijke en concrete informatie. Nu de man deze stelling gemotiveerd betwist, had dat wel op haar weg gelegen. Wel duidelijk is dat de vrouw inmiddels een inkomen genereert waarmee zij zelfstandig woonruimte kan huren. Gelet op het vorenstaande en mede in acht nemend dat de man inmiddels weer in de woning woonachtig is, komt het hof tot het oordeel dat thans het belang van de man bij voortzetting van de woning zwaarder weegt dan het belang van de vrouw.

10. Het vorenstaande in acht nemend wordt het bestreden vonnis bekrachtigd.

11. Aangezien het een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal het hof de proceskosten compenseren en wel in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.F.A. Husson, J.M. van Baardewijk en M.Th. Linsen-Penning de Vries en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 augustus 2016 in aanwezigheid van de griffier.