Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2971

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
11-10-2016
Zaaknummer
200.197.762-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad. Kort Geding. Ontvankelijkheid bij gebreke van tijdige andere rechtsgang. Levenslang gestrafte komt in aanmerking voor rehabilitatie-activiteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht


Zaaknummer : 200.197.762/01

zaak- / rolnummer rechtbank : C/09/512975 / KG ZA 16/744

Arrest in kort geding van 11 oktober 2016

inzake:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,
appellant,
nader te noemen: de Staat,

advocaat: mr. M.F.H. Hirsch Ballin,

tegen:

[naam],

thans gedetineerd in de P.I. […] te […],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. T.J. Lindhout te Rotterdam.

Het geding

Na verlof spoedappel is de Staat bij exploot van 22 augustus 2016, met daarin zes grieven, in hoger beroep gekomen van het door de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 10 augustus 2016. [geïntimeerde] heeft de grieven bij memorie van antwoord (met producties) bestreden en daarbij tevens zijn eis gewijzigd. Vervolgens hebben partijen hun zaak mondeling bepleit op 19 september 2016. Ter gelegenheid van het pleidooi hebben partijen nog producties overgelegd. Daarna hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de volgende feiten.
(1.1) [geïntimeerde], geboren op [geboortedatum], is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 februari 1994 veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens doodslag, tweemaal poging tot doodslag, diefstal door middel van braak en bedreiging. [geïntimeerde] was in deze zaken ook door de rechtbank tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, en wel bij vonnis van 10 juni 1993. [geïntimeerde] was eerder, en wel op 1 december 1992, in voorlopige hechtenis gesteld.
(1.2) Op 31 juli 2012 heeft [geïntimeerde] een gratieverzoek ingediend. De toenmalig staatssecretaris van Justitie heeft het Openbaar Ministerie bij brief van 28 augustus 2012 verzocht daarover advies uit te brengen.
(1.3) In oktober 2014 heeft [geïntimeerde] de directeur van de Penitentiaire Inrichting (PI) verzocht om hem te laten deelnemen aan resocialisatieactiviteiten, alsmede om contact met de reclassering. De directeur van de PI heeft dat verzoek afgewezen. [geïntimeerde] heeft tegen die beslissing van de directeur beklag ingesteld. De beklagcommissie uit de Commissie van Toezicht heeft het beklag van [geïntimeerde] ongegrond verklaard. [geïntimeerde] heeft vervolgens beroep aangetekend bij de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ). De RSJ heeft het beroep bij uitspraak van 12 november 2015 gegrond verklaard en daarbij overwogen:
“Zoals de beroepscommissie eerder heeft overwogen (...) is zij van oordeel dat voorbereiding op de terugkeer in de maatschappij uitgangspunt dient te blijven gelden voor alle gedetineerden. De enkele omstandigheid dat een gedetineerde levenslang is gestraft kan dan ook niet redengevend zijn voor afwijzing van een verzoek om deelname aan resocialisatie-activiteiten, waaronder reclasseringscontact. In het onderhavige geval geldt dit, gelet op het feit dat klager in 2012 een gratieverzoek heeft ingediend, des te meer.”
(1.4) Ten behoeve van advisering op het gratieverzoek heeft het openbaar ministerie het Pieter Baan Centrum (PBC) verzocht om een onderzoek in te stellen naar [geïntimeerde]. Op 31 december 2015 heeft het PBC over [geïntimeerde] gerapporteerd, waarbij werd geconcludeerd tot een laag tot matig risico op geweld, mocht [geïntimeerde] thans zonder toezicht in de maatschappij verblijven. Er was wel in hoge mate sprake van affectieve, gedragsmatige en cognitieve instabiliteit, aldus het PBC. Als risicofactoren werden genoemd problemen met stress en coping. Geadviseerd werd een langzaam gefaseerd plan in te zetten, waarbij via verlofverlening kan worden toegewerkt naar een verdere detentiefasering met strakke voorwaarden.
(1.5) Op 2 februari 2016 heeft [geïntimeerde] verzocht om hem verlof te verlenen ten behoeve van zijn resocialisatie. Het Openbaar Ministerie en de PI hebben negatief geadviseerd op het verzoek om verlof.
(1.6) Naar aanleiding van de in rechtsoverweging 1.3 bedoelde uitspraak van de RSJ heeft [geïntimeerde] op 11 april 2016 de selectiefunctionaris van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) verzocht hem (op zeer korte termijn) te laten deelnemen aan resocialisatieactiviteiten.
(1.7) Bij e-mail van 18 april 2016 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan de DJI laten weten het onacceptabel en onrechtmatig te vinden dat in weerwil van de (in rechtsoverweging 1.3 genoemde) uitspraak van de RSJ, pas op het verzoek om resocialisatieactiviteiten zal worden beslist nadat de staatssecretaris het Beleidskader levenslang gestraften heeft vastgesteld. De advocaat heeft in verband hiermee een kort geding in het vooruitzicht gesteld.
(1.8) Bij beslissing van 4 mei 2016 is het verzoek om verlof (zie rechtsoverweging 1.5) afgewezen. Tegen deze beslissing heeft eiser beroep ingesteld bij de RSJ.
(1.9) Bij brief van 2 juni 2016 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie de Tweede Kamer bericht over zijn voorgenomen beleidswijzigingen ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf (hierna: het voorgenomen beleid). In die brief staat onder meer vermeld [onderstreping door het hof]:

“Ik ben voornemens om voor levenslanggestraften een ambtshalve periodieke toetsing in te voeren en daartoe een adviescollege in te stellen. Met de introductie hiervan wordt voor de levenslanggestrafte duidelijkheid gecreëerd omtrent de invulling van diens detentie en de mogelijkheden van activiteiten gericht op re-integratie. (...)

In de kern stel ik het volgende voor. Vijfentwintig jaar na de aanvang van de detentie zal het moment zijn waarop een eerste periodieke toetsing zal plaatsvinden. (...)

Het adviescollege brengt naar aanleiding van de onderzoeken die in het kader van de periodieke toetsing worden uitgebracht advies uit aan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Het advies betreft de vraag of en zo ja, op welke wijze een levenslanggestrafte in aanmerking komt voor activiteiten gericht op re-integratie, alsook de termijn waarop vervolgtoetsing plaatsvindt. De staatssecretaris neemt op basis van het advies een beslissing. Dit advies heeft dus geen betrekking op een eventuele verkorting van de detentieperiode.

Indien bij de toetsing is vast komen te staan dat de betrokkene in aanmerking komt voor activiteiten gericht op re-integratie en de staatssecretaris dit advies overneemt, wordt door DJI een persoonlijk detentie- en re-integratieplan opgesteld. Hierbij is sprake van maatwerk op basis van de bestaande activiteiten en programma’s, met name gedragsinterventies, die ook aan andere gedetineerden in de penitentiaire inrichtingen worden aangeboden. Het advies van het adviescollege wordt betrokken bij het opstellen van een detentie- en re-integratieplan.

Als het adviescollege adviseert dat een levenslanggestrafte nog niet in aanmerking komt voor het starten van activiteiten gericht op re-integratie, bijvoorbeeld vanwege delictgevaarlijkheid of de impact op nabestaanden en samenleving, geeft het adviescollege in het advies ook aan wanneer een volgende toetsing zou moeten plaatsvinden. In dat geval wordt expliciet in het detentieplan vastgelegd dat er geen activiteiten worden aangeboden die gericht zijn op re-integratie.

Vervolg

In geval de levenslanggestrafte volgens het advies van het adviescollege in aanmerking komt voor activiteiten gericht op re-integratie en de staatssecretaris dit advies heeft overgenomen, dienen na verloop van tijd vervolgtoetsingen plaats te vinden. Daarbij wordt beoordeeld hoe de levenslanggestrafte de activiteiten heeft uitgevoerd en hoe hij daarop heeft gereageerd. Aan de hand daarvan wordt bepaald of de levenslanggestrafte in aanmerking kan komen voor verdergaande activiteiten gericht op re-integratie, waarbij verlof eventueel mogelijk is. De slachtoffers en nabestaanden worden hierbij betrokken. Voor het toekennen van verlof is het advies van het adviescollege zwaarwegend. Voor de vervolgtoetsing wordt per individueel geval en per toetsing door het adviescollege beoordeeld welke onderzoeken er (opnieuw) dienen te worden uitgevoerd.”

(1.10) Op 16 juni 2016 heeft [geïntimeerde] een brief van de directeur van de PI ontvangen waarin aan hem wordt meegedeeld dat hij van de wachtlijst voor de cursus ‘Werk en inkomen’ is geschrapt. In de brief staat voorts vermeld [onderstreping door het hof]:

“Inmiddels heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie bij brief van 2 juni 2016 de Tweede Kamer geïnformeerd omtrent de wijzigingen in de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf. (...)

Uit de brief kan worden opgemaakt dat gedurende de eerste vijfentwintig jaar van de detentie activiteiten aan een levenslang gestrafte worden aangeboden die in het teken staan van een humane detentie, met het oog op een zinvolle dagbesteding en het verbeteren van het sociaal functioneren. Er worden in deze periode nadrukkelijk geen activiteiten aangeboden die gericht zijn op re-integratie (de vijf leefgebieden: werk en inkomen, onderdak, ID-bewijs, schulden en zorg). Pas na vijfentwintig jaar kunnen levenslang gestraften in aanmerking komen voor activiteiten gericht op re-integratie indien een commissie daartoe adviseert.

De cursus ‘Werk en inkomen’ is gericht op re-integratie. Daarmee komt de aanbieding van deze cursus aan u thans in strijd met de wijzigingen in de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf, omdat u nog niet een periode van vijfentwintig jaar in detentie verblijft. Overigens merk ik op dat ook voor 2 juni 2016 geen activiteiten gericht op re-integratie aan levenslang gestraften werden aangeboden.”

(1.11) Op 1 juli 2016 heeft de Afdeling advisering van de RSJ geconcludeerd dat de het voorgenomen beleid van de staatssecretaris niet voldoet aan de eisen die het EHRM stelt aan de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf.

(1.12) Het EHRM heeft in de beslissingen ‘Vinter’ (Vinter en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, EHRM 9 juli 2013, nr. 66069/09, 130/10 en 3896/10, NJ 2016/135) en ‘Murray’ (EHRM 26 april 2016, nummer. 10511/10) onder meer het volgende overwogen:

Murray:
“99. (…) It further observed in that case that the comparative and international law materials before it showed clear support for the institution of a dedicated mechanism guaranteeing a review no later than twenty-five years after the imposition of a life sentence, with further periodic reviews thereafter. (…)
102. The Court observes that the principle of rehabilitation, that is, the reintegration into society of a convicted person, (….)
103. Notwithstanding the fact that the Convention does not guarantee, as such, a right to rehabilitation, the Court's case-law thus presupposes that convicted persons, including life prisoners, should be allowed to rehabilitate themselves. (…) It has also held, with reference to Vinter and Others, that national authorities must give life prisoners a real opportunity to rehabilitate themselves (see Harakchiev and Tolumov, cited above, § 264). It follows from this that a life prisoner must be realistically enabled, to the extent possible within the constraints of the prison context, to make such progress towards rehabilitation that it offers him or her the hope of one day being eligible for parole or conditional release. This could be achieved, for example, by setting up and periodically reviewing an individualised programme that will encourage the sentenced prisoner to develop himself or herself to be able to lead a responsible and crime-free life.(…)”


Vinter:
“119. For the foregoing reasons, the Court considers that, in the context of a life sentence, Article 3 must be interpreted as requiring reducibility of the sentence, in the sense of a review which allows the domestic authorities to consider whether any changes in the life prisoner are so significant, and such progress towards rehabilitation has been made in the course of the sentence, as to mean that continued detention can no longer be justified on legitimate penological grounds.”
(1.13) Op 5 juli 2016 heeft de Hoge Raad (HR) in een cassatieberoep tegen een opgelegde levenslange gevangenisstraf, met verwijzing naar jurisprudentie van het EHRM, waaronder naar de zaken ‘Vinter’ en ‘Murray’, onder meer als volgt overwogen (ECLI:NL:HR:2016:1325) [onderstreping door het hof]:

“3.1. Het middel stelt de vraag aan de orde of de oplegging van de levenslange gevangenisstraf aan de verdachte, gelet op de huidige wijze van tenuitvoerlegging van deze straf, een schending van art. 3 EVRM oplevert.

De Hoge Raad stelt voorop dat de levenslange gevangenisstraf op zichzelf beschouwd niet in strijd is met het bepaalde in art. 3 EVRM, ook niet indien deze ten volle wordt geëxecuteerd. Uit het hiervoor weergegeven juridisch kader volgt evenwel dat een levenslange gevangenisstraf niet kan worden opgelegd indien niet reeds ten tijde van de oplegging duidelijk is dat er na verloop van tijd een reële mogelijkheid tot herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf bestaat, die in de daarvoor in aanmerking komende gevallen kan leiden tot verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidstelling. Een en ander betekent overigens niet dat het bieden van een mogelijkheid tot herbeoordeling van de straf impliceert dat die herbeoordeling steeds zal leiden tot verkorting van de straf. Herbeoordeling kan immers ook ertoe leiden dat voor verkorting geen grond aanwezig wordt bevonden.

De mogelijkheid tot herbeoordeling van de opgelegde levenslange gevangenisstraf dient, gelet op het hiervoor onder 2 weergegeven kader, aan diverse voorwaarden te voldoen. Bij de herbeoordeling moet de vraag aan de orde komen of zich zodanige veranderingen aan de zijde van de veroordeelde hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in zijn of haar resocialisatie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd. De in dat verband gehanteerde criteria mogen niet zo stringent zijn dat vrijlating alleen is toegelaten bij een ernstige ziekte of een ander fysiek beletsel dat in de weg staat aan de verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf, dan wel bij het bereiken van een hoge leeftijd. Bij de herbeoordeling moet dan ook informatie worden betrokken betreffende de ontwikkelingen met betrekking tot de persoon van de veroordeelde alsmede de geboden mogelijkheden van resocialisatie. Ook dient het voor de veroordeelde reeds ten tijde van de oplegging van de levenslange gevangenisstraf in voldoende mate duidelijk te zijn welke objectieve criteria zullen worden aangelegd bij de herbeoordeling, zodat hij weet aan welke vereisten zal moeten worden voldaan, wil hij – op termijn – voor verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidsstelling in aanmerking komen.
Als uitgangspunt heeft voorts te gelden dat de herbeoordeling na niet meer dan 25 jaar na oplegging van de levenslange gevangenisstraf plaatsvindt en dat na die termijn periodiek de mogelijkheid van herbeoordeling wordt geboden. De herbeoordeling dient met voldoende procedurele waarborgen te zijn omgeven . De jurisprudentie van het EHRM houdt niet in dat een voorziening ter verkorting van de levenslange gevangenisstraf uitsluitend kan bestaan uit een wettelijk voorgeschreven periodieke herbeoordeling van de straf door een rechter. Dat neemt niet weg dat naar het oordeel van de Hoge Raad het opdragen van een herbeoordeling aan de rechter op zichzelf een belangrijke waarborg vormt dat de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in overeenstemming met art. 3 EVRM plaatsvindt.
Tot slot is met het oog op het bieden van een reële mogelijkheid tot herbeoordeling van belang dat de veroordeelde zich tijdens de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf – ook voordat de vorengenoemde herbeoordeling plaatsvindt – moet kunnen voorbereiden op een eventuele terugkeer in de samenleving en dat in verband daarmee binnen het kader van de tenuitvoerlegging mogelijkheden tot resocialisatie moeten worden geboden.
3.4.
In het Nederlandse recht ontbreekt (vooralsnog) een specifieke, op de levenslange gevangenisstraf toegesneden mogelijkheid van herbeoordeling. Mede gelet op hetgeen in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 11.5 en 11.7.3-11.7.5 is vermeld omtrent de feitelijke mogelijkheden tot bekorting van de levenslange gevangenisstraf in het kader van de bestaande gratieprocedure en/of door tussenkomst van de burgerlijke rechter, is de Hoge Raad van oordeel dat de huidige tenuitvoerleggingspraktijk onverenigbaar is met de eisen die art. 3 EVRM stelt. Zolang die praktijk niet zodanig is gewijzigd dat voor een tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde een reële mogelijkheid bestaat tot herbeoordeling van de straf op de wijze als hiervoor geschetst, welke kan leiden tot verkorting van de straf dan wel (voorwaardelijke) invrijheidstelling, levert de oplegging van een levenslange gevangenisstraf een schending op van art. 3 EVRM.
3.5.

De strijdigheid met art. 3 EVRM komt te vervallen indien wordt voorzien in een op de levenslange gevangenisstraf toegesneden mogelijkheid van herbeoordeling die voldoet aan de hiervoor onder 3.3 weergegeven voorwaarden (…)
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft op 2 juni 2016 een brief aan de Tweede Kamer gezonden waarin voorgenomen wijzigingen in de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf worden uiteengezet (Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 325). Naar aanleiding van deze brief zal, naar mag worden aangenomen, verdere politieke besluitvorming plaatsvinden. De Hoge Raad vindt hierin aanleiding om de verdere behandeling van de zaak aan te houden tot 5 september 2017. Daarna zal de Hoge Raad – na de Advocaat-Generaal in de gelegenheid te hebben gesteld nader te concluderen – beoordelen of op grond van een eventueel dan voorhanden zijnde regeling tot een ander oordeel dan hiervoor onder 3.4 vermeld, dient te worden gekomen.

Opmerking verdient dat – mede gelet op hetgeen onder 3.3 is overwogen – ook wanneer ten tijde van het opleggen van een levenslange gevangenisstraf de procedure van herbeoordeling voldoet aan de daaraan te stellen voorwaarden, tijdens de tenuitvoerlegging de vraag kan rijzen hoe deze zich verhoudt tot de uit art. 3 EVRM voortvloeiende eisen.
Zo moet de mogelijkheid van herbeoordeling tijdens de tenuitvoerlegging aan vorenbedoelde voorwaarden blijven voldoen en moet de veroordeelde zich tijdens de tenuitvoerlegging – en ook voordat de vorengenoemde mogelijkheid tot herbeoordeling kan worden benut – kunnen voorbereiden op een eventuele terugkeer in de samenleving.
De toetsing van de wijze van tenuitvoerlegging zal tijdens de executie dienen plaats te vinden, waarbij de rechtmatigheid van de (verdere) tenuitvoerlegging van die straf kan worden beoordeeld overeenkomstig het daartoe bepaalde in de Penitentiaire beginselenwet, dan wel in het kader van een civielrechtelijke procedure.”

(1.14) Op 31 augustus 2016 heeft de RSJ de beslissing over de verlofaanvraag van [geïntimeerde] (rechtsoverweging 1.5) aangehouden in afwachting van de uitvoering van het (thans bestreden) vonnis van de voorzieningenrechter omtrent het resocialisatieplan, alsmede het advies van het OM in de gratieprocedure.

(1.15) Op 8 september 2016 is voormeld voorgenomen beleid in de Tweede Kamer besproken. In afwachting van wetgeving is de staatssecretaris voornemens om voormeld beleid toe te passen.

(1.16) Bij het thans bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter, kort gezegd:
I. de Staat geboden om binnen 10 dagen een aanvang te maken met het opstellen van een resocialisatieplan, [geïntimeerde] vervolgens deel te laten nemen aan de daarin genoemde resocialisatieactiviteiten en de voortgang maandelijks te beoordelen door middel van voortgangsrapportage. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
II. [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot het verlenen van incidenteel verlof.

De standpunten van partijen

2. De Staat is van beslissing I in hoger beroep gekomen. Grief 1 betreft een klacht over het oordeel van de voorzieningenrechter dat [geïntimeerde] in zijn vorderingen kan worden ontvangen. Volgens de Staat is dit onjuist, omdat een andere rechtsgang openstaat.
De grieven 2 tot en met 6 bevatten klachten over beslissing I (het gebod aan de Staat om de resocialisatie van [geïntimeerde] op te starten). De Staat stelt zich, met verwijzing naar het voorgenomen beleid, op het standpunt dat hij op dit moment slechts intramurale faciliteiten hoeft te bieden, die voor alle gedetineerden open staan, en dat hij geen activiteiten hoeft aan te bieden, gericht op een leven buiten de gevangenis (de zogenaamde vijf leefgebieden, met daaraan gekoppeld reclasseringscontact; door de Staat reïntegratie genoemd). De eerste toetsing zal, aldus de Staat, conform het voorgenomen beleid, 25 jaar na aanvang detentie (dus 1 december 2017) plaatsvinden. Dit is binnen de door het EHRM aangegeven (overigens niet keiharde) marge van 25 jaar na strafoplegging (zijnde op zijn vroegst 10 juni 2018), terwijl de Staat bovendien een ‘margin of appreciation’ heeft ten aanzien van de manier waarop een en ander wordt vorm gegeven.

3. [geïntimeerde] betwist dat er voor hem in dit geval een andere rechtsgang openstaat. Verder stelt hij dat het voorgenomen beleid ten onrechte een toets inbouwt vóór de door het EHRM en de HR voorgeschreven herbeoordeling en voorts dat hij bij al de eerste beoordeling moet kunnen laten zien welke vorderingen hij op het gebied van ‘rehabilitation’heeft gemaakt en dat de Staat hem voorafgaande aan de eerste toetsing daartoe gelegenheid moet bieden. Deze ‘rehabilitation’-activiteiten moeten expliciet zijn gericht op het ontwikkelen van vaardigheden die noodzakelijk zijn om zich uiteindelijk buiten de PI in de maatschappij te kunnen redden (de door de Staat genoemde vijf leefgebieden, inclusief toezicht van de reclassering daarop). Om te achterhalen welke vaardigheden van hem nadere ontwikkeling behoeven, dient er eerst een resocialisatieplan te worden opgesteld, hetgeen pas onder druk van het kort gedingvonnis is gebeurd. Bovendien zijn gedragsdeskundigen van mening dat het ontwikkelingsproces rustig, stap voor stap, moet plaatsvinden, hetgeen naar verwachting 18 maanden zal duren. Er kan dus volgens [geïntimeerde] niet langer worden gewacht worden met het aanbieden van rehabiliatiemogelijkheden. Er moet op korte termijn daadwerkelijk uitvoering aan het plan worden gegeven, maar de Staat weigert dit ten onrechte.

4. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep zijn eis in die zin aangevuld dat hij tevens vordert om hem niet later dan op 1 oktober 2016, althans binnen een redelijke termijn te laten deelnemen aan re-integratieactiviteiten. Subsidiair heeft hij een beslissing gevorderd die het hof geraden voorkomt.
Algemene overwegingen in hoger beroep

5. Het hof stelt voorop dat de kwestie van (incidenteel) verlof thans niet aan de orde is. Het gaat in deze procedure louter om de door [geïntimeerde] gevorderde resocialisatie-/ reïntegratieactiviteiten en de termijn waarop deze zouden moeten aanvangen. De vraag of [geïntimeerde] in zijn beroep kan worden ontvangen (grief 1) kan pas worden beoordeeld nadat het hof een oordeel heeft gegeven over een aantal algemene uitgangspunten. Het hof zal deze daarom eerst bespreken.

6. In deze procedure worden de begrippen resocialisatie (als ruim begrip) en reïntegratie (voornamelijk gericht op de vijf leefgebieden en het daarbij behorende reclasseringstoezicht) door en naast elkaar gebruikt. Dit kan tot verwarring leiden. Daarom zal het hof zoveel mogelijk het door het EHRM gebruikte begrip 'rehabilitation' of rehabilitatie hanteren. Onder 'rehabilitation' verstaat het EHRM “the reintegration into society of a convicted person” (het door de veroordeelde weer laten deelnemen aan het maatschappelijk leven) (Van Dale woordenboek).
Vgl.: Murray
“102. The Court observes that the principle of rehabilitation, that is, the reintegration into society of a convicted person, (….)”

7. Uit de hiervoor (in rechtsoverwegingen 1.12 en 1.13) weergegeven Europese en Nederlandse jurisprudentie volgt dat [geïntimeerde] (als levenslanggestrafte) zowel juridisch als feitelijk een perspectief op invrijheidstelling moet hebben. In verband hiermee moet er een reële mogelijkheid zijn tot herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf, welke herbeoordeling uiteindelijk (op termijn) kan (maar niet hoeft te) leiden tot verkorting van de straf en (voorwaardelijke) invrijheidstelling. Om een goede herbeoordeling mogelijk te maken, zal de gedetineerde ([geïntimeerde]) tijdig een kans moeten krijgen om te laten zien dat hij vorderingen (op het gebied van ‘rehabilitation’) heeft gemaakt. Dit laatste is een positieve verplichting voor de Staat, met dien verstande dat elke lidstaat een “wide margin of appreciation” heeft voor wat betreft de invulling van de ‘rehabilitation’.

8. Weliswaar is duidelijk dat de Staat ook de verplichting heeft om de maatschappij te beschermen tegen geweldsdelicten (“This is because States have a duty under the Convention to take measures for the protection of the public from violent crime and the Convention does not prohibit States from subjecting a person convicted of a serious crime to an indeterminate sentence allowing for the offender's continued detention where necessary for the protection of the public” (Vinter, rechtsoverweging 107), maar dit ontslaat de Staat niet van zijn positieve verplichting om mee te werken aan de pogingen van de langgestrafte tot “rehabilitation” (in welk kader overigens ook het gevaarsaspect kan worden onderzocht). In zoverre is het begrip 'rehabilitation' ruimer dan (slechts) het ontwikkelen van vaardigheden op de vijf door de Staat genoemde leefgebieden.

9. Wat betreft de termijn waarbinnen de herbeoordeling moet plaatsvinden, geldt het volgende. Aan de Staat kan worden toegegeven dat het EHRM vanwege de aan de lidstaten toekomende “wide margin of appreciation” geen harde termijn voorschrijft, maar dat neemt niet weg dat het EHRM naar het oordeel van het hof wel een duidelijke vingerwijzing geeft voor een termijn van in beginsel niet langer dan 25 jaar na de strafoplegging. Bovendien heeft de Hoge Raad in het onder 1.13 vermelde arrest van 5 juli 2016 overwogen dat “als uitgangspunt” heeft te gelden dat de herbeoordeling na niet meer dan 25 jaar na oplegging van de levenslange gevangenisstraf (en dus niet 25 jaar na aanvang van de voorlopige hechtenis zoals [geïntimeerde] betoogt) plaatsvindt.

10. Als onvoldoende (gemotiveerd) betwist staat vast dat op dit moment slechts in zeer beperkte mate mogelijkheden aan [geïntimeerde] worden geboden om te laten zien dat hij op weg is naar ‘rehabilitation’ – blijkens het voorgenomen beleid staan de aangeboden activiteiten met name in het teken van een humane detentie, met het oog op een zinvolle dagbesteding en het verbeteren van het sociaal functioneren – en dat de Staat voornemens is om pas bij het eerste door de Staat beoogde toetsingsmoment (1 december 2017) verdere actie te ondernemen. Overigens dan nog slechts in de vorm van het vragen van advies aan de beoogde Adviescommissie over de vraag of betrokkene in aanmerking komt voor reïntegratie/ rehabilitatie-activiteiten. Pas na een positief advies van deze Commissie hoeven in de visie van de Staat concrete ontwikkelingsmogelijkheden, gericht op ‘rehabilitation’, te worden aangeboden aan [geïntimeerde].

Beoordeling van grief 1

11. De Staat heeft met grief 1 betoogd dat [geïntimeerde] de beroepsprocedure bij de RSJ moet volgen om (te proberen) een en ander gedaan te krijgen. Dit is een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, zodat [geïntimeerde] niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

11. Dit betoog wordt verworpen. Weliswaar is de rechtsgang van de RSJ met voldoende waarborgen omkleed, maar duidelijk is dat deze rechtsgang aan [geïntimeerde] in ieder geval niet een voldoende tijdige rechtsgang biedt om te laten toetsen of hem de gevraagde voorzieningen nog langer mogen worden onthouden. De schorsingsmogelijkheid van artikel 70 Pbw voorziet daar niet in. In dit verband mag bovendien niet onvermeld blijven dat [geïntimeerde] de door de Staat beoogde (indertijd ruim een jaar durende) rechtsgang al heeft doorlopen (zie rechtsoverweging 1.3), maar dat ondanks gegrondbevinding van het beroep de Staat heeft nagelaten opnieuw te beslissen (anders dan op het onderdeel ‘werk en inkomen’ waar [geïntimeerde] van de wachtlijst is geschrapt (zie rechtsoverweging 1.10). Onder deze omstandigheden is [geïntimeerde] aangewezen op de voorzieningenrechter als restrechter. De grief faalt.
Beoordeling van de grieven 2 tot en met 6

11. Deze grieven, op grond waarvan het hof de opgeworpen vraag omtrent de rehabilitatieactiviteiten van [geïntimeerde] opnieuw zal beoordelen, worden verworpen. Gelet op hetgeen hiervóór is overwogen voldoet de Staat niet aan zijn verdragsrechtelijke verplichtingen, die inhouden dat [geïntimeerde] vóór het eerste toetsingsmoment een reële mogelijkheid moet krijgen om te werken aan zijn rehabilitatie. Dit eerste toetsingsmoment is in beginsel 10 juni 2018, zoals volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad. Bijzondere omstandigheden waarom dat in het geval van [geïntimeerde] later zou moeten zijn, zijn niet aangevoerd, noch anderszins gebleken. De huidige standaardvoorzieningen (kort gezegd ten behoeve van een humane detentie) zijn in dit kader ontoereikend, zeker met het oog op de te verwachten lange weg die [geïntimeerde] nog heeft te gaan. Het hof acht het in dit verband aannemelijk dat het proces rustig en stapsgewijze moet plaatsvinden – de Staat weerspreekt dit ook niet –, terwijl ook de verdere uitwerking en toepassing van het (inmiddels opgestelde) resocialisatieplan de nodige tijd zullen vergen. Hiermee is naar verwachting zoveel tijd gemoeid dat het niet aangaat om op voorhand het standpunt in te nemen, zoals de Staat doet, dat eerst het advies van de in te stellen Adviescommissie (op zijn vroegst in december 2017) afgewacht moet worden. [geïntimeerde] heeft in ieder geval het recht om (binnen de beperkingen die zijn detentie stelt) op enigerlei manier enige invulling te geven aan zijn wens om bij de eerste toetsing goed beslagen ten ijs te komen. De Staat handelt onrechtmatig door hier niet aan mee te werken en evenmin een concreet uitzicht te bieden op medewerking hieraan op een dusdanig moment dat op het eerste toetsingsmoment een reële herbeoordeling kan plaatsvinden.

11. Het hof benadrukt dat het feit dat [geïntimeerde] recht heeft op een reële herbeoordeling, niet zonder meer betekent dat de aan hem opgelegde straf daadwerkelijk verkort zal worden; dit geding gaat daar ook niet over. Voorts benadrukt het hof nogmaals, zoals ook de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.12 heeft overwogen, dat de Staat een grote vrijheid heeft in de keuze van 'rehabilitation'-activiteiten. Het EHRM formuleert het in onderstaande overwegingen als volgt.
Vgl. Murray:
“109. Providing life prisoners with a real opportunity of rehabilitation may therefore require that, depending on their individual situation, they be enabled to undergo treatments or therapies – be they medical, psychological or psychiatric – adapted to their situation with a view to facilitating their rehabilitation. This entails that they should also be allowed to take part in occupational or other activities where these may be considered to benefit rehabilitation.
110. In general it will be for the State to decide, and not for the Court to prescribe, which facilities, measures or treatments are required in order to enable a life prisoner to rehabilitate himself or herself in such a way as to become eligible for release. In choosing the means for that purpose, States accordingly have a wide margin of appreciation and this obligation under Article 3 is to be interpreted in such a way as not to impose an excessive burden on national authorities.”

11. Er moet nu echter wél meer voor [geïntimeerde] worden gedaan dan de Staat op basis van het voorgenomen beleid van plan is. Het hof ziet evenwel, anders dan [geïntimeerde] met zijn wijziging van eis vordert, geen grond aan de Staat een verdergaande verplichting op te leggen dan de voorzieningenrechter heeft gedaan. De Staat is op basis van het bestreden vonnis immers ook verplicht deelname van [geïntimeerde] aan de in het plan genoemde activiteiten te faciliteren alsmede maandelijkse voortgangrapportages te bewerkstelligen.
Slotsom

11. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. De grieven behoeven verder niet afzonderlijk meer te worden besproken. De in hoger beroep gewijzigde eis van [geïntimeerde] zal worden afgewezen. De Staat zal als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag;

- veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 314,-- aan verschotten en € 2.682,-- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    wijst af het door [geïntimeerde] in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, E.M. Dousma-Valk en
M.E. Honée, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 oktober 2016 in aanwezigheid van de griffier.