Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2872

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-10-2016
Datum publicatie
03-10-2016
Zaaknummer
22-005372-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 45 en 287 Sr. Veroordeling van politieagent ter zake van poging tot doodslag. Verdachte heeft met zijn dienstwapen tot driemaal toe geschoten op een persoon die met zijn auto aan een alcoholcontrole trachtte te ontkomen en die als gevolg van dat schieten onder andere een dwarslaesie heeft opgelopen. Voorwaardelijk opzet op de dood. Bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans. Beroep op noodweer en putatief noodweer verworpen. Verdachte heeft zijn bevoegdheid om geweld te gebruiken, welke bevoegdheid hem uit hoofde van zijn functie toekwam op grond van de Politiewet 1993, uitgewerkt in art. 7 van de ambtsinstructie, overschreden en om die reden kan geen beroep worden gedaan op de strafuitsluitingsgrond in artikel 42 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-005372-14

Parketnummer: 10-775011-12

Datum uitspraak: 3 oktober 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 december 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam],

geboren te [geboorteplaats] (geboorteland) op [geboortedag],

domicilie kiezend: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 29 juni 2015, 5 september 2016 en 19 september 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij, op of omstreeks 24 augustus 2012 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet drie, althans één of meer schoten met een vuurwapen heeft gelost op en/of in de richting van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:
hij, op of omstreeks 24 augustus 2012 te Rotterdam, aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te weten (onder meer) wervel- en ribbreuken, een complexe dwarslaesie, een haematopneumothorax, een middenrifscheur rechts en/of een scheurverwonding in de lever, door opzettelijk drie, althans een of meer schoten met een vuurwapen te lossen op en/of in de richting van die [slachtoffer].

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewijsoverweging ten aanzien van het voorwaardelijk opzet op de dood

Inleiding

In de onderhavige zaak draait het in de kern om de vraag hoe in strafrechtelijke zin het handelen van de verdachte, die als politieagent met zijn dienstwapen driemaal heeft geschoten op een persoon ([slachtoffer]) die met zijn auto aan een alcoholcontrole trachtte te ontkomen en die als gevolg van dat schieten onder andere een dwarslaesie heeft opgelopen, moet worden beoordeeld. Voor de feiten en omstandigheden die tot deze situatie hebben geleid, verwijst het hof naar de bijlage met bewijsmiddelen die bij het arrest is gevoegd.

Niet ter discussie staat dat de verdachte niet de doelbewuste intentie had om [slachtoffer te doden. Blijkens de bewijsmiddelen wilde de verdachte [slachtoffer] ‘stoppen’ en vuurde hij daartoe zijn wapen af op de schouder van [slachtoffer]. Bij het ontbreken van doelopzet kan van strafrechtelijk verwijtbaar opzet echter ook sprake zijn indien de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard. Het hof overweegt hiertoe het volgende.

De aanmerkelijke kans

De verdachte heeft met zijn vuurwapen op korte afstand gericht op [slachtoffer] geschoten, terwijl deze een rijdende auto bestuurde. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat drie keer schieten op het bovenlichaam van iemand in beginsel de aanmerkelijke kans met zich brengt dat deze schoten de dood van die ander tot gevolg hebben. Hoewel de verdachte – naar eigen zeggen - gericht op de schouder van de bestuurder heeft geschoten, maakt dit de aanmerkelijke kans op het gevolg in het onderhavige geval niet anders, met name niet nu de verdachte zelf niet stilstond toen hij schoot en het slachtoffer zich tijdens het schieten voortbewoog in een rijdende auto. Het hof is derhalve van oordeel dat in het onderhavige geval sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood.

Het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans

Met het afvuren van drie schoten, waarbij de verdachte zich naar eigen zeggen heeft laten leiden door één doel, te weten het stoppen van de (bestuurder van de) auto, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van de bestuurder bewust aanvaard. Als geoefend en volledig gecertificeerd schutter en als ervaren politieagent kan het niet anders zijn dan dat de verdachte zich van die kans bewust is geweest. Het hof verwijst in dit verband naar de Nota van toelichting bij het Besluit van 8 april 1994, houdende regels met betrekking tot een nieuwe Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar en de maatregelen waaraan rechtens van hun vrijheid beroofde personen kunnen worden onderworpen (gepubliceerd in Stb. 1994, 275; hierna: de Ambtsinstructie). Daarin staat vermeld dat het schieten op rijdende auto’s ernstig wordt ontraden wegens de geringe kans op succes om het voertuig tot stilstand te brengen en het grote risico voor het raken van aanwezige personen. Door desondanks te schieten op de rijdende [slachtoffer] heeft de verdachte de bedoelde kans ook bewust aanvaard.

Conclusie

Op basis van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. Het hof acht dan ook het primair ten laste gelegde bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij, op of omstreeks 24 augustus 2012 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet drie, althans één of meer schoten met een vuurwapen heeft gelost op en/of in de richting van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit arrest gehechte bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat voldoende aannemelijk is geworden dat op het moment van het eerste schot sprake was van een acute en concrete dreiging in de richting van zijn collega [getuige 1] (hierna: [getuige 1]), doordat [slachtoffer] op haar inreed en dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Subsidiair heeft de advocaat-generaal betoogd dat ten aanzien van het eerste schot aan de verdachte een beroep toekomt op putatief noodweer, aangezien de verdachte mocht menen dat ten tijde van het eerste schot nog steeds gevaar dreigde voor [getuige 1].

Voorts heeft de advocaat-generaal gesteld dat de verdachte het tweede en derde schot heeft gelost omdat hij trachtte [slachtoffer], zijnde een verdachte van een ernstig strafbaar feit (poging tot doodslag), aan te houden. Naar het oordeel van de advocaat-generaal handelde de verdachte daarmee conform de Ambtsinstructie en daarmee ter uitvoering van een wettelijk voorschrift.

De verdachte is naar het oordeel van de advocaat-generaal om voorgaande redenen dan ook niet strafbaar.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging (naar het hof aanneemt van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde), nu de verdachte heeft gehandeld uit (putatief) noodweer dan wel (naar het hof begrijpt) het feit heeft gepleegd ter uitvoering van een wettelijk voorschrift. De verdachte zou zich ten tijde van het eerste schot genoodzaakt hebben gezien [getuige 1] te beschermen tegen een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Deze bestond er uit dat [slachtoffer] met zijn auto op [getuige 1] inreed, waardoor zij serieus gevaar liep. Voor zover vast zou komen te staan dat [getuige 1] op dat moment geen daadwerkelijk gevaar meer liep, heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte wel mocht menen dat zijn collega werd aangevallen en komt hem aldus een beroep op putatief noodweer toe.

Voor wat betreft het tweede en het derde schot heeft de verdediging eveneens een beroep op noodweer dan wel putatief noodweer gedaan. Ter onderbouwing heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte zich genoodzaakt zag om de andere verkeersdeelnemers te beschermen, nu was gebleken dat [slachtoffer] een veel te hoog alcoholpercentage had geblazen en deze [slachtoffer] aldus in beschonken staat weg wilde rijden, terwijl hij zich in de ochtendspits in het centrum van Rotterdam bevond. Voorts had [slachtoffer] er niet voor terug gedeinsd zeer gevaarlijk rijgedrag te vertonen door in te rijden op [getuige 1]. Dit bij elkaar maakte dat, volgens de verdediging, sprake was van een onmiddellijk, objectiveerbaar (dreigend) gevaar op het moment dat [slachtoffer] zich in het verkeer begaf. Door gebruik te maken van zijn vuurwapen heeft de verdachte gereageerd op deze objectiveerbare dreiging en komt hem ook voor wat betreft het tweede en derde schot een beroep op noodweer toe, aldus de verdediging.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat, wanneer het hof zou oordelen dat geen sprake is van een objectiveerbare dreiging, de verdachte een beroep op putatief noodweer toekomt, omdat hij verschoonbaar heeft gedwaald over het bestaan van een noodweersituatie.

Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld conform artikel 7 van de Ambtsinstructie en daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof gaat er vanuit dat de verdediging hiermee een beroep heeft willen doen op de strafuitsluitingsgrond als verwoord in artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht. Volgens de verdediging was er sprake van een verdenking van een poging tot doodslag van [slachtoffer] op [getuige 1] en mocht de verdachte derhalve ter aanhouding van [slachtoffer] gebruik maken van zijn vuurwapen op de wijze zoals hij dat heeft gedaan, nu dit voldeed aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat uitstel van de aanhouding van [slachtoffer] een onaanvaardbaar gevaar voor de rechtsorde zou opleveren en dat onschuldige derden door het handelen van de verdachte niet hadden kunnen worden getroffen.

Feiten en omstandigheden

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is door de verdediging en het Openbaar Ministerie veel naar voren gebracht met betrekking tot de vraag waar [getuige 1] zich bevond op het moment dat de verdachte het eerste schot loste. Zowel de verdediging als het Openbaar Ministerie hebben geconcludeerd dat aannemelijk is dat [getuige 1] zich nog voor de auto bevond en dat zij op dat moment een reëel risico liep overreden of in ieder geval aangereden te zullen worden. De verklaringen van de verdachte, [getuige 1] en de diverse getuigen zijn op dit punt niet eenduidig. Nu deze feitelijke omstandigheden van groot belang zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake was van een noodweersituatie, zal het hof eerst dienen vast te stellen van welke feiten en omstandigheden het uitgaat. Voor de volledigheid zullen daarbij eerst de omstandigheden worden geschetst die niet ter discussie hebben gestaan en waarvan het hof op basis van de bewijsmiddelen, zoals deze zijn gebleken ter terechtzitting, uit zal gaan.

Op vrijdag 24 augustus 2012 voerden de verdachte en zijn collega [getuige 1] surveillerend met een mountainbike omstreeks 07:30 uur een alcoholcontrole uit op de Eendrachtsweg te Rotterdam, waarbij zij de bestuurder van een Seat Leon controleerden. De verdachte sprak de bestuurder [slachtoffer] aan en nam hem een blaastest af. [Getuige 1] nam met haar mountainbike positie in voor de auto. De blaastest was positief, aangezien [slachtoffer] een “F” blies, waarna [slachtoffer] werd aangehouden voor rijden onder invloed en werd verzocht uit te stappen. [Slachtoffer] vroeg aan de verdachte of hij de auto kon parkeren, waarop de verdachte antwoordde dat [slachtoffer] niet meer mocht rijden en de auto door de politie zou worden weggereden. Vervolgens startte [slachtoffer] de auto, reed een stukje achteruit, stuurde vervolgens naar rechts en reed naar voren. [Getuige 1] bewoog aan de voorzijde van de auto met haar fiets mee, om te voorkomen dat [slachtoffer] zou wegrijden. [Slachtoffer] reed tegen haar fiets en bleef doorduwen totdat [getuige 1] het niet meer hield en zij haar fiets wegduwde en wegsprong.

Vervolgens is de verdachte over een afstand van ongeveer 40 meter met de Seat Leon meegelopen en gerend. De Seat reed over de Eendrachtsweg, sloeg rechtsaf de Westblaak op richting het Churchillplein en botste voor een stoplicht tegen de achterzijde van een stilstaande Ford Focus. Tijdens de hierboven beschreven gebeurtenissen heeft de verdachte in totaal drie schoten gelost in de richting van [slachtoffer]. In het ziekenhuis werd geconstateerd dat [slachtoffer] door twee kogels in het bovenlichaam werd getroffen, dat hij een dwarslaesie had en dat een kogel in zijn lever zat. Zowel [slachtoffer] als de inzittenden [getuige 2] en [getuige 3] deden aangifte van poging doodslag, dan wel (poging) zware mishandeling.

De vraag die zich aandient, is op welk moment de verdachte het eerste schot heeft gelost en vooral waar [getuige 1] zich op dat moment bevond: nog in een situatie dat de auto haar fiets raakte of inmiddels niet meer.

De verdediging en de advocaat-generaal achten aannemelijk dat op het moment dat de verdachte het eerste schot loste richting [slachtoffer], [getuige 1] zich nog bevond in de situatie dat de verdachte met zijn auto tegen haar fiets aanreed. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat niet alleen de verdachte dit (herhaaldelijk en ook ter terechtzitting in hoger beroep) heeft verklaard, maar dat ook de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] (inzittenden van de auto) en de taxichauffeur [getuige 4] aldus hebben verklaard. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Anders dan de verdediging en de advocaat-generaal stelt het hof vast dat uit de verklaring van getuige [getuige 4] van 29 augustus 2012 niet valt af te leiden dat [getuige 1] zich nog met haar fiets voor de auto bevond tijdens het eerste schot. Integendeel, uit deze verklaring is eerder af te leiden dat [getuige 1] zich inmiddels in veiligheid had gebracht, door haar fiets te laten vallen. Ook merkt [getuige 4] op dat in zijn ogen de vrouwelijke agent (naar het hof begrijpt [getuige 1]) naar zijn idee niet in gevaar is geweest.

Ten aanzien van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] overweegt het hof dat door de verdediging en de advocaat-generaal (kennelijk) wordt verwezen naar hun tweede verklaring van 30 augustus 2012 respectievelijk 3 september 2012. Op voorhand merkt het hof op dat de beide getuigen aanzienlijke hoeveelheden alcohol hadden genuttigd, hetgeen hun waarneming er niet betrouwbaarder op maakt. Ten aanzien van deze verklaring van [getuige 2] overweegt het hof dat deze beperkt van waarde is, nu deze getuige heeft verklaard überhaupt niet te hebben waargenomen dat de fiets is geraakt. Reeds op grond hiervan was voor hem kennelijk niet te beoordelen of het schot plaatsvond nadat [getuige 1] zichzelf, door haar fiets weg te duwen en zelf naar achteren te springen, in veiligheid had gesteld of niet. Het hof is van oordeel dat in de verklaring van [getuige 3] geen ondubbelzinnig antwoord besloten ligt op de vraag of het eerste schot reeds viel op het moment dat er nog contact was tussen de auto en de fiets. Immers, deze getuige heeft verklaard dat toen ze de eerste knal hoorde, ze zag dat [getuige 1] zich naar achteren bewoog, dus bij de auto vandaan. Dit geeft geen uitsluitsel over de bedoelde vraag.

Het hof is op basis van het voorgaande van oordeel dat de verklaringen van [getuige 4], [getuige 2] en [getuige 3] niet de aannemelijkheid van de lezing van de verdachte ondersteunen, namelijk dat [getuige 1] zich ten tijde van het eerste schot met haar fiets voor de auto en in een gevaarlijke situatie bevond. Het hof heeft op basis van het dossier ook niet kunnen concluderen dat er andere getuigen zijn die ondubbelzinnig de lezing van verdachte kunnen onderstrepen.

Tegenover de lezing van de verdachte staan de verklaringen van [getuige 1] zelf, die tegenover de Rijksrecherche, de rechter-commissaris, de raadsheer-commissaris en tijdens de reconstructie in de kern steeds heeft aangegeven dat zij zichzelf al in veiligheid had gebracht voordat het eerste schot werd gelost. Het hof hecht veel waarde aan de verklaringen van [getuige 1] en wel om de navolgende redenen.

[Getuige 1] is een ervaren professional die sinds 2004 werkzaam is bij de politie en al vaker soortgelijke incidenten heeft meegemaakt. [Getuige 1] stond op een plaats waar zij het gebeuren goed kon overzien. Zij verklaart over haar waarnemingen reeds enkele uren na het incident, te weten op 24 augustus 2012 om 14:15 uur bij de Rijksrecherche. In alle daaropvolgende verklaringen, waarvan de laatste nog op 8 januari 2016 door de raadsheer-commissaris is afgenomen, heeft [getuige 1] consistent verklaard over de toedracht en het verloop van het schietincident. Voorts is niet gebleken dat [getuige 1] enig belang had om anders te verklaren dan zij heeft gedaan. Sterker nog, haar verklaringen zijn eerder belastend voor een directe collega met wie zij ten tijde van het schietincident al langere tijd een goede samenwerking had.

De lezing van [getuige 1] wordt voorts niet alleen ondersteund door de eerder genoemde getuigenverklaring van [getuige 4], maar tevens door het proces-verbaal van bevindingen van 24 augustus 2012, dat is opgemaakt door [getuige 1] en de verdachte. In dit proces-verbaal heeft de verdachte zelf opgeschreven dat hij zag dat zijn collega achteruit sprong om zichzelf in veiligheid te brengen en hij hierop (cursivering hof) geweld heeft aangewend richting [slachtoffer]. De verdachte is over de bewoordingen van dit proces-verbaal ter terechtzitting bevraagd, aangezien deze zin en het gebruik van het woord ‘hierop’ de indruk wekt dat ook hij heeft gezien dat zijn collega in veiligheid was voordat hij geweld aanwendde. De verdachte heeft beaamd dat de woordkeuze deze indruk kan wekken. Hij heeft echter aangegeven dat het proces-verbaal in samenspraak met een derde, die overigens niet wordt vermeld in het proces-verbaal, is opgemaakt en dat de bewoordingen feitelijk door deze derde zijn gekozen. Ook heeft de verdachte aangegeven dat het doel van het proces-verbaal was een eerste indruk van het incident te schetsen en dat het niet is opgesteld om de volgorde van handelen precies te beschrijven. Gelet op de ervaring van de verdachte als opsporingsambtenaar en de waarde die gehecht mag worden aan op ambtseed opgemaakte processen-verbaal, acht het hof deze uitleg echter niet overtuigend.

Gelet op het hiervoor overwogene gaat het hof bij het vaststellen van de feiten en omstandigheden uit van de verklaring van [getuige 1] en gaat het hof er derhalve vanuit dat het eerste schot pas door de verdachte is gelost, nadat [getuige 1] haar fiets al had weggeduwd en zichzelf in veiligheid had gebracht. De verdachte is vervolgens achter haar langs gelopen en heeft toen het eerste schot op [getuige 1] gelost.

Het beroep op (putatief) noodweer

Schot 1

Voor een geslaagd beroep op noodweer in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of tegen een onmiddellijk dreigend gevaar voor die aanranding. Wanneer de aanranding is geëindigd, is een beroep op noodweer niet (meer) mogelijk.

Het hof overweegt hieromtrent dat er wel een aanranding heeft plaatsgevonden van de collega van de verdachte, maar dat deze aanranding al was geëindigd op het moment dat de verdachte het eerste schot loste, aangezien [getuige 1] zichzelf toen al in veiligheid had gebracht. Nu er geen sprake was een aanranding waartegen verdediging geboden was, kan het beroep op noodweer ten aanzien van het eerste schot niet slagen.

Het beroep op noodweer wordt mitsdien verworpen.

Voorts heeft zowel de verdediging als de advocaat-generaal zich ten aanzien van het eerste schot op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op putatief noodweer toekomt.

Voor een geldig beroep op putatief noodweer moet er sprake zijn van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte. De verdachte kon niet alleen, maar mocht ook redelijkerwijs menen dat hij zichzelf of een ander moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan, omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.

De enkele stelling van de verdediging dat de verdachte meende dat [getuige 1] nog in gevaar verkeerde toen de verdachte het eerste schot loste, is onvoldoende om een beroep op putatief noodweer te doen slagen. Het gaat bij een beoordeling van het beroep op putatief noodweer in dit geval om het perspectief van een redelijk handelende, in een vergelijkbare situatie als de verdachte verkerende, politieman. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte niet verontschuldigbaar gedwaald omtrent het dreigende gevaar voor [getuige 1]. Het hof overweegt hieromtrent dat de verdachte ten tijde van het incident goed zicht had op [getuige 1] en bovendien eerst achter haar langs is gerend waarna hij begon met schieten. Van de verdachte, als politieambtenaar, mocht verwacht worden dat hij ondanks de hectiek van het moment, de situatie voldoende kon overzien en daarmee niet redelijkerwijs heeft kunnen menen dat de gevaarlijke situatie voor [getuige 1] op het moment dat de verdachte het eerste schot loste, nog bestond.

Het beroep op putatief noodweer wordt mitsdien verworpen.

Schoten 2 en 3

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het tweede en het derde schot een beroep op noodweer toekomt, omdat er – kort gezegd - op dat moment een onmiddellijk dreigend gevaar voor de overige weggebruikers was, nu [slachtoffer] in beschonken toestand het centrum van Rotterdam in wilde rijden tijdens de ochtendspits en [slachtoffer] bovendien net de collega van de verdachte had aangereden.

Het hof overweegt hieromtrent dat [slachtoffer] aanvankelijk stapvoets naar voren reed, waarbij hij naar rechts stuurde. Tijdens het wegrijden, nadat [getuige 1] zich van haar fiets had ontdaan, heeft hij de auto weliswaar versneld, maar niet in die mate dat de verdachte niet nog enige tijd met de auto mee heeft kunnen lopen dan wel rennen, naar eigen zeggen ongeveer 40 meter. Dit wijst erop dat het wegrijden van [slachtoffer] niet als bijzonder gevaarzettend kan worden betiteld. Bovendien is niet gebleken van een concreet gevaar, zoals fietsers op het fietspad die [slachtoffer] met zijn manoeuvre mogelijk had kunnen aanrijden.

Naar het oordeel van het hof was het niet ongevaarlijk om [slachtoffer] in beschonken toestand te laten rijden, maar was de vrees dat dit zou leiden tot een aanrijding waarbij een verkeersdeelnemer gevaar liep, niet dusdanig concreet dat er sprake was van een aanranding – of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor – als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht, waartegen verdediging geboden was.

Het beroep op noodweer wordt mitsdien verworpen.

De verdediging heeft voorts gesteld dat de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald over het bestaan van een noodweersituatie, omdat hij zijn kennis omtrent de beschonken staat van de bestuurder en van het feit dat [slachtoffer] op dat moment [getuige 1] had aangereden, combineerde met zijn kennis van ongelukken die kunnen gebeuren wanneer een dergelijke bestuurder deel neemt aan het verkeer. Het hof is van oordeel dat hiermee niet aannemelijk is geworden dat de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald ten aanzien van het bestaan van een noodweersituatie. Ook hier geldt dat een redelijk handelende, in een vergelijke situatie verkerende, politieman naar het oordeel van het hof de situatie anders had ingeschat dan de verdachte, nu het gevaar voor [getuige 1] en andere verkeersdeelnemers vanuit dat perspectief en naar die maatstaf beperkt is geweest.

Het beroep op putatief noodweer wordt eveneens verworpen.

Artikel 7 van de Ambtsinstructie (feit begaan ter uitvoering van een wettelijk voorschrift)

Voorts is bepleit dat de verdachte heeft voldaan aan artikel 7 van de Ambtsinstructie en hij derhalve gebruik mocht maken van zijn vuurwapen om [slachtoffer] aan te houden. Nu de verdachte gehandeld heeft ter uitvoering van een wettelijk voorschrift, is het primair en subsidiair ten laste gelegde niet strafbaar en dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de advocaat-generaal en de verdediging.

Van belang zijn hier de volgende wettelijke bepalingen, zoals deze golden ten tijde van het tenlastegelegde.

Artikel 8, eerste lid, van de Politiewet 1993, luidende:

“De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.”

Artikel 8, vijfde lid, van de Politiewet 1993, luidende:

“De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.”

Artikel 9, eerste lid, van de Politiewet 1993, luidende:

“Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie voor zover het de Koninklijke marechaussee betreft, een ambtsinstructie voor de politie en voor de Koninklijke marechaussee vastgesteld.

Artikel 9, derde lid, van de Politiewet 1993, luidende:

“In de ambtsinstructie worden regels gegeven ter uitvoering van de artikelen 7 en 8.”

Artikel 7, eerste lid, van de Ambtsinstructie, luidende, voor zover van belang:

“Het gebruik van een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd:

a. (…)

b. om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf

1°. waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en

2°. dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer, of

3°. dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving is of kan zijn.

c. (…)

d. (…)”

Artikel 7, vierde lid, van de Ambtsinstructie, luidende:

“Onder het plegen van een misdrijf, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden mede begrepen de poging en de deelnemingsvormen, bedoeld in de artikelen 47 en 49 van het Wetboek van Strafrecht.”

Artikel 7 van de Ambtsinstructie beschrijft de situaties waarin een politieambtenaar over mag gaan tot het gebruik van zijn vuurwapen. Bij zijn handelen dient de politieambtenaar evenwel ook te voldoen aan de eisen die de (destijds geldende) Politiewet 1993 hieraan stelt, meer specifiek de eisen zoals neergelegd in artikel 8, eerste en vijfde lid, van de Politiewet 1993. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Vast staat dat [slachtoffer], nadat hij was aangehouden voor rijden onder invloed, heeft getracht weg te rijden. Hierbij heeft hij met zijn auto kracht gezet tegen de fiets van de collega van de verdachte, terwijl hem duidelijk te kennen was gegeven dat hij moest stoppen. Naar eigen zeggen heeft de verdachte vervolgens drie keer geschoten op de bestuurder, [slachtoffer], teneinde hem ook aan te kunnen houden voor een poging tot doodslag op [getuige 1].

Het hof is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden geen sprake was van een redelijk vermoeden dat [slachtoffer] zich schuldig had gemaakt aan een poging tot doodslag. De verdachte is een ervaren politieman. Van hem mag gevergd worden dat hij ook in stressvolle situaties scherp blijft waarnemen wat er om hem heen gebeurt. De verdachte stond ten tijde van de confrontatie tussen (de auto van [slachtoffer]) en zijn collega [getuige 1] op korte afstand van het gebeuren. Niet gebleken is dat hij in zijn waarneming van de situatie werd gehinderd. Ook voor de verdachte moet het dus helder zijn geweest dat het gevaar dat uitging van het duwen van de auto (dat is iets anders dan het inrijden op een agent met hoge snelheid) tegen de fiets onder de gegeven omstandigheden relatief beperkt was. Derhalve kan niet worden gesproken van een redelijk vermoeden van schuld aan een zwaar delict als poging tot doodslag op [getuige 1]. Nu niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een verdenking van een strafbaar feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, is aldus niet voldaan aan de voorwaarden als gesteld in artikel 7 van de Ambtsinstructie als hierboven weergegeven. Het beroep op de Ambtsinstructie dient dan ook te worden afgewezen.

Gelet hierop behoeft de stelling dat de verdachte heeft voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, zoals neergelegd in artikel 8, eerste en vijfde lid, van de Politiewet 1993, geen bespreking meer.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte zijn bevoegdheid om geweld te gebruiken, welke bevoegdheid hem uit hoofde van zijn functie toekwam op grond van artikel 8 van de Politiewet 1993, uitgewerkt in artikel 7 van de Ambtsinstructie, heeft overschreden en hij om die reden geen beroep kan doen op de strafuitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde of van de verdachte uitsluiten. Derhalve is zowel het bewezen verklaarde als de verdachte strafbaar.

Kwalificatie

Het primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door in zijn hoedanigheid als politieagent driemaal een kogel af te vuren op het bovenlichaam van een persoon, die er na een alcoholcontrole in zijn auto vandoor trachtte te gaan.

Het hof twijfelt er niet aan – mede gelet op het gesprek dat met de verdachte is gevoerd ter terechtzitting in hoger beroep - dat de verdachte oprecht de intentie heeft gehad het goede te doen. Evenwel moet het hof vaststellen dat de verdachte onjuiste keuzes heeft gemaakt, welke zeer verstrekkende gevolgen hebben gehad voor het leven van [slachtoffer]. De als eerste afgevuurde kogel heeft een blijvende dwarslaesie vanaf de 10de borstkaswervel tot gevolg gehad. Daarnaast heeft [slachtoffer] onder meer wervel- en ribbreuken, een middenrifscheur rechts en een scheurverwonding in de lever opgelopen. [Slachtoffer] – een jongeman van destijds 29 jaar oud – zit ten gevolge van deze tragische gebeurtenis de rest van zijn leven in een rolstoel. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [slachtoffer] gezegd dat inmiddels PTSS bij hem is vastgesteld, dat hij al meer dan vier jaar stil staat en dat hij geestelijk en mentaal op is.

Het hof is van oordeel dat de verdachte in de onderhavige zaak dusdanig verwijtbaar heeft gehandeld dat daarop een strafrechtelijke reactie dient te volgen.

Daarbij neemt het hof evenwel het volgende in aanmerking. De overheid heeft het geweldsmonopolie en van de ambtenaren die bevoegd zijn geweld te gebruiken, wordt onder omstandigheden ook verwacht dat geweld wordt toegepast wanneer dit voor de uitoefening van hun taken passend en noodzakelijk is. Dit betekent dat de opsporingsambtenaar zich in een kwetsbare positie bevindt. Terecht is door de advocaat-generaal in zijn requisitoir gezegd dat waar een ander bij gevaarlijke situaties kan terugtreden om te voorkomen dat hij geweld zal moeten gebruiken om zichzelf te verdedigen, van een opsporingsambtenaar juist wordt verwacht dat hij in die situatie optreedt en actie onderneemt. Die bijzondere positie dient bij de strafoplegging in acht te worden genomen.

Voor een poging doodslag, waarbij gericht met een vuurwapen is geschoten, worden over het algemeen langdurige, meerjarige gevangenisstraffen opgelegd.

In dit geval is echter sprake van een situatie waarin een politieambtenaar in de uitoefening van zijn werk tijdens een alcoholcontrole in een situatie terecht is gekomen, waarin hij ten onrechte heeft gemeend te moeten schieten op een reeds aangehouden persoon. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het feit dat deze door de verdachte nimmer gewenste situatie is ontstaan, ten dele op het conto van de bestuurder komt. De bestuurder heeft er immers voor gekozen om met teveel alcohol op achter het stuur te kruipen en heeft vervolgens, ondanks dat hij was aangehouden op verdenking van rijden onder invloed en de verdachte hem had verteld dat hij niet verder mocht rijden, geprobeerd te ontkomen. Deze omstandigheden moeten naar het oordeel van het hof van invloed zijn op de strafmaat.

Voorts houdt het hof bij het bepalen van de straf rekening dat het de verdachte zwaar valt dat hij zich publiekelijk moet verantwoorden en dat hij bovendien vier jaar lang in onzekerheid heeft geleefd over de afdoening van deze zaak. Ook betrekt het hof in haar oordeel dat de uitkomst van de strafvervolging wellicht negatieve gevolgen heeft voor de loopbaan van de verdachte bij de politie. Het hof houdt er in de op te leggen straf dan ook rekening mee dat de strafvervolging op zich, de langdurige onzekerheid en de veroordeling op zich al negatieve gevolgen voor de verdachte hebben gehad en ook nog zullen hebben.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 augustus 2016.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, mr. C.J. van der Wilt en mr. J. Candido, in bijzijn van de griffier mr. M.V. Roza.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 oktober 2016.

Bijlage, inhoudende de bewijsmiddelen in de zaak met rolnummer 22-005372-14 tegen de verdachte, genaamd:

[Naam],

geboren te [geboorteplaats] (geboorteland) op [geboortedag],

Tenzij anders vermeld wordt bij gebruik voor het bewijs van processen-verbaal gedoeld op processen-verbaal in de zin van artikel 344, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafvordering.

1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 26 november 2014 verklaard -zakelijk weergegeven-:

Op 24 augustus 2012 heb ik samen met mijn collega [getuige 1] een aantal personen gevolgd die vanuit een horecagelegenheid in een auto van het merk Seat stapten. Ik besloot de bestuurder van de Seat te onderwerpen aan een alcoholcontrole op de Eendrachtsweg te Rotterdam. Ik nam plaats aan de bestuurderskant en mijn collega [getuige 1] nam met haar fiets plaats aan de voorzijde van de auto. Ik heb de bestuurder gevraagd om de auto uit te zetten en om mee te werken aan een alcoholcontrole. De bestuurder heeft geblazen en ik zag een F staan. Ik vertelde hem dat hij teveel had gedronken en dat hij was aangehouden. Ik zei dat hij niet meer mocht rijden en dat hij uit moest stappen. Ik verloor het contact met hem. Hij startte toen de motor. De auto reed een stukje naar achteren. Ik wilde het gevaar stoppen. Ik zag dat het stuur een beetje naar rechts werd gedraaid. De auto reed naar rechts. Ik wilde hem stoppen. Ik heb drie keer geschoten. Ik heb op de schouder van de bestuurder gericht en gevuurd. Na het eerste schot ging de linker achteruit kapot. Het tweede schot was heel kort daarna. Weer richtte ik op de schouder van de bestuurder. Ik had mijn focus op de bestuurder. Ik wilde hem stoppen.

2. Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [verdachte] d.d. 24 augustus 2012 van de Rijksrecherche met nr. 20120075 en documentcode 1208241320.G. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 247):

als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [verdachte]:

Ten aanzien van de Integrale Beroepsvaardigheden Training ben ik volledig gecertificeerd.

3. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 24 augustus 2012 van de Rijksrecherche met nr. 20120075, documentcode 1208241415.G Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 256-260 van het proces-verbaal):

als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [getuige 1]:

Terwijl de Seat voor het rode verkeerslicht stond te wachten ben ik naar de voorzijde van de Seat gefietst. Ik ben toen met mijn fiets in de hand dwars voor de Seat gaan staan. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat de bestuurder een F blies. Ik hoorde [verdachte] zeggen tegen de bestuurder dat hij was aangehouden en dat hij de motor uit moest zetten. Dat deed hij ook. Ik stond nog steeds voor de Seat op dezelfde plaats. Ik hoorde dat motor van de Seat weer werd gestart. Op dat moment zag ik dat de Seat een heel klein stukje, nog geen wielomwenteling, naar achteren reed. Ik zag dat de Seat vervolgens naar voren bewoog van de linker in de richting van de rechter rijstrook. Ik ben met mijn fiets mee geschoven en ben frontaal voor de Seat gebleven. Ik wilde de Seat geen gelegenheid geven om weg te rijden. Direct bij het wegrijden botste de Seat tegen mijn fiets aan. Dit gebeurde op een zodanige wijze dat ik nog wel mijn fiets vast kon houden. Ik bewoog mee naar achteren. De Seat bleef doorduwen. De motor gaf geen geluid van een hoog toerental. De Seat heeft mijn fiets geraakt midden op de fiets ter hoogte van het kettingblad. Ik denk dat ik wel vijf of zes meter naar achteren moest. Ik werd weggeduwd doordat de Seat door bleef rijden en langzaam zijn snelheid verhoogde. Ik kon op enig moment de situatie niet meer houden en heb mijn fiets weggegooid en ben zelf weggesprongen. Ik was niet echt bang toen de auto tegen mijn fiets duwde. Ik zag [verdachte] weer op het moment dat ik mijn fiets had weggegooid en was weggesprongen. Ik zag dat [verdachte] zijn vuurwapen in zijn hand had en dit richtte op de Seat. In mijn beleving kwam [verdachte] achter mij langs gerend aan de bestuurderszijde van de Seat. Ik zag dat hij zijn wapen richtte op het linker achterraam. Ik denk dat er nog geen twee seconden zat tussen het moment dat ik [verdachte] achter mij langs zag komen en het eerste schot dat [verdachte] loste. Vervolgens zag en hoorde ik dat binnen twee seconden het volgende schot door [verdachte] werd afgevuurd. Toen de Seat rechtsaf de Westblaak op was, vuurde [verdachte] een derde schot op de Seat.

4. Een proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 5 september 2012 van de Rijksrecherche met nr. 20120075, documentcode 1209051400.AAN. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 25-26 van het proces-verbaal):

als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Ik heb vanmorgen een getuigenverklaring afgelegd. Ik doe hierbij aangifte van poging doodslag. Ik ben getroffen door politiekogels. Ik raakte hierbij ernstig verwond. Eén kogel raakte mijn ruggenwervel, waardoor ik een dwarslaesie bekwam en een andere kogel bevindt zich nog in mijn lichaam, nabij of in de lever.

5. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 5 september 2012 van de Rijksrecherche met nr. 20120075, documentcode 1209050930.G [alfabetreeks][cijferreeks]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 195-198 van het proces-verbaal):

als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Op 24 augustus 2012, omstreeks 07:15 uur kwam ik uit café Blue Label aan de Eendrachtsweg in Rotterdam. Ik ben toen achter het stuur van de auto gestapt en [getuige 2] en [getuige 3] zijn op de achterbank gaan zitten. Kort nadat ik vanuit het parkeervak was weggereden werd ik door een politieagent aangesproken. De agent zei dat ik was aangehouden. Toen ik vervolgens voor mij keek, zag ik dat er een vrouwelijke politieagent voor de auto stond. Ik ben toen een klein stukje achteruit gereden. Daarna heb ik mijn auto in de eerste versnelling gezet en ben toen zachtjes vooruit gaan rijden. Ik stuurde daarbij naar rechts, om zo om de politieagente heen te rijden. Ik zag dat de politieagente meebewoog in de richting van waar ik wilde rijden. Zij wilde kennelijk op die manier voorkomen dat ik weg zou rijden. Toen ik de bocht om was gegaan, bemerkte ik dat ik mijn benen niet meer kon gebruiken. Ik

bleef in de eerste versnelling doorrijden en ik hoorde de motor loeien. Ik heb op geen enkel moment een schot gehoord. Ik heb geen pijn gevoeld en wist dan ook

niet dat ik geraakt was. Ik weet dat ik op een gegeven moment heb gezien dat de ruit van het linker achterportier kapot was.

6. Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. 2012.09.18.092, d.d. 28 maart 2013, opgemaakt en ondertekend door de deskundigen W. Kerkhoff en dr. A. Brouwer-Stamouli. Dit rapport houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze deskundigen:

Schot 1

Uitgaande van het deskundigheidsgebied Kras-, Indruk- en Vormsporen (hierna: KW) onderzoek is dit het eerste schot geweest. De kogel heeft op een hoogte van 104 ± 2 cm en een afstand van 152 ± 2 cm vanaf het achterste punt van de auto, de ruit van het linker achterportier verbrijzeld. De kogel heeft de ruit onder een dalende hoek van 17 ± 50 geraakt, onder een hoek van 43 ± 50 in de richting de voorzijde van de auto. De bevindingen van het onderzoek passen het beste bij het volgende schootsbaan:

1. De kogel heeft de ruit gebroken.

2. De kogel heeft vervolgens beschadigingen Cl en C2 in de bestuurdersstoel veroorzaakt.

3. De kogel heeft vervolgens de blouse van het slachtoffer doorboord en het lichaam van [slachtoffer] binnengedrongen.

Schot 2

Uitgaande van het KIV onderzoek is dit het tweede schot geweest.

De bevindingen van het onderzoek passen het beste bij het volgende schootsbaan;

1. De kogel heeft de ruit van het linker voorportier verbrijzeld, dan wel is door de opening van de (deels) geopende ruit van het linker voorportier de auto binnengetreden.

2. Na het binnentreden via de ruit heeft de kogel de blouse van het slachtoffer doorboord. De kogel heeft daarna (een deel van) de overige beschadigingen in de

linkermouw, in het linker voorpand en in het rechter voorpand veroorzaakt.

3. Vervolgens is de kogel de zachte bekleding van de armsteun op het middenconsole binnengedrongen via beschadiging Dl, is gericocheerd op de harde onderzijde van de armsteun (beschadiging D3) en heeft de armsteun weer verlaten via beschadiging D2.

4. De kogel is op de vloer voor de passagiersstoel terechtgekomen, waar deze uiteindelijk is veiliggesteld.

Schot 3

Uitgaande van het KIV onderzoek is dit het derde schot geweest.

De bevindingen van het onderzoek passen het beste bij het volgende schootsbaan:

1. De kogel is op een hoogte van 87 ± 2 cm en een afstand van 107 ± 2 cm vanaf het achterste punt van de auto, het plaatstaal van het linker achterportier, bij de deurgreep, binnengedrongen. De kogel heeft de ruit onder een dalende boek van 20 ± 50 geraakt, onder een hoek van 28 ± 5° in de richting de voorzijde van de auto (op grond van het schootsbaanonderzoek). De bevindingen van het onderzoek zijn waarschijnlijker als de schootsafstand (tussen het plaatstaal van het linker achterportier en de loopmonding) groter dan 25 centimeter was.

2. Nadat de kogel de linker achterportier heeft doorboord is de kogel in het zakje voor een TomTom terechtgekomen. In de TomTom zak is de kogel tegen de TomTom die zich in de zak bevond tot stilstand gekomen.

7. Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. 2012.09.18.092.004, d.d. 9 april 2013, opgemaakt en ondertekend door de deskundige H.N.J.M. van Venrooij, forensisch arts KNMG. Dit rapport houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze deskundige:

In de klinische informatie is sprake van twee verwondingen op twee lokalisaties aan de linker voorzijde van de borstkas. Deze letsels worden, kennelijk bij afwezigheid

van een veroorzakend projectiel, door de behandelend arts(en) gekwalificeerd als in- en uitschotletsel. Daarnaast wordt in het klinische dossier een verwonding links op de rug ter hoogte van de tiende borstwervel beschreven welke als een inschotverwonding wordt gekwalificeerd. In relatie daarmee worden uitgebreide

breuken aan de achterzijde van deze tiende borstwervel gediagnosticeerd die zich uitbreiden tot in het wervelkanaal met het daarin gelegen ruggenmerg, resulterend in een dwarslaesie vanaf het bijpassende ruggenmerg-niveau, omschreven als Th11. Deze dwarslaesie kan worden toegeschreven aan de directe en massale beschadiging van het ruggenmerg door de plaatselijke mechanische geweldsinwerking van het met hoge kinetische energie passerende projectiel. Na vervolgens het ook door de externe deskundige gereconstrueerde traject via de onderkwab van de rechterlong, het middenrif en de achterzijde van de lever te hebben afgelegd kwam dit projectiel tot stilstand aan de rechtervoorzijde van de borstkas bij de achtste en/of negende rib. Daar werd het volgens de klinische informatie op 20-09-2012 aangetroffen en chirurgisch verwijderd.

Gezien deze combinatie van klinische bevindingen en de

radiologische reconstructie van de projectielbaan door de borst- en buikholte kan een rechtstreeks verband worden gelegd tussen het traject van dit projectie] en het

bij [slachtoffer] in aansluiting op het schietincident op 24-08-2012 vastgestelde letsel. Dit letsel bestond uit vele breuken van de tiende borstwervel, een direct daaraan

gerelateerde complete dwarslaesie Th11, een verscheuring van de onderkwab van de rechterlong met een haematopneumothorax en een leverlaceratie met tijdelijke

lekkage van gal. De in relatie met de schotverwonding in de rug gestelde diagnose ‘dwarslaesie Th11’, impliceert een beschadiging van het ruggenmerg met een volledig verlies, zowel links- als rechtszijdig, van spier- en gevoelsfuncties vanaf het neurologische niveau Th11, onder de navel, naar voetwaarts. Het optreden van de verlamming van de spieren aan het onderste deel van de romp en aan beide benen door de geweldsinwerking van het passerende projectiel was onmiddellijk. Dit impliceert dat betrokkene vanaf het moment van oplopen van dit letsel niet meer in staat was tot willekeurig gebruik van deze spieren. Naast de beschreven dwarslaesie Th11 werden bij [slachtoffer] in het verloop van de schotverwonding vanaf de linkerzijde van de rug naar de rechtervoorzijde van de buikholte een haematopneumothorax en een leververscheuring vastgesteld.

Deze bijlage is ondertekend door de voorzitter, mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, op 3 oktober 2016.