Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2831

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-09-2016
Datum publicatie
07-10-2016
Zaaknummer
BK-16/00212
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:1858, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is van een onredelijke en willekeurige rioolheffing doordat de Gemeente nalaat te differentiëren in het te hanteren tarief voor eigenaren van woningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2131
V-N 2017/4.25.27
FutD 2016-2460
NTFR 2016/2646
NLF 2016/0444 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-16/00212

Uitspraak van 28 september 2016

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [Z], de heffingsambtenaar,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 maart 2016, nummer ROT 15/5390, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor de woning gelegen aan de [Y] te [Z] (hierna: de woning) voor het jaar 2015 een aanslag in de rioolheffing (hierna: de aanslag) van de gemeente [Z] opgelegd voor een bedrag van € 82,30.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 45 is geheven.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 124. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2016 te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1.

Belanghebbende was op 1 januari 2015 eigenaar en gebruiker van de woning. De woning is niet aangesloten op de gemeentelijke riolering. Belanghebbende maakt op eigen kosten gebruik van een septic tank voor de afvoer van (huishoudelijk) afvalwater.

3.2.

Aan belanghebbende is geen aanslag rioolheffing 2015 voor de gebruiker opgelegd.

Verordening

4.1.

De raad van de gemeente [Z] (hierna: de Gemeente) heeft in zijn openbare vergadering van 2 december 2014 de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2015 (hierna: de Verordening) vastgesteld. Blijkens de inhoud van de gedingstukken zijn de Verordening en de wijziging daarvan op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

4.2.

De Verordening luidt, voor zover thans van belang:

"Artikel 2 Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de

kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

1. De belasting wordt geheven:

a. van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel verder te noemen: eigenarendeel, en

b. van de gebruiker van een perceel, verder te noemen: gebruikersdeel.

2. Met betrekking tot het eigenarendeel wordt, ingeval het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

3. Met betrekking tot het gebruikersdeel, wordt als gebruiker aangemerkt:

a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebuikt;

b. ingeval een gedeelte van een perceel – niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4 –voor gebruik is afgestaan, degene die dat gedeelte voor gebruik heeft afgestaan

(…)

Artikel 5 Maatstaf van heffing

1. Het eigenarendeel van woningen wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.

2. Het gebruikersdeel van woningen wordt geheven naar het aantal gebruikers.

(…)

Artikel 6 Belastingtarieven

1. Het eigenarendeel bedraagt per woning: € 82,30

2. Het gebruikersdeel bedraagt per woning:

a. indien de woning op 1 januari van het belastingjaar, of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht wordt gebruikt door één persoon € 24,40

b. indien de woning op 1 januari van het belastingjaar, of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht wordt gebruikt door meerdere personen € 73,20

c. indien de woning niet direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering: € 0,00.

(…)

Artikel 7 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8 Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

1. Het eigenarendeel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar.

(…)."

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1.

In geschil is of de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is van een onredelijke en willekeurige rioolheffing doordat de Gemeente nalaat te differentiëren in het te hanteren tarief voor eigenaren van woningen.

5.2.

Belanghebbende stelt dat sprake is van een onredelijke en willekeurige heffing. Zijn woning is niet aangesloten op de gemeentelijke riolering, waardoor hij op eigen kosten moet zorgdragen voor de afvoer van afvalwater. Bij de rioolheffing wordt daar geen rekening mee gehouden.

5.3.

De Inspecteur stelt gemotiveerd dat geen sprake is van een onredelijke en willekeurige rioolheffing.

5.4.

Voor de verdere onderbouwing van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging, dan wel verlaging, van de aanslag.

6.2.

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

7. De rechtbank heeft het volgende overwogen:

"1. [Belanghebbende] is eigenaar en gebruiker van het perceel en voert aan dat zijn perceel niet is aangesloten op de gemeentelijke riolering omdat hij gebruik maakt van een septic tank. [Belanghebbende] vindt het dan ook onredelijk dat hij wordt aangeslagen voor de afvoer van afvalwater en is van mening dat de aanslag in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel en het rechtzekerheidsbeginsel. De heffing leidt -naar de mening van [belanghebbende]- door het ontbreken van differentiatie van de tarifering tot ongelijkheid tussen de burgers.

2. Op grond van artikel 228a, eerste lid, van de Gemeentewet kan onder de naam rioolheffing een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en

b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

3. Op basis van dit artikel heeft de Raad van de gemeente de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2015 (de Verordening) vastgesteld.

Op grond van artikel 2, aanhef en onder b, van de Verordening, wordt onder de naam rioolheffing een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Op grond van artikel 3, aanhef en onder a en b, van de Verordening, wordt de belasting geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel, verder te noemen: eigenarendeel, en van de gebruiker van een perceel, verder te noemen: gebruikersdeel.

3.1.

Onder verwijzing naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:917 is de rechtbank van oordeel dat het feit dat de belastingplicht niet is beperkt tot eigenaren en gebruikers van percelen die zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering of die anderszins profijt hebben van de in artikel 228a, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 2 aanhef en onder b van de Verordening genoemde activiteiten, niet maakt dat deze belasting onredelijk is. Gelet op het voorgaande is ook niet van belang dat het perceel, zoals [belanghebbende] aanvoert, niet is aangesloten op de gemeentelijke riolering, wat overigens ook niet in geschil is.

3.2.

Op grond van artikel 228a, eerste lid, van de Gemeentewet is het niet noodzakelijk dat de gemeente een zorgplicht heeft voor een perceel of dat een perceel belang heeft bij de uitvoering van de genoemde gemeentelijk taken. Dit artikel stelt de gemeente in staat voormelde kosten te verhalen, waarbij zij door de wetgever is vrijgelaten om door middel van een eigen belastingverordening de heffing nader vorm te geven.

Het bepalen van onder meer de belastingplichtige, de heffingsgrondslag en de heffingsmaatstaf is aan de gemeente overgelaten. Deze bevoegdheid strekt zich mede uit tot de hoogte en de differentiatie van de tarieven van de belasting, met dien verstande dat het bedrag van de belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen van de belastingplichtige. De rechter kan hierin niet treden. Dit is alleen anders als deze invulling leidt tot een onredelijke en of willekeurige belastingheffing die de wetgever, bij de toekenning van de bevoegdheid om rioolheffingen in te voeren, niet bedoeld kan hebben.

De stelling van [belanghebbende] dat er sprake is van een onredelijke heffing door het ontbreken van een differentiatie in de tarifering hetgeen leidt tot strijdigheid met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, faalt.

4. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van een ongelijke behandeling van de burgers met een septic tank waardoor de verordening met betrekking tot de tarifering onredelijk zou zijn en op dat punt onverbindend verklaard zou moeten worden. Dat [de heffingsambtenaar] in de tarifering geen rekening houdt met het feit dat [belanghebbende] kosten maakt om zelf te voorzien in de afvoer van afvalwater via een septic tank, maakt niet er sprake is van een ongelijke behandeling. Immers, nu [belanghebbende] ter zitting heeft aangegeven dat hij niet de enige is met een septic tank die voor afvoer van afvalwater eigen kosten maakt en zij allen van [de heffingsambtenaar] eenzelfde aanslag hebben ontvangen, kan niet worden gesteld dat er sprake is van ongelijke toepassing van de Verordening op gelijke gevallen.

5. Gelet op het vorenstaande is niet gebleken dat er in strijd is gehandeld met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en heeft [de heffingsambtenaar] de aanslagen kunnen opleggen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

Beoordeling van het hoger beroep

8.1.

Artikel 228a van de Gemeentewet bevat geen voorschriften over de belastingplicht, het belastbare feit, de heffingsmaatstaven, de tarieven en wat overigens voor de heffing en de invordering van de rioolheffing van belang is. De Gemeente is derhalve vrij om aan deze elementen van de rioolheffing in de desbetreffende belastingverordening de invulling te geven die zij wenst. Dit is slechts anders indien deze invulling leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing die de wetgever in formele zin bij de toekenning van de bevoegdheid om rioolheffingen in te voeren, niet op het oog kan hebben gehad.

8.2.

De Gemeente heeft binnen het kader van haar bevoegdheid gekozen voor splitsing van de rioolheffing in een “eigenarendeel” en een “gebruikersdeel”. De Gemeente heeft, naar volgt uit artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Verordening, ervoor gekozen iedere genot-hebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel te onderwerpen aan de daar als “eigenarendeel” aangeduide belasting. De belastingplicht is dus niet beperkt tot genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van percelen die zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering of anderszins profijt hebben van de in artikel 228a, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 2 van de Verordening genoemde activiteiten. Niet gezegd kan worden dat het achterwege laten van deze beperking voor eigenaren leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing in de hiervoor bedoelde zin. Belanghebbende gaat eraan voorbij dat de rioolheffing (mede) strekt ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Deze kosten worden mede gemaakt ten behoeve van openbare wegen en ruimten waar belanghebbende net als alle andere inwoners van de gemeente gebruik van maakt. Gelet op het een en ander is belanghebbende, nu vaststaat dat hij genothebbende is krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel in de zin van artikel 1, aanhef en onderdeel a van de Verordening, terecht in de heffing van het “eigenarendeel” betrokken.

8.3.

Op grond van artikel 6, tweede lid, onder c, van de Verordening bedraagt het “gebruikersdeel” van een woning die niet direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering € 0,00. In zoverre wordt er wel gedifferentieerd in het te hanteren tarief voor de rioolheffing en wordt door de Gemeente tegemoet gekomen aan de ingezetenen die voor de afvoer van afvalwater gebruik maken van eigen voorzieningen. Belanghebbende is niet aangeslagen voor het “gebruikersdeel” van de rioolheffing, waardoor ook in zijn concrete geval door de Gemeente tegemoet wordt gekomen aan zijn bezwaren dat hij zelf de kosten voor de afvoer van afvalwater draagt, omdat zijn woning niet is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Van een ongeoorloofde discriminatie, dat ongelijke gevallen onevenredig ongelijk worden behandeld, is geen sprake.

8.4.

Gesteld noch gebleken is dat de rioolheffing van de Gemeente is geheven voor een ander doel dan de bestrijding van de kosten die voor de Gemeente verbonden zijn aan de in artikel 228a, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 2 van de Verordening genoemde activiteiten of dat de opbrengst van de rioolheffing uitgaat boven de hiervoor bedoelde kosten.

8.5.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft de heffingsambtenaar belanghebbende op grond van het bepaalde in de Gemeentewet en de Verordening voor het “eigenarendeel” van € 82,30 van de rioolheffing kunnen aanslaan. Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

9. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Evenmin is er aanleiding de vergoeding van het griffierecht te gelasten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. D.M. Drok, mr. J.J.J. Engel en mr. J.E.H.M. Pinckaers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits. De beslissing is op 28 september 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

  2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.