Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2793

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
26-09-2016
Zaaknummer
22-000250-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd met een beslissing, die hem op grond van artikel 89, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering in beginsel recht geeft op toekenning van een vergoeding voor de schade, die hij heeft geleden als gevolg van het door hem ondergane voorarrest. Indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn ingevolge het hier toepasselijke artikel 90, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof wijst het verzoek af. Het hof is van oordeel dat geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Datum uitspraak: 10 augustus 2016

Rolnummer: 22-000250-14

GERECHTSHOF DEN HAAG

meervoudige raadkamer

BESCHIKKING

gewezen naar aanleiding van een ter griffie van dit gerechtshof ingekomen verzoekschrift, op grond van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering ingediend namens:

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] Somalië op [geboortejaar] 1997,

in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. F.P. Holthuis aan de Abraham Patrasstraat 5 te Den Haag.

Procesgang

Dit gerechtshof heeft bij arrest van 2 april 2015 met bovengenoemd rolnummer het vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Rotterdam van 10 januari 2014 in de strafzaak tegen de verzoeker, vernietigd en de verdachte van het hem ten laste gelegde vrijgesproken.

Dit arrest is inmiddels onherroepelijk geworden.

Namens de verzoeker is vervolgens bij een tijdig ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschrift gevraagd om toekenning van schadevergoeding van € 105.810,-, ter zake van het door hem in zijn strafzaak ondergane voorarrest.

De raadkamer van het hof heeft het verzoek in het openbaar op 13 juli 2016 behandeld. Daarbij is gehoord de advocaat en de advocaat-generaal mr. S.A. Minks.

De advocaat-generaal heeft overeenkomstig zijn schriftelijke conclusie primair geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek, subsidiair heeft hij geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing, tot een bedrag van USD 593, omgerekend € 528,-, onder andere berekend naar aanleiding van het maandinkomen van de verzoeker van USD 40 per dag, en afwijzing van het meer of anders verzochte.

Beoordeling van het verzoek

De strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd met een beslissing, die hem op grond van artikel 89, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering in beginsel recht geeft op toekenning van een vergoeding voor de schade, die hij heeft geleden als gevolg van het door hem ondergane voorarrest. Ingevolge het hier toepasselijke artikel 90, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft toekenning van die schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Het hof heeft in zijn arrest van 2 april 2014 vastgesteld dat verzoeker op 24 oktober 2012, samen met zijn toenmalige medeverdachten, aan boord van de [naam] was toen er vanaf de [naam] op of in de richting van Nederlandse mariniers is geschoten. Voorts heeft het hof vastgesteld dat verzoeker bewapend was en mogelijk aan boord was om bewakingsactiviteiten te verrichten. Ondanks het feit dat verzoeker voor de ten laste gelegde zeeroof en schieten op personeel van de Nederlandse marine is vrijgesproken, zijn er naar het oordeel van het hof, gezien bovengenoemde vaststellingen, op zijn minst genomen zeer sterke aanwijzingen dat verzoeker betrokken was bij andere - niet tenlastegelegde - strafbare feiten. Gelet hierop is het hof van oordeel dat geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van schadevergoeding.

De enkele omstandigheid dat de verdachte mogelijkerwijs ten tijde van de verweten gedragingen minderjarig was (hetgeen overigens niet is komen vast te staan) maakt dat niet anders nu geenszins is gebleken dat zijn leeftijd bij zijn handelen, of bij het ondergaan van de detentie, in dit opzicht een rol van betekenis heeft gespeeld.

Gelet op het voorgaande dient het verzoek te worden afgewezen.

Beslissing

Het hof:

Wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A.Th.M. Dekkers, voorzitter,

mrs. S. van Dissel en Tj.E. van der Spoel, leden, in bijzijn van de griffier mr. M.Th.A. de Ridder, en op 10 augustus 2016 in het openbaar uitgesproken.

Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.