Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2764

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
23-09-2016
Zaaknummer
200.190.774/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:4508, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Verhuizingsverzoek. Stem van de 12 jarige dochter belangrijk. Rapport bijzondere curator.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 3 augustus 2016 (bij vervroeging)

Zaaknummer : 200.190.774/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 16-1123

Zaaknummer rechtbank : C/09/505395

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.C. Kelderman te Haarlem,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. C.M. Schouten te 's-Gravenhage.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[naam deskundige]

in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna te noemen minderjarige,

kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 9 mei 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 20 april 2016 van de rechtbank Den Haag. Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder het zaaknummer 200.190.774/01. Bij dat beroep heeft de moeder tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingediend. Dit verzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.190.774/02.

Bij beschikking van 8 juni 2016 heeft het hof:

- [naam deskundige] tot bijzondere curator over de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige) benoemd,

- de verzoeken van de moeder tot het treffen van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv en het voorwaardelijke zelfstandig verzoek van de vader afgewezen.

De vader heeft op 28 juni 2016 een verweerschrift tevens houdende een voorwaardelijk incidenteel appel ingediend.

De moeder heeft op 26 juli 2016 een verweerschrift op het voorwaardelijk incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 13 mei 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

- op 30 mei 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

- op 26 juli 2016 een V-formulier van 25 juli 2016 met bijlagen.

Voorts is ingekomen op 1 juli 2016 de rapportage van de bijzondere curator.

De zaak is op 27 juli 2016 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de moeder bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de vader bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de bijzondere curator.

Namens de raad is, zoals voorafgaand aan de zitting aangekondigd, niemand verschenen.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitnotities overgelegd. De advocaat van vader heeft een e-mail van 26 juli 2016 overgelegd.

De minderjarige heeft schriftelijk haar mening kenbaar gemaakt.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn de verzoeken van de moeder – strekkende tot vervangende toestemming voor verhuizing naar de Bollenstreek en inschrijving van de minderjarige op een school in [plaats] , alsmede wijziging van de tussen partijen geldende zorgregeling – afgewezen. Voorts is, indien en voor zover de moeder naar buiten Den Haag zal verhuizen, de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader bepaald en is bepaald dat de minderjarige alsdan bij de moeder zal verblijven:

  • -

    op woensdagmiddag;

  • -

    de verdeling van de weekenden in onderling overleg;

  • -

    de helft van de vakanties en de helft van de feestdagen in onderling overleg.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

  • -

    de minderjarige is door de vader erkend;

  • -

    de ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarige;

  • -

    de hoofdverblijfplaats van de minderjarige is bij de moeder;

  • -

    de ouders geven uitvoering aan een mondeling overeengekomen zorgregeling, waarbij de minderjarige de ene week van donderdagmiddag na school tot vrijdagmiddag 18.00 uur en de andere week van donderdagmiddag na school tot maandagochtend bij de vader is. De vakanties en feestdagen verdelen de ouders in onderling overleg.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is in het kader van de uitoefening van het gezamenlijk gezag de vervangende toestemming tot verhuizing van de moeder met de minderjarige waarmee samenhangt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en de zorgregeling.

2. De moeder verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat:

- de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder zal zijn en de moeder gerechtigd is om zich met de minderjarige in [plaats] te vestigen;

- een zorgregeling vast te stellen, waarbij de vader gerechtigd is om de minderjarige bij zich te hebben de ene week van vrijdagmiddag tot zaterdagmiddag en de andere week van vrijdagmiddag tot zondagavond alsmede gedurende de helft van de vakanties en de helft van de feestdagen, althans een zodanige beslissing te nemen en een zodanige zorgregeling vast te stellen als het hof in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt;

Subsidiair verzoekt de moeder, voor het geval haar verzoeken worden afgewezen, een zorgregeling vast te stellen als volgt:

- de moeder is gerechtigd de minderjarige bij zich te hebben gedurende de zogenaamde lange week: van donderdagmiddag tot zondagavond en gedurende de korte week van donderdagmiddag tot zaterdagochtend, gedurende alle korte vakanties (krokus/voorjaars-, mei en herfstvakantie) en gedurende de helft van alle overige vakanties en feestdagen.

3. De vader verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en de grieven van de moeder af te wijzen. Indien de moeder in hoger beroep toestemming krijgt om met de minderjarige naar [plaats] te verhuizen, verzoekt de vader bij wijze van incidenteel appel een zorgregeling vast te leggen waarbij de minderjarige bij haar vader verblijft:

- om de week van vrijdagmiddag na school tot zondagavond 19.00 uur;

- op Vaderdag en op de verjaardag van de vader;

- de helft van de vrije dagen en de vakanties, waarbij de minderjarige:

- om en om het ene jaar de eerste drie weken van de zomervakantie bij de vader verblijft en het volgende jaar de tweede drie weken enzovoort, en

- om en om het ene jaar de eerste week van de kerstvakantie bij de vader verblijft en het volgende jaar de tweede week van de kerstvakantie enzovoort;

en te bepalen dat de moeder de minderjarige alle keren brengt en haalt, conform het voorstel van de moeder. Voorts verzoekt de vader de moeder in principaal en in incidenteel appel te veroordelen in de proceskosten.

4. De moeder verzet zich daartegen en verzoekt bij wijze van verweer in voorwaardelijk incidenteel appel, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een zorgregeling vast te stellen zoals door de moeder in het verweerschrift op het voorwaardelijke incidenteel appel van de vader en het hoger beroepschrift omschreven, met dien verstande dat de zomervakantie zo wordt verdeeld dat de minderjarige altijd de laatste drie weken van de zomervakantie bij haar verblijft, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van de minderjarige juist acht.

5. De moeder stelt ter onderbouwing van het door haar verzochte het volgende. De moeder is van mening dat de rechtbank haar verzoek om vervangende toestemming tot verhuizing met de minderjarige ten onrechte heeft afgewezen. De moeder wil graag samenwonen met haar nieuwe partner. In tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft overwogen is de moeder wel degelijk genoodzaakt om te verhuizen. Haar woning in Den Haag was te klein om zichzelf, de minderjarige en de nieuwe partner van de moeder en zijn zoon te huisvesten. Een grotere woning in Den Haag was te duur voor de moeder en haar nieuwe partner. De moeder en haar nieuwe partner hebben een woning gevonden in [plaats] . De woning ligt op nog geen 40 km afstand van de woning van de vader en is met de auto binnen circa een half uur te bereiken. Daarbij zal de minderjarige haar vader binnen afzienbare tijd met het openbaar vervoer kunnen bezoeken. De moeder diende bij het zoeken van een nieuwe woning tevens rekening te houden met de ruime zorgregeling die nieuwe partner van de moeder met zijn zoon heeft. De ex-echtgenote van de nieuwe partner woont in [plaats] en [plaats] ligt ongeveer tussen Den Haag en [plaats] in. Dat dit argument de belangen van de minderjarige en de vader onverlet zou laten, zoals de rechtbank heeft overwogen, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De rechtbank dient immers alle relevante belangen in de beslissing te betrekken, dus ook het belang van de nieuwe partner en daarmee het belang van het nieuwe gezin. De moeder wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2008 (Zwitserland), waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat deze belangenafweging ertoe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind. Voorts stelt de moeder dat zij tot nu toe de hoofdopvoeder is geweest en dat door de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader te bepalen een breuk met het verleden zal optreden. Dit terwijl de moeder van mening is dat de vader lang niet zo betrokken is bij school en de hobby’s van de minderjarige als zij. Daar komt bij dat de moeder twee van de vier dagen, die zij werkt thuis kan werken, zodat zij de minderjarige op kan vangen als zij uit school komt. Dit terwijl de man vier keer negen uur per week werkt en ’s avonds pas laat thuis is waardoor de minderjarige veel alleen zal zijn. Volgens de moeder is dit voor een puber die moet wennen aan de overgang naar de middelbare school niet wenselijk, omdat zij wellicht extra begeleiding en zorg nodig heeft. Voorts stelt de moeder dat haar niet kan worden verweten dat zij niet met de vader over de verhuizing in overleg is getreden. De moeder heeft hier echter pogingen toe ondernomen, maar de vader stond hier niet voor open. Indien de moeder vervangende toestemming zou worden verleend zou de zorgregeling met de vader slechts een kleine wijziging moeten ondergaan. De donderdag- of vrijdagmiddag, waarop de minderjarige thans bij haar vader verblijft, zou kunnen worden gewijzigd naar vrijdag of zaterdag. Daarnaast heeft de moeder zich bereid getoond om de vader bijvoorbeeld in de vakanties te compenseren. Hoewel de moeder beseft dat het sociale leven van de minderjarige, indien zij zal verhuizen een grote verandering zal ondergaan, merkt zij op dat het leven van de minderjarige sowieso een grote verandering zal ondergaan omdat zij vanaf volgend jaar de middelbare school zal bezoeken waar zij nieuwe vrienden en vriendinnen zal krijgen. Daarbij zou het een enorme wijziging opleveren indien de feitelijke dagelijkse verzorging plotseling door haar vader in de plaats van haar moeder zou worden uitgevoerd. Voorts merkt de moeder op dat een verhuizing tevens positieve effecten heeft. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst de moeder naar de noot van de Advocaat-Generaal bij het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2008. Daarnaast blijkt volgens de moeder uit wetenschappelijk onderzoek dat verhuizing bij de overgang van de lagere school naar de middelbare school het (enige) juiste moment is. Voorts stelt de moeder dat de rechtbank het elementaire rechtsbeginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden omdat de rechtbank kennis heeft genomen van de brief van de vader die de vader aan de minderjarige heeft meegegeven tijdens het kinderverhoor.

6. De vader voert daartegen het volgende aan. De ouders hebben er nadat zij uit elkaar zijn gegaan bewust voor gekozen om bij elkaar in de buurt te blijven wonen, zodat zij de minderjarige samen konden blijven opvoeden en verzorgen. De vader is dan ook geschrokken van het verzoek van de moeder om vervangende toestemming tot verhuizing van de minderjarige. Te meer omdat de moeder de beslissing van de rechtbank niet heeft afgewacht en haar woning in Den Haag heeft verkocht en een woning in [plaats] gekocht met haar nieuwe partner. De vader is van mening dat geen noodzaak bestaat voor de verhuizing van de moeder. Noch de moeder noch haar nieuwe partner zijn gebonden aan [plaats] . Volgens de vader is door de moeder onvoldoende aangetoond dat de moeder heeft gepoogd om een geschikte betaalbare woning te vinden in Den Haag. De vader heeft zelfs zijn woning te koop aangeboden aan de moeder voor dezelfde prijs als de woning die de moeder heeft gevonden in [plaats] . Hoewel de woning aan alle wensen van de moeder voldoet is de moeder niet op dit aanbod van de vader ingegaan. Voorts voert de vader aan dat de reistijd tussen [plaats] en zijn woning in Den Haag met de auto minstens 45 minuten is en met het openbaar vervoer 1 uur en 12 minuten. Daarbij is de minderjarige te jong om met het openbaar vervoer te reizen en is dit ook te omslachtig voor haar. De vader vindt het onbegrijpelijk dat de moeder de zorgregeling van haar nieuwe partner met zijn zoon boven die van de minderjarige met haar vader plaatst. Niet valt in te zien waarom de belangen van de nieuwe partner en zijn zoon dienen te prevaleren. De vader is van mening dat de rechtbank wel degelijk conform HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901 alle belangen en omstandigheden heeft meegewogen in haar beslissing. Uit voornoemd arrest blijkt niet dat het belang van de minderjarige niet doorslaggevend mag zijn. Onder meer is in HR 21 mei 2010 ECLI:NL:HR:2010:BL7407 en HR 4 oktober 2013 ECLI:NL:HR:2013:847 bepaald dat het belang van het kind wel degelijk doorslaggevend kan zijn. Wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige zou geen breuk met het verleden opleveren. De minderjarige heeft de helft van haar leven bij haar vader doorgebracht. De moeder bagatelliseert ten onrechte het aandeel van de vader in de opvoeding van de minderjarige. De vader helpt de minderjarige met rekenen en taal en hij past zijn werkschema altijd aan op de zorgregeling. Flexibele werktijden en thuiswerken behoren voor hem ook tot de mogelijkheden. Indien de minderjarige naar [plaats] moet verhuizen wordt zij weggetrokken uit haar vertrouwde omgeving, bij haar vader, haar vriendinnen, haar sociale leven en de hockeyclub waar zij op zit. Bovendien is de relatie van de moeder en haar nieuwe partner pril. Gelet hierop zou de minderjarige in een kwetsbare en onzekere positie terechtkomen. Het is niet juist dat de vader niet open zou hebben gestaan voor overleg. De vader is door de moeder voor een voldongen feit gesteld. De vader heeft de moeder meegedeeld wat zijn bezwaren tegen de verhuizing zijn. De vader voert aan dat de wijziging van de zorgregeling die door de moeder is voorgesteld een rigoureuze beperking ten opzichte van de huidige regeling betreft. Daarbij wordt er door haar een veel te rooskleurig beeld geschetst over de consequenties daarvan. Daarnaast zullen alle spontane contacten tussen de minderjarige en haar vader wegvallen. De vader zal ook niet langer in die mate betrokken kunnen zijn bij de hockeytrainingen en wedstrijden van de minderjarige als hij thans is. Compensatie van de vader in de vakanties is niet mogelijk. De vakanties zijn reeds bij helfte verdeeld. De vader heeft niet meer vakantiedagen, dus met een uitbreiding daarvan kan hij niet worden gecompenseerd. Voorts voert de vader aan dat een verhuizing ook financiële nadelen heeft, vanwege de kosten die partijen aan reizen kwijt zullen zijn. Met wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar vader, verandert er feitelijk niks voor de minderjarige. De minderjarige is in Den Haag geworteld. Daarnaast heeft zij bewust gekozen voor het [naam school] in Den Haag. Zij is extra gemotiveerd vanwege haar deelname aan het talentprogramma [naam school] Kunst waarvoor zij is geselecteerd. Zij heeft de toelatingsworkshop en het toelatingsgesprek met goed gevolg afgelegd. Het programma heeft een professionele samenwerking met de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag (hierna: KABK). De minderjarige komt in een speciale “kunstklas” te zitten waarbij zij iedere woensdagmiddag een programma zal volgen op de KABK. Het dorp [plaats] biedt deze mogelijkheden niet. Het cultuurprogramma op de school in [plaats] is lang niet zo professioneel en aan dat cultuurprogramma kan slechts vanaf het eerste tot en met het derde schooljaar worden deelgenomen. Het is voor een puber van wezenlijk belang dat zij naar de school kan gaan van haar keuze. Tevens gaan kinderen die de minderjarige kent naar het [naam school] , van wie één van haar beste vriendinnen. Ten aanzien van het volgens de moeder wetenschappelijke artikel waar zij naar verwijst, merkt de vader op dat het artikel amateuristisch en onsamenhangend is. Tevens heeft de moeder het artikel onjuist geïnterpreteerd. Verhuizen in de tienerjaren zou juist negatieve effecten hebben op de schoolresultaten van minderjarigen. Ten aanzien van de stelling van de moeder dat sprake zou zijn van schending van hoor en wederhoor voert de vader aan dat de brief geen onderdeel uitmaakt van het procesdossier in eerste aanleg nu hij de brief heeft teruggekregen van de griffier. Het was juist de moeder die de minderjarige voorafgaand aan het kindgesprek heeft proberen te beïnvloeden. Ten aanzien van de zorgregeling die de moeder subsidiair verzoekt, voert de vader aan dat deze regeling te belastend is voor de minderjarige. De moeder heeft geen rekening gehouden met de reistijd van de minderjarige en evenmin met haar hockeywedstrijden of andere sociale activiteiten. De vader acht het echter wel van belang dat het contact tussen de minderjarige en haar moeder wordt gewaarborgd. De vader wil de moeder in de gelegenheid stellen om twee doordeweekse middagen per week (met uitzondering van vrijdagmiddag) in zijn woning door te brengen met de minderjarige. De vader zal deze middagen niet in zijn woning aanwezig zijn. Tevens verzoekt de vader te bepalen dat de minderjarige om de week van vrijdag na school tot zondagavond 19.00 uur alsmede de helft van de vakanties en vrije dagen bij haar moeder verblijft, waarbij de regeling voor de zomer- en kerstvakantie om en om wordt bepaald.

7. Uit de rapportage van de bijzondere curator blijkt het volgende. De ouders hebben de minderjarige een stabiele basis gegeven. Zij heeft kunnen profiteren van het beste van iedere ouder. De minderjarige hecht er waarde aan dat allebei haar ouders betrokken zijn bij haar dagelijkse leven. Zij vindt het belangrijk dat haar ouders weten over wie zij het heeft als zij iets vertelt. De bijzondere curator heeft het beeld dat de betrokkenheid van beide ouders het grootst zal blijven indien de minderjarige in Den Haag zou blijven. De moeder is immers al bekend met de vriendinnen van de minderjarige en haar leefomgeving in Den Haag. Het opbouwen van bekendheid en betrokkenheid in [plaats] moet vanaf ‘0’ starten. Bijkomend voordeel is dat de vader van de minderjarige degene is die haar met haar huiswerk begeleidt. Daarnaast voelt de minderjarige er gevoelsmatig ook meer voor om in Den Haag te blijven, omdat het [naam school] haar meer aanspreekt dan het [naam school] en omdat haar netwerk in Den Haag dan in stand zal blijven. Hoewel de minderjarige het jammer vindt dat zij haar moeder minder zal zien, verwacht zij dat de band met haar moeder goed blijft. Tevens kan zij met haar moeder bellen en de minderjarige denkt dat het misschien mogelijk is om haar moeder doordeweeks te zien. Het is niet goed te voorspellen hoeveel wijzigingen (life events) een mens op een goede manier kan verwerken. In ieder geval wijzigt er voor de minderjarige minder als zij in Den Haag blijft. Mede gelet op haar toenemende enthousiasme voor het [naam school] heeft de bijzondere curator het beeld dat de minderjarige een prettigere en betere start op de middelbare school krijgt als haar woonplaats Den Haag blijft.

8. Ten aanzien van de zorgregeling merkt de bijzondere curator op dat een co-ouderschap in de nieuwe situatie niet meer haalbaar is. Voor de minderjarige is het echter wel prettig als zij beide ouders regelmatig ziet. De precieze invulling van de zorgregeling in de weken dat de minderjarige naar school gaat, vraagt nog afstemming. Het lijkt de bijzondere curator raadzaam om de minderjarige op schooldagen niet tussen de twee woonplaatsen te laten reizen. Indien het hof zal bepalen dat de woonplaats van de minderjarige Den Haag blijft, adviseert de bijzondere curator de volgende zorgregeling:

- iedere week op een doordeweekse dag een contactmoment tussen de minderjarige en de moeder in Den Haag;

- eens per twee weken vanaf vrijdagmiddag na school tot zondagavond tussen 19.00 uur en 19.30 uur.

Mogelijk kan een overgangsperiode met een frequenter verblijf in [plaats] de minderjarige helpen om daar vertrouwd te raken. De bijzondere curator stelt voor dat bijvoorbeeld tot eind januari 2017 de minderjarige in het weekend waarin zij niet bij haar moeder verblijft, de moeder de minderjarige op vrijdag ophaalt uit school en haar terugbrengt op zaterdagochtend naar hockey of uiterlijk om 10.00 uur bij de vader terugbrengt, tenzij de minderjarige zelf activiteiten heeft dan wel een lang weekend weg zou willen.

Indien het hof de moeder vervangende toestemming tot verhuizing zal verlenen adviseert de bijzondere curator de volgende zorgregeling:

- eens in de twee weken van vrijdagmiddag na school tot zondagavond 19.00 uur, maximaal 19.30, tevens met een overgangsperiode tot januari 2017 zoals hierboven is genoemd.

9. In januari 2017 zou een evaluatiemoment tussen de ouders, waarbij de minderjarige met een neutrale professional kan praten goed zijn, zodat er ruimte is voor verandering als de regeling de minderjarige erg tegenvalt. Ten aanzien van de vakanties adviseert de bijzondere curator het hof om een beslissing te nemen, zodat dit niet tot verdere conflictstof tussen de ouders zal leiden.

10. Ter zitting heeft de bijzondere curator meegedeeld dat de minderjarige tot anderhalve maand geleden een stabiel meisje was. Door de aanhoudende strijd tussen haar ouders, die zelfs tot een incident in het bijzijn van de minderjarige heeft geleid, zit de minderjarige klem tussen haar ouders. Zij houdt van beide ouders en lijdt onder hun voortdurende strijd. De minderjarige wil niet kiezen voor één van haar ouders. Om deze reden wil zij dat het hof de knoop doorhakt ten aanzien van de plek waar zij zal wonen en hoopt zij dat haar ouders daarna weer normaal met elkaar om kunnen gaan. Voorts heeft de bijzondere curator meegedeeld dat de minderjarige zekerheid ontleent aan de dingen die zij goed kan voorbereiden. Daarmee compenseert zij dat zij dyslectisch is. Zo vindt de minderjarige het onder andere belangrijk om op tijd op school te zijn en wil zij dus niet vanuit het andere adres ‘s morgens naar school worden gebracht. Daarnaast is eveneens duidelijk dat de minderjarige in toenemende mate zin heeft om naar het [naam school] te gaan. Voorts heeft de bijzondere curator de ouders met klem verzocht om hun strijd, in het belang van de minderjarige te staken. Onafhankelijk van de uitkomst van de procedure is het van belang dat zij niet aan de minderjarige trekken. In plaats daarvan is het van belang dat de ouders samen naar manieren zullen zoeken op welke wijze de minderjarige buiten de reguliere zorgregeling om, op een voor haar zo min mogelijk belastende wijze, contact kan hebben met de ouder bij wie zij niet haar hoofdverblijfplaats heeft. De bijzondere curator is van mening dat het goed zou zijn als de minderjarige door de ouder bij wie zij niet haar hoofdverblijfplaats heeft, wordt opgezocht en deze ouder iets met haar onderneemt in haar woonplaats of haar naar hockey brengt.

11. Namens de vader is ter zitting met betrekking tot het incident meegedeeld dat partijen een woordenwisseling hebben gehad. De vader vindt het onbegrijpelijk dat de moeder beweert dat de vader haar heeft getrapt en daar melding van heeft gemaakt bij de politie. De politie heeft de vader inmiddels laten weten dat verder geen onderzoek zal worden gedaan naar het incident. Voorts is namens de vader meegedeeld dat hij de door de moeder verzochte zorgregeling voor het geval dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem zal worden bepaald te ruim vindt. De vader vreest ervoor dat de moeder de minderjarige geen ruimte zal geven om af te wijken van de regeling, indien de minderjarige een keer niet naar haar moeder wil gaan. Dit terwijl de vader het veelvuldig reizen voor de minderjarige te belastend vindt. De vader stelt dat hij wel open staat voor incidentele uitbreiding van de zorgregeling indien de minderjarige dat graag wil. Ten aanzien van het verzoek van de moeder met betrekking tot de zomervakantie heeft de vader aangevoerd dat hij niet inziet waarom de vakantieregeling die partijen jarenlang hebben uitgevoerd ondergeschikt dient te worden aan de vakantieregeling van de nieuwe partner van de moeder en zijn ex-echtgenoot. De vader wil niet dat de bestaande regeling wordt gewijzigd. Ten aanzien van het door de bijzondere curator voorgestelde evaluatiegesprek heeft de vader meegedeeld dat hij daarvoor open staat, mits het alleen om het evalueren van de zorgregeling gaat en niet om de hoofdverblijfplaats.

12. De moeder heeft ter zitting meegedeeld dat zij verwacht dat de minderjarige zich kan aanpassen indien zij zou verhuizen naar [plaats] . Met name omdat de minderjarige sterk en slim is. Daarbij heeft de minderjarige volgens de moeder slechts een lichte voorkeur voor het [naam school] ten opzichte van het [naam school] . De minderjarige heeft het [naam school] gewaardeerd met en 9 en het [naam school] met een 8. Namens de moeder is ter zitting aangevoerd dat zij zich niet kan vinden in de zorgregeling die door de bijzondere curator is geadviseerd. Volgens de moeder is het contact met de ouder, bij wie de minderjarige niet haar hoofdverblijfplaats zal hebben, veel te beperkt. Een regeling van eenmaal per twee weken doet geen recht aan de huidige zorgverdeling die de ouders thans hebben. Indien de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar vader wordt bepaald, vindt de moeder het belangrijk om de minderjarige iedere week te zien. De moeder is bereid om de minderjarige te halen en te brengen. In tegenstelling tot de vader is de moeder van mening dat een half uur in de auto zitten niet zo vermoeiend is. Volgens de moeder is dit juist een prettige overgang van de ene ouder naar de andere ouder na een omgangsmoment. Desgevraagd heeft de moeder meegedeeld dat zij het onafhankelijk van de uitkomst van de procedure belangrijk vindt dat de verstandhouding tussen partijen normaliseert en zij wederom met elkaar kunnen communiceren. De moeder heeft eveneens toegezegd om zich in te spannen om de situatie voor de minderjarige acceptabel te maken. Voorts heeft de moeder meegedeeld dat zij open staat voor een evaluatiegesprek bij een mediator, zoals door de bijzondere curator is voorgesteld.

13. Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechter kunnen worden voorgelegd. Onder andere kan het geschil tussen partijen met betrekking tot de door de moeder geplande wijziging van de woonplaats van de minderjarige en de daarmee samenhangende geschillen omtrent de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en de zorgregeling, aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing dienen alle omstandigheden van het geval in acht te worden genomen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van de minderjarige, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen.


Hoor- en wederhoor

14. Ten aanzien van de stelling van de moeder dat het beginsel van hoor en wederhoor zou zijn geschonden overweegt het hof als volgt. Ingevolge artikel 19 Rv stelt de rechter partijen over en weer in de gelegenheid hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten en zich uit te laten over elkaars standpunten en over alle bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis van de rechter zijn gebracht, een en ander tenzij uit de wet anders voortvloeit. Bij zijn beslissing baseert de rechter zijn oordeel, ten nadele van een der partijen, niet op bescheiden of andere gegevens waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten. Niet in geschil is dat de rechtbank de brief die de vader aan de minderjarige heeft meegegeven bij het kinderverhoor aan hem heeft geretourneerd. Uit het feit dat deze brief ook niet is vermeld bij de stukken waarvan de rechtbank kennis heeft genomen leidt het hof af dat de rechtbank de inhoud van de brief bij de beslissing die zij heeft genomen buiten beschouwing heeft gelaten. Voorts overweegt het hof dat partijen over en weer in de gelegenheid zijn gesteld om uitgebreid op elkaars standpunt te reageren, hetgeen zij ook hebben gedaan. Gelet op het voornoemde is geen sprake van een schending van hoor- en wederhoor.

Vervangende toestemming tot verhuizing / hoofdverblijfplaats

15. Het hof is op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en beslist zoals deze heeft gedaan. Het hof neemt de gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep is niet gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot een andersluidend oordeel. Voorts neemt het hof in aanmerking de rapportage van de bijzondere curator, waaruit naar voren komt dat de minderjarige niet wil kiezen tussen haar ouders en dat zij door de verstoorde verstandhouding van haar ouders loyaliteitsproblemen ondervindt. Uit de rapportage blijkt echter ook dat de minderjarige een duidelijke voorkeur heeft voor het [naam school] , waar zij kan deelnemen aan de kunstklas waarvoor zij is geselecteerd. Het hof is van oordeel dat dit gelet op de leeftijd van de minderjarige zwaar dient te wegen. Daarbij heeft de minderjarige een leeftijd waarop haar sociale leven een steeds grotere rol zal gaan spelen. Het hof is het met de bijzondere curator eens dat, doordat het sociale leven van de minderjarige zich in Den Haag afspeelt, de overgang naar de middelbare school, hetgeen een grote stap is in het leven van de minderjarige, naar verwachting soepeler zal verlopen als zij in Den Haag blijft wonen. Zo kent zij al kinderen die naar de school van haar keuze gaan en kan zij blijven hockeyen op dezelfde vereniging. De omstandigheid dat de moeder conform de zorgregeling die partijen hanteerden meer tijd met de minderjarige doorbracht neemt niet weg dat de vader eveneens een substantiële rol in het leven van de minderjarige vervult. Gelet hierop verwacht het hof niet dat het een drastische verandering zal zijn voor de minderjarige als zij het merendeel van haar tijd voortaan bij haar vader zal verblijven. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat de vader heeft toegezegd dat hij zijn werkschema omwille van de minderjarige zal aanpassen. Voorts neemt het hof in aanmerking dat het, conform de conclusie van de bijzondere curator, voor de moeder makkelijker is om betrokken te blijven bij het leven van de minderjarige, omdat zij de vriendinnen van de minderjarige en haar leefomgeving reeds kent. Het hof hoopt dat de moeder ondanks dat de uitkomst van de procedure teleurstellend voor haar is, zich zal inspannen om de overgang voor de minderjarige zo soepel mogelijk te laten verlopen.

Zorgregeling

16. Hoewel het hof begrijpt dat de moeder de minderjarige zoveel mogelijk bij zich wil hebben en daarom om een ruime zorgregeling heeft verzocht, acht het hof de door de moeder verzochte regeling niet in het belang van de minderjarige. Het hof acht het mede gelet op het advies van de bijzondere curator niet wenselijk om de minderjarige op doordeweekse dagen van [plaats] naar Den Haag te laten reizen. De overgang van de basisschool naar de middelbare school betreft reeds een ingrijpende verandering. Het hof acht het dan ook van belang dat de minderjarige de kans krijgt om in alle rust te wennen aan deze overstap en zich volledig op school kan concentreren. Te meer omdat de minderjarige graag alles goed voorbereidt en het belangrijk vindt om op tijd te zijn. Als zij vanuit Den Haag naar school gaat, heeft zij dit in eigen hand, hetgeen tevens bij haar leeftijd passend is. Het hof ziet gelet op het voornoemde aanleiding om de door de bijzondere curator geadviseerde zorgregeling, inhoudende iedere week op een doordeweekse dag een contactmoment tussen de minderjarige en de moeder in Den Haag alsmede een weekendregeling van eens per twee weken van vrijdagmiddag na school tot zondagavond tussen 19.00 uur en 19.30 uur, vast te leggen. Met dien verstande dat de minderjarige bij wijze van een overgangsperiode in het eerste half jaar, indien de minderjarige dat wil, in het weekend waarin zij niet bij haar moeder verblijft, door haar moeder op vrijdag uit school wordt gehaald en de moeder haar op zaterdagochtend naar hockey of uiterlijk om 11.00 uur bij de vader terugbrengt. Hoewel de bijzondere curator heeft geadviseerd om de overgangsregeling om 10.00 uur te laten eindigen, is het hof van oordeel dat het rustiger is voor de minderjarige als dit om 11.00 uur is. Het hof zal bepalen, dat de moeder, zoals zij heeft aangeboden, zorg zal dragen voor het halen en brengen van de minderjarige. Het hof wil partijen meegeven zich flexibel naar elkaar op te stellen en open te staan voor omgangscontacten buiten de zorgregeling om indien de minderjarige dat graag wil. Voorts constateert het hof dat beide ouders zich bereid hebben verklaard om het verloop van de zorgregeling na circa een half jaar te evalueren in bijzijn van de bijzondere curator, die tevens mediator is, dan wel een andere mediator. Aangezien de minderjarige het hof heeft laten weten dat zij waarde hecht aan voornoemde evaluatie, wil het hof de ouders op het hart drukken om dit daadwerkelijk te doen.

Vakantieregeling

17. Ten aanzien van de zomervakantie overweegt het hof als volgt. Aangezien de moeder er vanwege de zorgregeling die haar nieuwe partner met zijn zoon heeft, belang bij heeft dat de minderjarige in de laatste drie weken van de zomervakantie bij haar verblijft en de vader heeft nagelaten om daartegen gemotiveerd verweer te voeren en slechts heeft opgemerkt dat hij de huidige regeling wil continueren, ziet het hof aanleiding om het verzoek van de moeder toe te wijzen.

18. Het hof is van oordeel dat de overige vakanties bij helfte dienen te worden verdeeld, zodat de minderjarige de kans krijgt om met beide ouders leuke dingen te ondernemen. Het hof zal gelet op het advies van de bijzondere curator overgaan tot verdeling van de vakanties, zodat dit niet tot verdere conflicten tussen de ouders zal leiden. Het hof acht deze regeling in het belang van de minderjarige.

19. Het hof zal de vakanties als volgt verdelen:

Voorjaarsvakantie: oneven jaren bij de moeder, even jaren bij de vader

Meivakantie: als de meivakantie één week is, dan in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder, als de meivakantie twee weken is dan bij helfte, waarbij de minderjarige in de eerste week in de oneven jaren bij de vader verblijft en de tweede week bij de moeder en in even jaren omgekeerd;

Zomervakantie: zowel in de even als in de oneven jaren de eerste drie weken bij de vader, laatste drie weken bij de moeder;

Herfstvakantie: in de oneven jaren bij de moeder en in de even jaren bij de vader;

Kerstvakantie: bij helfte, waarbij de minderjarige in de eerste week in de oneven jaren bij de vader verblijft en in de tweede week bij de moeder en in de even jaren omgekeerd.

20. Voorts bepaalt het hof dat de minderjarige op de feestdagen die in de vakanties vallen, bij de ouder verblijft, waarbij zij conform de verdeling van de vakanties zou verblijven. Voor de feestdagen die buiten de vakanties vallen, geldt dat de minderjarige om en om bij haar ouders verblijft, dus afwisselend bij de ene ouder en de andere ouder. Buiten de verdeling van de vakanties om, verblijft de minderjarige op haar eigen verjaardag in de oneven jaren bij haar moeder en in de even jaren bij haar vader. Voorts verblijft de minderjarige buiten de verdeling van de vakanties om op Moederdag en de verjaardag van haar moeder bij haar moeder en op Vaderdag en de verjaardag van haar vader bij haar vader.

Proceskosten

21. De vader heeft verzocht om de moeder in de proceskosten te veroordelen, omdat hij door de moeder voor de derde keer binnen een korte tijd in een procedure is betrokken.

22. Het hof overweegt ten aanzien van de verzochte proceskostenveroordeling dat in zaken van familierechtelijke aard uitgangspunt is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Het hof ziet geen aanleiding daarvan af te wijken. De enkele omstandigheid dat partijen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling ten aanzien van de minderjarige en daarover zowel in eerste aanleg en in hoger beroep hebben geprocedeerd, is daarvoor onvoldoende. Het hof zal de proceskosten compenseren.

23. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking ten aanzien van de afwijzing van het verzoek van de moeder om vervangende toestemming tot verhuizing van de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] alsmede ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige;

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze ziet op de zorgregeling, in zoverre opnieuw beschikkende, dat tussen de minderjarige en haar moeder de volgende zorgregeling geldt:

- iedere week op een doordeweekse dag een contactmoment tussen de minderjarige en de moeder in Den Haag, alsmede;

- een weekendregeling van eens per twee weken van vrijdagmiddag na school tot zondagavond tussen 19.00 uur en 19.30 uur waarbij de moeder zorg draagt voor het halen en brengen van de minderjarige, alsmede;

- bij wijze van een overgangsperiode in het eerste half jaar, indien de minderjarige dat wil, in het weekend waarin zij niet bij haar moeder verblijft, de minderjarige door haar moeder op vrijdag uit school wordt gehaald en de moeder haar op zaterdagochtend naar hockey of uiterlijk om 11.00 uur bij de vader terugbrengt;

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze ziet op de verdeling van de vakanties en feestdagen, in zoverre opnieuw beschikkende, dat tussen de minderjarige en haar moeder de verdeling zoals omschreven onder rechtsoverweging 19 en 20 geldt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L.F.A. Husson, J.M. van Baardewijk en M.Th. Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door mr. D.A. Lengyel als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 augustus 2016.