Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2752

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-09-2016
Datum publicatie
21-09-2016
Zaaknummer
200.180.425/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:10312, Overig
Einduitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2017:1698
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

bewijslevering in familiezaken. Directe confrontatie van getuige met geluidsopname na 14 september 2016.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Burgerlijk Wetboek Boek 1 160
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2017/40.13
RFR 2017/10
JPF 2016/138 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
PFR-Updates.nl 2016-0252
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 14 september 2016

Zaaknummer : 200.180.425/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 15-688

Zaaknummer rechtbank : C/09/481937

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats]

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.A. Ossentjuk te Leiden,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.Y.M. Renken te Leiden.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 18 november 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 augustus 2015 van de rechtbank Den Haag.

De vrouw heeft op 26 januari 2016 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 11 maart 2016 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

  • -

    op 20 juni 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

  • -

    op 29 juni 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 1 juli 2016 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de man – in de kern strekkende tot de beëindiging van de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, alsmede een aantal aanvullende verzoeken – afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, hierna ook partneralimentatie.

2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, voor zover noodzakelijk met wijziging/aanvulling van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 19 april 2011 en de beschikking van het hof van 18 juli 2012 ten aanzien van de in deze beschikkingen opgenomen alimentatiebeslissingen, opnieuw rechtdoende:

primair:

1.te verklaren voor recht, althans vast te stellen, dat de verplichting van de man om een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te verschaffen op grond van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is geëindigd op 1 september 2011, dan wel op een zodanige datum als het hof juist acht;

subsidiair:

2.te verklaren voor recht, althans vast te stellen, dat de vrouw jegens de man, vanwege de verbroken lotsverbondenheid, geen recht (meer) heeft op enige bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, dit per 1 september 2011, althans per een zodanige datum als het hof juist acht;

meer subsidiair;

3.te verklaren voor recht, althans vast te stellen, dat de vrouw jegens de man, vanwege schending van de op de vrouw rustende verplichting ex artikel 21 Rv om aan de rechter de waarheid te vertellen, geen recht (meer) heeft op enige bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, dit per 1 september 2011, althans een zodanig beperkt recht per een zodanige datum als het hof juist acht;

alsmede, in het geval het hof het recht op (enige) partneralimentatie aan de zijde van de vrouw in stand laat:

primair:

4.de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vanwege het ontbreken van behoeftigheid aan de zijde van de vrouw, per 1 september 2011 op nihil te stellen, althans per een zodanige datum op een zodanig bedrag als het hof juist acht;

5.de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, vanwege het ontbreken van behoefte aan de zijde van de vrouw, per 1 september 2011 op nihil te stellen, althans per een zodanige datum op een zodanig bedrag als het hof juist acht;

subsidiair (ten aanzien van de behoefte):

6.te bepalen dat de netto behoefte van de vrouw verbleekt en op grond van de jaarlijkse lineaire afbouw, zal zijn als volgt:

  • -

    per 1 september 2011 € 2.794,- per maand;

  • -

    per 1 september 2012 € 2.675,- per maand;

  • -

    per 1 september 2013 € 2.556,- per maand;

  • -

    per 1 september 2014 € 2.437,- per maand;

  • -

    per 1 september 2015 € 2.318,- per maand;

  • -

    per 1 september 2016 € 2.199,- per maand;

  • -

    per 1 september 2017 € 2.080,- per maand;

  • -

    per 1 september 2018 € 1.961,- per maand;

  • -

    per 1 september 2019 € 1.842,- per maand;

  • -

    per 1 september 2020 € 1.723,- per maand;

  • -

    per 1 september 2021 € 1.604,- per maand;

  • -

    per 1 september 2022 € 1.485,- per maand;

  • -

    per 1 september 2023 € 1.366,- per maand;

althans te bepalen dat de behoefte van de vrouw op een zodanige wijze lineair wordt afgebouwd met een zodanige ingangsdatum als het hof juist acht;

7.de vrouw te verplichten om ter bepaling van haar behoefte in het geding te brengen een kopie van haar aangifte Inkomstenbelasting over de jaren 2011 tot en met 2014. Dit met de daarbij behorende aanslagen. Dit onder de opmerking dat indien de vrouw, om welke reden dan ook, van de Belastingdienst uitstel heeft verkregen voor haar aangifte 2014, de vrouw wordt verplicht daartoe alsnog binnen een door het hof redelijk geachte termijn over te gaan onder in het alsdan in het geding brengen van een kopie van de aangifte Inkomstenbelasting 2014.

meer subsidiair, voor het geval het hof van oordeel is dat de vrouw een resterende behoefte heeft:

8.te verklaren voor recht, althans vast te stellen, dat de vrouw jegens de man, vanwege de verbleekte lotsverbondenheid:

( a) nog slechts recht heeft op een door de man aan de vrouw te betalen niet te indexeren bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 50,- per maand, dit per 1 september 2011 tot en met 1 januari 2015, althans op een zodanig bedrag per een zodanige aanvangs- en einddatum als het hof juist acht, dan wel en/of;

( b) de hoogte van de aan de vrouw toekomende alimentatie, per 1 september 2011, jaarlijks te verminderen met 25% van het door (het hof begrijpt:) het hof vast te stellen alimentatiebedrag, zodat deze wordt beëindigd op 1 september 2015, althans de aan de vrouw toekomende alimentatie te verminderen met een zodanige ingangsdatum en percentage per jaar als het hof juist acht;

9.de duur van de aan de vrouw toekomende alimentatierechten te bepalen op in totaal vijf jaar, althans een zodanige alimentatieduur te bepalen als het hof juist acht, zulks onder de bepaling dat deze termijn niet verlengbaar is;

alsmede in aanvulling op alle bovenstaande verzoeken:

10.indien de man jegens de vrouw enige partneralimentatieplicht heeft, de wettelijke indexering uit te sluiten;

11.te bepalen dat de door de vrouw van de man, al dan niet door middel van beslag, verkregen alimentatiebedragen, zijnde een bedrag van € 15.000,- plus PM, door de vrouw aan de man dienen te worden terugbetaald binnen één maand na de te geven beschikking. Dit met de (cumulatieve) wettelijke rente hierover vanaf de dag dat de vrouw met terugbetaling in verzuim is;

en ten aanzien van de proceskosten:

primair:

12.de vrouw te veroordelen in de feitelijke kosten welke de man noodgedwongen heeft moeten maken in het kader van de onderhavige procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, waaronder:

  1. de kosten van [a-bureau] , ten bedrage van € 27.180,40;

  2. de kosten van [b-bureau] voor werkzaamheden tot en met 9 november 2015 ten bedrage van € 9.662,66;

  3. de kosten van [b-bureau] voor werkzaamheden na 9 november 2015, nader op te maken bij staat, PM;

  4. de kosten van mr. [naam] voor werkzaamheden tot en met 31 oktober 2015 ten bedrage van € 27.386,36;

  5. de kosten van mr. [naam] voor werkzaamheden na 31 oktober 2015, nader op te maken bij staat, PM;

  6. de kosten van de eventueel te houden getuigenverhoren;

  7. de door de man in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierechten;

althans de vrouw te veroordelen in die feitelijke kosten welke de man noodgedwongen heeft moeten maken in het kader van de onderhavige procedure in eerste aanleg en in hoger beroep die het hof juist acht;

subsidiair:

13.de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure;

14.de te geven beschikking zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3. De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn in hoger beroep ingestelde verzoeken dan wel te bepalen dat deze verzoeken van de man worden afgewezen.

4. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw het hof de man te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief de advocaatkosten van de vrouw in beide instanties. Voorts verzoekt de vrouw – als de man in zijn bewijsaanbod middels het horen van getuigen wordt toegelaten – ook haar toe te laten tot het leveren van aanvullend bewijs door middel van het horen van getuigen.

5. Bij V-formulier van 20 juni 2016 heeft de vrouw haar verzoek gewijzigd in die zin dat zij vanaf 1 januari 2017 geen aanspraak meer op partneralimentatie wenst te maken.

6. De man heeft ter zitting van het hof verzocht te bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud in ieder geval eindigt per 1 januari 2017.

Partneralimentatie

7. Het hof zal allereerst de meest verstrekkende grief van de man, inhoudende dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man er niet in is geslaagd aan te tonen dat de vrouw heeft samengeleefd met een ander als waren zij gehuwd waardoor zijn onderhoudsverplichting is komen te vervallen, beoordelen.

Gezag van gewijsde

8. De man is van mening dat – ondanks dat het hof bij beschikking van het hof van 18 juli 2012 reeds heeft geoordeeld dat de man niet heeft aangetoond dat de vrouw in de periode van 1 september 2011 (de datum van de inschrijving van de echtscheiding van partijen) tot 18 juli 2012 met de heer [naam 2] samenleefde als ware zij gehuwd – het gezag van gewijsde van deze eerdere uitspraak er niet aan in de weg staat om opnieuw een wijzigingsverzoek in te dienen.

9. Het hof overweegt als volgt. Rechterlijke uitspraken aangaande alimentatie zijn op grond van de in artikel 1:401 BW genoemde gronden in beginsel vatbaar voor wijziging, zelfs met terugwerkende kracht. Beide partijen hebben er bij een dergelijk geschil immers belang bij dat de vaststelling van de alimentatie berust op een juiste en volledige waardering van de van belang zijnde omstandigheden ten tijde van de uitspraak. De aard van dit geschil rechtvaardigt daarom dat de appelrechter bij de vaststelling van de alimentatie rekening houdt met nieuwe grieven, feiten, stellingen en verweren waarop door de partijen eerst na het formuleren van de grieven, onderscheidenlijk na het verweerschrift in hoger beroep, beroep is gedaan, zodat wordt voorkomen dat op grond van artikel 1:401 BW wijziging van de rechterlijke uitspraak moet worden verzocht op die nieuwe gronden. Het voornoemde gaat echter niet op voor het oordeel dat de alimentatiegerechtigde samenleeft of heeft samengeleefd met een ander als waren zij gehuwd, in de zin van artikel 1:160 BW. Een beslissing over die vraag gaat immers vooraf aan de eventuele vaststelling van de alimentatie, en is zelf niet vatbaar voor wijziging op de voet van artikel 1:401 BW (zie Hoge Raad 20 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:921). Dergelijke feiten en omstandigheden hebben immers niet betrekking op de wettelijke maatstaven (draagkracht en behoefte) als bedoeld in artikel 1:401 BW.

10. Het voorgaande brengt met zich mee dat het hof thans gebonden is aan het eerdere (in kracht van gewijsde gegane) oordeel van het hof van 18 juli 2012, inhoudende dat in de periode van 1 september 2011 tot en met 18 juli 2012 niet bewezen is dat de vrouw met de heer [naam 2] samenleefde als waren zij gehuwd. Het hof zal in deze procedure derhalve beoordelen of de vrouw in de periode nadien samenleeft of heeft samengeleefd met een ander als waren zij gehuwd, derhalve vanaf 19 juli 2012.

Inhoudelijk

11. De man stelt zich – mede onder verwijzing naar de onderzoeksrapportages van [a-bureau] over de jaren 2009, 2010 en 2011, een dvd met een door hem opgenomen gesprek met [voornaam] (dochter van de vrouw) en rechercheonderzoek van [b-bureau] – op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij er niet in is geslaagd om aan te tonen dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW.

12. De vrouw heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd.

13. Het hof overweegt als volgt. Voor een bevestigend antwoord op de vraag of de vrouw in de zin van artikel 1:160 BW is gaan samenleven met haar nieuwe partner als waren zij gehuwd is volgens vaste rechtspraak in ieder geval vereist dat sprake is van (1) de aanwezigheid van een affectieve relatie van duurzame aard, (2) een samenwoning, (3) een wederzijdse verzorging en (4) een gemeenschappelijke huishouding. De wederzijdse verzorging kan bestaan uit hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding, hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in art. 1:160 BW besloten liggende sanctie vergt dat deze bepaling restrictief wordt uitgelegd, hetgeen meebrengt dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door deze bepaling gestelde eisen voor de beëindiging van de verplichting levensonderhoud te verschaffen. Hieruit vloeit onder meer voort dat de omstandigheid dat aan sommige voorwaarden voor de toepassing van art. 1:160 BW is voldaan, geen invloed heeft op de stelplicht en bewijslast ter zake van de andere voorwaarden van die bepaling.

14. Het hof is van oordeel dat, in het licht van de bovenstaande criteria en tegenover de betwisting van de vrouw, de stelling van de man dat de vrouw samenleeft met een ander als waren zij gehuwd (nog) niet is komen vast te staan. De man heeft naar het oordeel van het hof echter wel in zodanige mate voldaan aan zijn stelplicht, dat kan worden ingegaan op zijn bewijsaanbod. De man zal, gelet op zijn uitdrukkelijke en voldoende gespecificeerde bewijsaanbod, in de gelegenheid worden gesteld om (nader) bewijs te leveren dat voldaan is aan (alle) cumulatieve vereisten voor het aannemen van een situatie van samenwonen als waren zij gehuwd ex artikel 1:160 BW (hierbij ook begrepen vanaf welk moment). Het hof zal in deze zaak derhalve een datum voor getuigenverhoor bepalen, waarbij de door de man nog op te geven getuigen meervoudig zullen worden gehoord. Voorts stelt het hof de man in de gelegenheid om de dvd met de opname van het gesprek tussen hem en [voornaam] – in het bijzijn van [voornaam] – tijdens het getuigenverhoor te doen beluisteren. De man wordt daarbij geacht voor de benodigde afspeelmogelijkheden zorg te dragen. Het hof wijst erop dat de man ook dient te aan te tonen wanneer de dvd met het gesprek is opgenomen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

15. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

laat de man toe het bewijs te leveren van zijn stelling dat de vrouw vanaf enig moment na 19 juli 2012 samenwoont met de heer [naam 2] als waren zij gehuwd zoals bedoeld in artikel 1:160 BW;

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden in één der zalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te ’s-Gravenhage, op een na opgave van verhinderdata nader te bepalen datum en tijdstip;

gelast elk van partijen aan het hof binnen twee weken na dagtekening van deze beschikking een overzicht te doen toekomen van haar verhinderdata en de man tevens van de verhinderdata van de te horen getuigen in de maanden oktober, november en december 2016, alsmede januari, februari en maart 2017;

bepaalt dat de man tenminste veertien dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de getuigen aan de advocaat van de vrouw en aan de griffier dient op te geven en voor oproeping van de getuigen dient zorg te dragen;

indien de vrouw eventueel tegenbewijs door middel van het horen van getuigen wenst te leveren, kan dit bij voorkeur in aansluiting op het verhoor van de voor het bewijs gehoorde getuigen plaatsvinden. In dat geval dient de vrouw tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de getuigen aan de advocaat van de man en aan de griffier op te geven en voor oproeping van de getuigen zorg te dragen.

houdt de verdere behandeling van de zaak aan tot zaterdag 29 oktober 2016 pro forma;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, J.A. van Kempen en B. Breederveld, bijgestaan door mr. G. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 september 2016.