Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2638

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
BK 15/00838
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:8097, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:687
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

.

In geschil is of de Ontvanger een dwangsom verschuldigd is wegens het niet tijdig doen van uitspraak op het bezwaar van belanghebbende tegen de haar in rekening gebrachte kosten. Tevens is in geschil of de Ontvanger bij de berekening van de vergoeding van de kosten die belanghebbende in de bezwaarfase heeft gemaakt, een te lage wegingsfactor voor het gewicht van de zaak heeft toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2626
V-N Vandaag 2016/2292

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-15/00838

uitspraak d.d. 31 augustus 2016

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de Ontvanger van de Belastingdienst/Landelijk Incasso Centrum, kantoor Groningen, de Ontvanger,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 23 juni 2015, nummer SGR 14/10652.

Beschikking, aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Ontvanger heeft een dwangbevel betekend met bevel tot betaling van een aanslag en de gelijktijdig in rekening gebrachte heffingsrente. Bij het dwangbevel zijn kosten van betekening tot een bedrag van € 240 in rekening gebracht

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de in rekening gebrachte kosten van betekening bezwaar gemaakt.

1.2

Toen de uitspraak op dit bezwaar uitbleef, heeft belanghebbende de Ontvanger in gebreke gesteld.

1.3.

De Ontvanger heeft aan belanghebbende een vergoeding van de door haar in bezwaar gemaakte kosten toegekend.

1.4

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Er is een griffierecht geheven van € 45. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 123,00. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 20 juli 2016. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

4.1

Aan belanghebbende is met dagtekening 20 september 2013 voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premies volksverzekeringen tot een bedrag van

€ 2.934 (hierna: de aanslag) opgelegd. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is belanghebbende € 136 heffingsrente in rekening gebracht.

4.2.

Op 10 december 2013 heeft de Ontvanger belanghebbende een aanmaning gezonden. Ter zake heef de Ontvanger belanghebbende € 15 aanmaningskosten in rekening gebracht.

4.3

Op 22 december 2013 heeft belanghebbende tegen de door de Ontvanger in rekening gebrachte aanmaningkosten bezwaar gemaakt.

4.4

Op 19 februari 2014 heeft de Ontvanger per post een dwangbevel betekend met bevel tot betaling van de aanslag en de heffingsrente. Bij het dwangbevel zijn kosten van betekening tot een bedrag van € 240 in rekening gebracht.

4.5.

Op 20 februari 2014 heeft belanghebbende tegen de in rekening gebrachte kosten van betekening bezwaar gemaakt.

4.6

Op 21 februari 2014 heeft belanghebbende de belasting ad € 2.934, de heffingsrente ad € 136, de aanmaningskosten ad € 15, de kosten van betekening ad € 240 alsmede € 27 aan invorderingsrente betaald.

4.7.

Bij de op 23 april 2014 bij de Ontvanger binnengekomen brief heeft belanghebbende de Ontvanger in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaren tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten en kosten van betekening.

4.8.

Op 7 mei 2014 zijn de door belanghebbende betaalde aanmaningskosten, kosten van betekening en invorderingsrente aan belanghebbende terugbetaald.

4.9.

Bij uitspraak van 8 mei 2014 heeft de Ontvanger het bezwaar tegen het in rekening brengen van aanmaningskosten gegrond verklaard.

4.10.

Bij de op 14 mei 2014 bij de Ontvanger binnengekomen brief heeft belanghebbende de Ontvanger medegedeeld dat na de ingebrekestelling van 23 april meer dan twee weken zijn verstreken en dat zij mitsdien ter zake van het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten aanspraak maakt op een dwangsom van € 490. Daarnaast heeft belanghebbende in deze brief medegedeeld dat op het bezwaar tegen de in rekening gebrachte kosten van betekening nog geen uitspraak is ontvangen waarvoor zij de Ontvanger (nogmaals) in gebreke stelt.

4.11.

Bij besluit van 28 augustus 2014 heeft de Ontvanger naar aanleiding van het bezwaar van belanghebbende tegen de in rekening gebrachte kosten van betekening aan haar een vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaar door haar gemaakte kosten (hierna: kosten van bezwaar) ten bedrage van € 60,75 (1 punt voor het bezwaarschrift met een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 0,25 en een bedrag per punt van € 243) toegekend.

4.12.

Bij besluit van 28 augustus 2014 heeft de Ontvanger de dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten vastgesteld op € 520.

4.13.

Op 14 oktober 2014 heeft belanghebbende beroep ingesteld. Dit beroep betreft het niet toekennen van een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de in rekening gebrachte kosten van betekening alsmede de beslissing van de Ontvanger tot toekenning van een vergoeding van de bezwaarkosten van € 60,75. Tenslotte verzoekt belanghebbende om een vergoeding van de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep (hierna: proceskosten) heeft gemaakt.

4.14.

Op 10 december 2014 heeft de Ontvanger de Rechtbank bericht dat hij geen uitspraak op belanghebbendes bezwaar tegen de in rekening gebrachte kosten van betekening heeft gedaan omdat belanghebbende daarbij na de terugbetaling van de kosten van betekening (zie onder 4.8) geen belang meer had.

Oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank heeft het volgende overwogen.

Dwangsom

11. Met betrekking tot de vraag of [belanghebbende] recht heeft op een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar overweegt de rechtbank als volgt.

12. Allereerst constateert de rechtbank dat [de Ontvanger] op 9 mei 2014 materieel op het bezwaar heeft beslist door de betekeniskosten aan [belanghebbende] terug te betalen. De beschikking van 19 september 2014 moet naar het oordeel van de rechtbank worden opgevat als de formalisatie en bekendmaking van die beslissing op bezwaar.

13. Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het bestuursorgaan binnen zes weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Dit betekent dat de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar eindigde op 14 mei 2014. [Belanghebbende] heeft [de Ontvanger] bij brief van 23 april 2014 in gebreke gesteld. Nu op dat moment de beslistermijn nog niet was verstreken, is de ingebrekestelling prematuur. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de ingebrekestelling niet vóór ommekomst van de beslistermijn kan worden gedaan:

“De aanvrager kan het bestuursorgaan in gebreke stellen zodra hij redelijkerwijs kan menen dat het bestuursorgaan in gebreke is. Het is dus niet mogelijk om bij een aanvraag het bestuursorgaan al bij voorbaat in gebreke te stellen voor het geval niet tijdig zal worden beslist. Dan zou de ingebrekestelling immers zijn functie niet meer kunnen vervullen.”(Kamerstukken II 2004/2005, 29 934, nr. 6, p. 12).

Een premature ingebrekestelling is naar het oordeel van de rechtbank niet rechtsgeldig. [Belanghebbende] heeft dan ook geen recht op toekenning van een dwangsom.

Proceskostenvergoeding

14. Aangaande de hoogte van de bezwaarkostenvergoeding overweegt de rechtbank dat de desbetreffende betekeniskosten in rekening zijn gebracht op grond van artikel 3 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen. Deze wet bevat uitsluitend regelingen betreffende het in rekening brengen van kosten bij de invordering van rijksbelastingen en behoort daarom tot de wettelijke voorschriften inzake belastingen in de zin van onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Naar het oordeel van de rechtbank is [de Ontvanger] daarom terecht uitgegaan van een waarde per procespunt van € 243.

Met betrekking tot de door [de Ontvanger] toegepaste wegingsfactor is de rechtbank van oordeel dat hij, gegeven de hem toekomende beoordelingsvrijheid en met inachtneming van het feit dat de beroepsmatig optredende gemachtigde in wezen enkel behoefde te wijzen op de omstandigheid dat in het bezwaarschrift tegen de aanslag verzocht was om uitstel van betaling, kon volstaan met toekennen van een kostenvergoeding op basis van een wegingsfactor van 0,25. [De Ontvanger] heeft de vergoeding derhalve terecht vastgesteld op een bedrag van € 243 x 0,25 = € 60,75

15. Gelet op het bovenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Geschil, standpunten en conclusies

6.1.

In geschil is of de Ontvanger een dwangsom verschuldigd is wegens het niet tijdig doen van uitspraak op het bezwaar van belanghebbende tegen de haar in rekening gebrachte kosten. Tevens is in geschil of de Ontvanger bij de berekening van de vergoeding van de kosten die belanghebbende in de bezwaarfase heeft gemaakt, een te lage wegingsfactor voor het gewicht van de zaak heeft toegepast.

6.2.

Belanghebbende beantwoordt de in geschil zijnde vragen bevestigend. Zij betoogt dat de Ontvanger een dwangsom van € 1.260 aan haar verschuldigd is en dat bij de berekening van de vergoeding van de kosten die belanghebbende in de bezwaarfase heeft gemaakt, een wegingsfactor voor het gewicht van 1 had moeten worden toegepast.

6.3

De Ontvanger beantwoordt de in geschil zijnde vragen ontkennend.

6.4

Voor de onderbouwingen die partijen aan hun standpunten hebben gegeven, verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

6.5.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vaststelling dat de Ontvanger aan belanghebbende een dwangsom van € 1.260 verschuldigd is, veroordeling van de Ontvanger in de door belanghebbende in verband met de behandeling van haar bezwaar gemaakte kosten ten bedrage van (€ 243 x 1 =) € 243 en veroordeling van de Ontvanger in de kosten die belanghebbende in beroep en hoger beroep heeft gemaakt, te berekenen aan de hand van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht met toepassing van een wegingsfactor van 1 voor het gewicht van de zaak.

6.6.

De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het geschil

Dwangsom

7.1.

Naar ’s Hofs oordeel heeft de Ontvanger bij het onder 4.11 genoemde besluit van 28 augustus 2014 beslist op het bezwaar van belanghebbende tegen de in rekening gebrachte kosten van betekening. Dat in dit besluit uitsluitend wordt ingegaan op de aan belanghebbende toe te kennen vergoeding van bezwaarkosten, neemt niet weg dat in dit besluit (ook) een beslissing op het bezwaar tegen de in rekening gebrachte kosten van betekening ligt besloten. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat ingevolge artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het bestuursorgaan (hier: de Ontvanger) op het verzoek om vergoeding van kosten van bezwaar beslist bij de uitspraak op bezwaar alsmede dat de toekenning van een vergoeding van de kosten van bezwaar in het besluit van 28 augustus 2014, gelet op het bepaalde in artikel 7:15, eerste lid, van de Awb, impliceert dat bij dit besluit het inrekeningbrengen van de kosten van betekening is herroepen. Dat aan de herroeping van het inrekeningbrengen van de kosten van betekening al eerder, te weten op 7 mei 2014, door de terugbetaling van de kosten van betekening, uitvoering is gegeven, doet hieraan niet af.

7.2.

In de door de Ontvanger op 23 april 2014 en 14 mei 2014 ontvangen brieven, vermeld onder 4.7 en 4.10, heeft belanghebbende de Ontvanger in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de in rekening gebrachte kosten van betekening. De termijn waarop de Ontvanger op het bezwaar diende de beslissen (hierna: de beslistermijn) liep tot en met 14 mei 2014 (zie artikel 7:10, eerste lid, van de Awb). Op 23 april 2014 en op 14 mei 2014 was de beslistermijn nog niet verstreken. De desbetreffende brieven kunnen daarom niet worden aangemerkt als ingebrekestellingen in de zin van artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Awb (vergelijk ABRvS 9 februari 2011, nr. 201010780/1/M2 en 201010782/1/M2, ECLI:NL:RVS:2011:BP3711).

7.3.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende na 14 mei 2014 (laatste dag van de beslistermijn) en vóór 14 augustus 2014 (twee 2 weken voor 28 augustus 2014, de dag waarop de Ontvanger uitspraak op het bezwaar tegen de kosten van betekening heeft gedaan) de Ontvanger opnieuw in gebreke heeft gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de in rekening gebrachte kosten van betekening.

7.4.

Gelet op het vorenoverwogene is de Ontvanger geen dwangsom verschuldigd wegens het niet-tijdig beslissen op het bezwaar tegen de kosten van betekening.

Kosten van bezwaar

7.5.

De Rechtbank heeft beslist dat de Ontvanger de voor vergoeding in aanmerking komende kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar tegen de in rekening gebrachte kosten van betekening redelijkerwijs heeft moeten maken, terecht heeft vastgesteld met toepassing van een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 0,25. Het Hof ziet geen aanleiding om hierover anders te oordelen dan de Rechtbank.

Proceskosten

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. J.J.J. Engel en mr. D.M. Drok in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.W.P. van Oosten. De beslissing is op 31 augustus 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

  2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.