Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2629

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-08-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
BK-16/00120
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:1091, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of belanghebbende de afwaardering van de vordering op [Y] ad € 169.687 in het onderhavige jaar (2009) ten laste van haar winst kan brengen. Subsidiair verzoekt belanghebbende om aftrek van het hiervoor in 3.4 vermelde bedrag van € 100.000 verhoogd met € 19.326 aan rente. Voorts is in geschil of belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2615
V-N Vandaag 2016/2285
V-N 2017/7.24.24
Daal annotatie in NTFR 2017/58

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-16/00120

Uitspraak d.d. 16 augustus 2016

in het geding tussen:

[Y] B.V., gevestigd te [Z] (Curaçao), belanghebbende,

en

de Inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoofddorp, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: Rechtbank) van 20 januari 2016, nummer SGR 15/5218, betreffende navermelde aanslag en beschikkingen.

Aanslag, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2009 een aanslag opgelegd in de vennootschapsbelasting, berekend naar een belastbaar bedrag van € 5.000, waarbij impliciet het verlies van dit jaar is vastgesteld op nihil. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een verzuimboete opgelegd van € 2.460.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot nihil en het verlies bij beschikking nader vastgesteld op € 275.041. De verzuimboete is voorts gematigd tot een bedrag van € 1.250.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 503. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 5 juli 2016, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1.

Belanghebbende is op 30 mei 2001 opgericht. De heer [Y] (hierna: [Y] ) bezit alle aandelen in belanghebbende en is haar directeur. Belanghebbende bezit alle aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [D] B.V.

3.2.

Op 3 oktober 2005 is tussen belanghebbende als schuldeiser en [Y] als schuldenaar een overeenkomst van geldlening gesloten, waarbij is overeengekomen dat belanghebbende een bedrag van € 140.000 zal uitlenen aan [Y] (hierna: de geldlening). Blijkens de akte zal het bedrag door [Y] worden aangewend om zijn schuld aan zijn zuster, mevrouw [A] , die hij in verband met de aankoop van zijn woning gelegen aan [B] , [C] is aangegaan, af te lossen of te gebruiken voor een verbouwing van de woning.

3.3.

Belanghebbende en [Y] zijn voorts overeengekomen dat de rente vijf percent per jaar bedraagt. De rente moet jaarlijks op 31 december van ieder jaar worden voldaan, doch in onderling overleg kan worden overeengekomen dat de verschuldigde rente wordt bijgeschreven. Tot zekerheid is overeengekomen dat [Y] op eerste verzoek van belanghebbende een onherroepelijke notariële volmacht zal verlenen om na uitschrijving van het recht van hypotheek, welke is gevestigd ten behoeve van mevrouw [A] , op eender welk moment ten behoeve van belanghebbende een recht van hypotheek in tweede rang te vestigen op voormeld pand. Partijen zijn overeengekomen dat de schuld in tien jaar zal worden afgelost.

3.4.

In het kader van de leningsovereenkomst heeft in 2005 een overboeking van € 100.000 en in 2007 een overboeking van € 25.000 plaatsgevonden. Een daadwerkelijke zekerheidstelling heeft niet plaatsgevonden. De overeengekomen rente is niet jaarlijks betaald, maar bijgeschreven op de hoofdsom.

3.5.

Op 15 april 2008 is de administratie van belanghebbende door het Openbaar Ministerie in beslag genomen. De activiteiten van belanghebbende en haar deelneming [D] B.V. zijn vanaf die datum gestaakt. [Y] is in voorlopige hechtenis gesteld. Belanghebbende bracht tot 15 april 2008 een managementvergoeding in rekening aan [D] B.V. en betaalde salaris aan [Y] uit. In het onderhavige jaar (2009) hebben er geen activiteiten in belanghebbende plaatsgevonden.

3.6.

Op 1 januari 2009 heeft belanghebbende een vordering op [Y] van € 371.161. Die vordering is ontstaan door voormelde geldlening van € 140.000, alsmede door overboeking in 2008 van € 208.000 naar Notaris [E] in verband met de aanschaf van een beleggingspand aan de [F] te [G] , en bijschrijvingen van rente over de jaren voor 2009. Over 2009 is een bedrag van € 14.849 aan rente bijgeboekt. Ultimo 2009 bedraagt de vordering op [Y] derhalve € 386.010.

3.7.

Uit de aangifte inkomstenbelasting 2009 van [Y] blijkt dat hij een eigen woning heeft waarvan de WOZ-waarde € 447.000 bedraagt en dat de waarde van zijn bezittingen ultimo 2009 € 657.317 bedraagt. De eigenwoningschuld bedraagt € 345.283.

3.8.

Belanghebbende is door de Inspecteur uitgenodigd tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting 2009. Op 24 mei 2011 is een herinnering gestuurd tot het doen van aangifte. Op 5 juli 2011 is een aanmaning tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting 2009 verstuurd. De uiterste datum dat de aangifte vennootschapsbelasting 2009 kon worden ingediend was 19 juli 2011. Omdat op die datum geen aangifte is ingediend, is op 28 januari 2012 de aanslag vennootschapsbelasting 2009 ambtshalve vastgesteld op een belastbaar bedrag van € 5.000.

3.9.

In het kader van de afhandeling van het tegen de opgelegde aanslag ingediende bezwaarschrift heeft belanghebbende op 16 september 2014 stukken aan de Inspecteur doen toekomen waarin het belastbare bedrag over het onderhavige jaar (2009) is becijferd op negatief € 504.228. Uit die winstberekening blijkt dat belanghebbende haar gehele vordering ad € 386.010 op [Y] heeft afgewaardeerd ten laste van de winst.

3.10.

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat van voormeld bedrag van € 386.010 een bedrag van (€ 208.000 plus vier percent rente ad € 8.323, derhalve) € 216.323 als zakelijk kan worden aangemerkt, en het meerdere (€ 163.161, vermeerderd met 4 percent rente, in totaal derhalve) ad € 169.687 niet in aftrek kan worden aanvaard. De Inspecteur heeft het bedrag van de belastbare winst als volgt vastgesteld:

Aangegeven winstsaldo 2009 -/- € 504.228

Niet in geschil zijnde correctie € 59.500

-/- € 444.728

Geen afwaardering van de vordering op [Y] € 169.687

Gecorrigeerde belastbare winst 2009 -/- € 275.041

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is, evenals in eerste aanleg, in geschil of belanghebbende de afwaardering van de vordering op [Y] ad € 169.687 in het onderhavige jaar (2009) ten laste van haar winst kan brengen, hetgeen belanghebbende stelt doch de Inspecteur gemotiveerd betwist. Subsidiair verzoekt belanghebbende om aftrek van het hiervoor in 3.4 vermelde bedrag van € 100.000 verhoogd met € 19.326 aan rente. Voorts is in geschil of belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, hetgeen de Inspecteur stelt en belanghebbende betwist.

4.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat na het leggen van beslag op de bezittingen van [Y] en het starten door de Officier van Justitie van een procedure om het door [Y] verkregen wederrechtelijk voordeel te ontnemen, de vordering op [Y] onvolwaardig is geworden en dat zulks een volledige afwaardering rechtvaardigt. Voorts stelt belanghebbende dat ten tijde van het aangaan van de geldlening geen sprake was van onzakelijke voorwaarden. Subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat een bedrag van € 119.326 ten laste van de winst mag worden gebracht, aangezien ten aanzien van dat deel van de vordering op [Y] geen sprake is van een debiteurenrisico dat een onafhankelijke derde niet zou hebben gelopen. Belanghebbende heeft voorts een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan.

4.3.

De Inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat [Y] in staat is zijn verplichtingen jegens belanghebbende te voldoen, zodat er geen reden is om de vordering op [Y] af te waarderen. Subsidiair heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de geldlening aan [Y] is verstrekt op onzakelijke voorwaarden, omdat een debiteurenrisico is gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben gelopen en dat op die grond de afwaardering van de vordering op [Y] niet in aftrek kan wordt gebracht.

4.4.

Voor de standpunten ten aanzien van het al dan niet doen van de vereiste aangifte verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, primair tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van nihil en tot vaststelling van het verlies op een bedrag van € 444.728, en subsidiair tot vaststelling van het verlies op een bedrag van € 394.367.

5.2.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

6. De Rechtbank heeft omtrent het geschil het volgende overwogen:

"5. [De Inspecteur] heeft het standpunt ingenomen dat [belanghebbende], ondanks daartoe te zijn uitgenodigd en aangemaand, voor 2009 geen aangifte voor de Vpb heeft gedaan, althans niet vóórdat de aanslag Vpb 2009 aan haar is opgelegd. Van de met dagtekening 5 juli 2011 verzonden aanmaning heeft [de Inspecteur] ter zitting een afschrift overgelegd. [Belanghebbende] heeft dit standpunt niet weersproken, noch gesteld dat zij deze aanmaning niet heeft ontvangen.

Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve sprake van een geval waarbij [belanghebbende] niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Dit betekent dat op grond van artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard.

6. [ Belanghebbende] heeft in dit verband nog aangevoerd dat doordat haar administratie op 15 april 2008 door het Openbaar Ministerie in beslag is genomen, het voor haar onmogelijk was om voor 2009 tijdig een volledige en juiste aangifte in te dienen. [Belanghebbende] heeft Justitie nog wel verzocht om de administratie aan haar terug te geven, maar aan dat verzoek is niet, althans niet tijdig tegemoetgekomen. Pas eind 2013 heeft [belanghebbende] delen van die administratie terug ontvangen. Gelet op die omstandigheden is volgens [belanghebbende] in dit geval toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast niet op zijn plaats, omdat zij voldoende actie heeft ondernomen om toch de vereiste aangifte te doen. De rechtbank volgt [belanghebbende] hier niet in. Zo [belanghebbende] de omkering en verzwaring van de bewijslast had willen voorkomen, had het op haar weg gelegen om tijdig, in ieder geval vóór het opleggen van de bewuste aanslag, [de Inspecteur] op de hoogte te stellen van deze omstandigheden. Zo had zij bijvoorbeeld het aangiftebiljet kunnen retourneren naar een geschatte belastbare winst hetzij oningevuld met onder opgaaf van redenen de mededeling dat zij niet in staat is de vereiste aangifte te voldoen. Omdat [belanghebbende] dit heeft nagelaten en, naar uit de gedingstukken blijkt, zij dit pas in de bezwaarfase aan [de Inspecteur] kenbaar heeft gemaakt, staan de door haar genoemde omstandigheden niet aan omkering en verzwaring van de bewijslast in de weg.

7. Nu sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, dient het beroep ongegrond te worden verklaard tenzij [belanghebbende] doet blijken, dat wil zeggen overtuigend aantoont, dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Dit betekent in het onderhavige geval dat het op de weg van [belanghebbende] ligt om te doen blijken dat en in hoeverre de aanslag Vpb 2009 dan wel het verlies voor 2009 te hoog dan wel te laag is vastgesteld.

8. De vraag ligt voor of [belanghebbende] een additioneel afwaarderingsverlies in aanmerking kan nemen ter zake van haar vordering op de dga. Om een vordering in een bepaald jaar af te kunnen waarderen van de fiscale winst, moet in dat jaar voldoende duidelijk zijn dat die vordering – in ieder geval voor het af te waarderen bedrag – niet inbaar is. [Belanghebbende] heeft met wat zij heeft aangevoerd, afgezet tegen al wat [de Inspecteur] daartegenover heeft aangevoerd – zoals het uitgavenpatroon van de dga in de periode ná 2009 –, niet aangetoond dat de vordering op de dga voor het restbedrag van € 169.687 in 2009 voorzienbaar niet inbaar is.

De verwijzing naar de omstandigheden dat beslag is gelegd op bezittingen van de dga en dat de officier van justitie jegens hem een ontnemingsvordering heeft ingesteld, is onvoldoende. Dit beslag is in 2009 nochtans van tijdelijke aard en de ontnemingsvordering is in 2009 nog niet rechtens vastgesteld en onzeker is daarom of deze vordering in stand blijft, en zo ja tot welk bedrag. Ook acht de rechtbank van belang dat de dga, naar [belanghebbende] ter zitting heeft erkend, in de periode ná 2009 schilderijen heeft verkocht en de daarmee behaalde opbrengst heeft gebruikt voor privébetalingen. Niet valt in te zien waarom die middelen niet konden worden aangewend voor de aflossing van de schuld van de dga aan [belanghebbende]. Ook valt in dit licht bezien, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet uit te sluiten dat de dga beschikt over andere vermogensbestanddelen die hij te gelde kan maken en kan gebruiken om zijn schuld aan [belanghebbende] af te lossen. Alles in ogenschouw nemend, is de rechtbank van oordeel dat [belanghebbende] niet heeft aangetoond dat in 2009 voorzienbaar is dat de dga de vordering voor het restbedrag niet zal kunnen aflossen, zodat [belanghebbende] niet is geslaagd in haar bewijslast.

9. Omdat naast de hiervoor besproken afwaardering van de vordering op de dga overigens geen geschil bestaat over de hoogte van de vastgestelde belastbare winst en het verlies over 2009, is de rechtbank van oordeel dat deze juist zijn vastgesteld. Dit betekent dat het beroep gericht tegen de aanslag Vpb 2009 en de verliesbeschikking ongegrond is.

10. Met betrekking tot de verzuimboete overweegt de rechtbank het volgende. Uit wat hiervoor onder 5 is overwogen, volgt dat [belanghebbende] niet de vereiste aangifte heeft gedaan als bedoeld in artikel 8 van de Awr. Gelet hierop was [de Inspecteur] op grond van artikel 67a van de Awr bevoegd om aan [belanghebbende] een verzuimboete op te leggen. [De Inspecteur] heeft de oorspronkelijk – met inachtneming van het bepaalde in paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst – opgelegde verzuimboete van € 2.460 bij uitspraak op bezwaar gematigd tot op de helft. Nu [belanghebbende] niet heeft betwist dat in dit verband sprake is van een verzuim en ook geen zelfstandige grieven tegen de boete heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de boete zoals deze luidt na de vermindering in de bezwaarfase terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd en acht deze ook passend en geboden. Dit betekent dat het beroep ook ongegrond is voor zover het is gericht tegen de verzuimboete.

11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Op grond van artikel 27e in samenhang met artikel 27h, lid 2, AWR, dient het hoger beroep, indien de vereiste aangifte niet is gedaan, ongegrond te worden verklaard tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Niet in geschil is dat de Inspecteur belanghebbende heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte, dat de herinnering en aanmaning tot het doen van aangifte op het adres van belanghebbende zijn ontvangen of aangeboden dan wel belanghebbende anderszins hebben bereikten dat belanghebbende geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodiging binnen de in de aanmaning gestelde termijn aangifte te doen.

7.2.1.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat het voor haar onmogelijk was om voor het onderhavige jaar aangifte te doen omdat haar administratie door het Openbaar Ministerie op 15 april 2008 in beslag was genomen.

7.2.2.

De Inspecteur heeft dat standpunt bestreden en verwezen naar tot de gedingstukken behorende brieven van 26 oktober 2010 en 15 november 2010 waaruit blijkt dat een gedeelte van de administratie in kopie aan belanghebbende is teruggegeven, alsmede naar een verslag van een gesprek op 27 april 2011 waarin is vermeld dat de Officier van Justitie schriftelijk heeft verklaard dat de administratie van belanghebbende in kopie is teruggegeven in dezelfde toestand als waarin die is aangetroffen en dat een kopie van die verklaring aan de gemachtigde van belanghebbende is verstrekt. Voorts wijst de Inspecteur erop dat weliswaar de administratie op 15 april 2008 in beslag is genomen, doch dat die beslaglegging betrekking heeft op de administratie tot 15 april 2008, en dus niet op de administratie over het jaar 2009. De administratie over 2009 is immers niet in beslag genomen.

7.2.3.

Het betoog van belanghebbende faalt. Weliswaar is de administratie van belanghebbende op 15 april 2008 in beslag genomen, doch dat raakt niet de administratie die belanghebbende over het onderhavige jaar, 2009, heeft gevoerd. Bovendien heeft belanghebbende in 2009, naar zij heeft gesteld in haar bezwaarschrift van 16 september 2014, geen activiteiten ontplooid, zodat zij, gelijk de Rechtbank heeft geoordeeld, in staat moet worden geacht het aangiftebiljet te retourneren naar een geschatte belastbare winst, dan wel het biljet oningevuld in te zenden met, onder opgaaf van redenen, de mededeling dat zij niet in staat is de vereiste aangifte te voldoen. Omdat belanghebbende dit heeft nagelaten, staan de door haar genoemde omstandigheden niet aan omkering en verzwaring van de bewijslast in de weg.

7.3.

Bij de beoordeling van de vraag of de afwaardering van de vordering op [Y] ten laste van belanghebbendes fiscale winst kan worden gebracht geldt dat ter zake hiervan in beginsel de bewijslast reeds op belanghebbende rust. Omdat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan dient zij, vanwege de verzwaring van de bewijslast, feiten en omstandigheden te doen blijken die de conclusie rechtvaardigen dat zij het afwaarderingsverlies ten laste van haar belastbaar resultaat kan brengen.

7.4.1.

Volgens vaste jurisprudentie moet voor de waardering van balansposten op de eindejaarsbalans worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan tot en met de eindbalansdatum, maar verzet goed koopmansgebruik zich er niet tegen dat rekening wordt gehouden met later verkregen kennis omtrent die eerdere feiten en omstandigheden (zie HR 9 mei 1923 B. 3241 en HR 18 juni 1943 B. 7687). Derhalve moet rekening worden gehouden met de toestand zoals die op de balansdatum bestond, doch mag geen rekening worden gehouden met feiten en omstandigheden die zich na de balansdatum hebben voorgedaan.

7.4.2.

Voorts geldt dat bij de waardering van de balanspost rekening moet worden gehouden met alle feiten en omstandigheden die een licht werpen op de mate van voorzienbaarheid ten aanzien van de oninbaarheid van de vordering, ook indien deze feiten en omstandigheden na het opmaken van de fiscale balans over het onderhavige jaar, maar vóór het definitief vaststaan van de aanslag vennootschapsbelasting over dat jaar bekend worden (vgl. HR 11 april 2008, nr. 44.089, ECLI:NL:HR:2008:BC9189, BNB 2008/168).

7.5.

De Inspecteur heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [Y] over genoeg middelen beschikte om de schuld ad € 169.687 aan belanghebbende af te lossen, en dat afwaardering van de vordering daarom niet kan worden toegestaan. De Inspecteur wijst dienaangaande op informatie uit een tot de gedingstukken behorend rapport proces-verbaal strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO). Dat rapport is weliswaar gedateerd 29 november 2012, maar geeft, aldus de Inspecteur, inzicht in hoeverre het voor [Y] mogelijk was om de schuld aan belanghebbende ultimo 2009 af te lossen. Uit dit rapport volgt dat, aldus nog steeds de Inspecteur, [Y] ultimo 2009 voldoende middelen had om de schuld aan belanghebbende af te lossen. Daarbij wijst de Inspecteur erop dat ook uit de gegevens in de aangifte inkomstenbelasting 2009 van [Y] kan worden afgeleid dat hij zijn schuld jegens belanghebbende ultimo 2009 kon voldoen.

7.6.

Belanghebbende heeft met haar stelling dat op het gehele vermogen van [Y] beslag is gelegd in het kader van de ontnemingsvordering, zodat zij op basis van het voorzichtigheidsbeginsel haar vordering mag afwaarderen naar nihil, niet voldaan aan de op haar rustende bewijslast overtuigend aan te tonen dat op basis van de door haar gestelde feiten en omstandigheden goed koopmansgebruik afwaardering van de vordering toestaat. Weliswaar is onder [Y] beslag gelegd, doch niet op zijn gehele vermogen, maar slechts op vermogensbestanddelen die kunnen dienen ter ontneming van het door hem verkregen wederrechtelijk voordeel. Belanghebbende heeft het tegendeel geenszins aangetoond en bovendien heeft [Y] zich ten aanzien van het gelegde beslag op het standpunt gesteld dat het beslag ten onrechte is gelegd. De Inspecteur heeft op bladzijde 6 en 7 van het verweerschrift in eerste aanleg erop gewezen dat [Y] meer bezittingen heeft dan waarop de Officier van Justitie beslag heeft gelegd en belanghebbende heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. Voorts heeft de Inspecteur, onvoldoende gemotiveerd door belanghebbende betwist, gesteld dat [Y] in 2009 leefde zonder bron van inkomsten te hebben aangegeven bij de belastingdienst, dat hij over diverse panden beschikte die hij verhuurd had, dat hij in 2009 een Landrover van ongeveer € 11.000 heeft gekocht, ongeveer € 4.000 aan contanten op een rekening van de [H] Bank heeft gestort en in dat jaar nog diverse contante uitgaven heeft gedaan. Belanghebbende heeft overigens niet gesteld dat hij anderszins over voldoende middelen kon beschikken om de uitgaven te verklaren. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het oordeel van de Rechtbank dat belanghebbende niet is geslaagd in haar bewijslast juist is. Belanghebbende heeft niet aangetoond dat [Y] ultimo 2009 niet in staat was de openstaande schuld in de resterende zes jaar af te lossen. Het voorgaande impliceert dat belanghebbendes subsidiaire standpunt geen behandeling behoeft.

7.7.1.

Belanghebbende beroept zich op het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende stelt dat, doordat de Inspecteur de afwaardering van het bedrag van € 208.000 (plus bijgeschreven rente) heeft aanvaard, hij bij haar het vertrouwen heeft gewekt dat het in overeenstemming met de regels van goed koopmansgebruik (het voorzichtigheidsbeginsel) is om de vordering op [Y] af te waarderen tot op nihil. Voorts betoogt zij dat, gelet op de stellingname van de Inspecteur in de bezwaarfase, niet langer in geschil is dat de vordering op [Y] ultimo 2009 niet inbaar was en dat slechts in geschil was of de vordering diende te worden gekwalificeerd als onzakelijk.

7.7.2.

Het beroep moet worden verworpen. Het staat de Inspecteur vrij de grondslag voor de onderbouwing van zijn correctie te wijzigen. Uit niets blijkt dat de Inspecteur dienaangaande zijn recht om de grondslag van zijn correctie te wijzigen, heeft prijsgegeven. Ook voor het overige faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende heeft niet aangetoond dat er feiten of omstandigheden zijn die bij haar het in rechte te beschermen vertrouwen hebben kunnen wekken dat het besluit van de Inspecteur ten aanzien van het in aftrek toelaten van het bedrag van € 208.000 onverkort zou gelden voor de geldlening.

7.8.

De slotsom uit het voorgaande moet zijn dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

Er zijn geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond, en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 16 augustus 2016 in het openbaar uitgesproken. Wegens verhindering van de griffier is de uitspraak alleen ondertekend door de voorzitter.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.