Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2616

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
09-09-2016
Zaaknummer
200.193.378/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

aansprakelijkheid voor schade ten gevolge van conservatoir beslag als de eis in de hoofdzaak niet tijdig is ingesteld of als die eis is afgewezen; vaststelling schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

Zaaknummer : 200.193.378/01

Zaak/Rolnummer rechtbank : 4865032/16-6574

arrest van 30 augustus 2016

inzake

HGS PRODUCTS B.V.

gevestigd te Weert,

hierna te noemen: HGS,

appellante, incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. M.M.M. Rooijen te Weert,

tegen

SENSOR NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde, incidenteel appellante,

hierna te noemen: Sensor,

advocaat: mr. A.A.H.J. Huizing te Amsterdam.

Het geding

Verwezen wordt naar het in deze zaak gewezen tussenarrest van 19 juli 2016 waarbij een comparitie van partijen na aanbrengen is bevolen. Voorafgaand aan de comparitie is namens beide partijen toelating tot de Second Opinion-procedure (SO-procedure) verzocht. Daartoe hebben de advocaten van partijen ieder een SO-formulier als bedoeld in het Second Opinion reglement (SOR) ingevuld en ondertekend. Voornoemd verzoek is toegestaan, waarna arrest is bepaald. De bepaalde comparitie na aanbrengen heeft niet plaatsgevonden.

Beoordeling van het hoger beroep volgens de SO-procedure

1. Met de namens hen verrichte invulling en ondertekening van de SO-formulieren hebben partijen ingestemd met het SOR en worden zij geacht een conclusie van eis in principaal appel en een conclusie van antwoord in principaal appel tevens conclusie van eis in incidenteel appel als bedoeld in artikel 347, lid 1 Rv te hebben genomen (zie ook de artikelen 3.3, 3.4 en 3.5 SOR). De enige grieven (in principaal en incidenteel beroep) luiden dat de rechtbank Den Haag (sector kanton ) – hierna ook: de kantonrechter – in het eindvonnis van 24 mei 2016 niet heeft beslist overeenkomstig hetgeen zij, ieder voor zich, in eerste aanleg hadden geconcludeerd.

2. Partijen hebben ermee ingestemd dat het hof de zaak beoordeelt in de stand waarin deze zich bevond op het tijdstip waarop voor het laatst vonnis van de kantonrechter werd gevraagd (artikel 2.7 SOR en de “Verklaring” in de SO-formulieren) en dus aan de hand van uitsluitend de stukken in eerste aanleg en de daarin betrokken stellingen, van welke stukken en stellingen het hof heeft kennisgenomen, met dien verstande dat het hof geen kennis heeft genomen van het verhandelde ter comparitie van partijen in eerste aanleg, nu zich geen proces-verbaal van deze comparitie bij de door partijen overgelegde stukken bevindt.

3. Het hof neemt de overwegingen 1 tot en met 7, 10, 11 en 14 van de kantonrechter over en maakt die tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.

4. Over de onrechtmatigheid en de aansprakelijkheid

Op de beslaglegger rust in beginsel een risicoaansprakelijkheid voor de gevolgen van een door hem gelegd conservatoir beslag als de eis in de hoofdzaak niet tijdig is ingesteld of als deze eis door de rechter waarbij deze is ingesteld geheel wordt afgewezen en deze afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan. Sensor heeft ervoor gekozen de eis in de hoofdzaak (uitsluitend) in te stellen bij de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg. Deze heeft de vorderingen waarvoor de beslagen waren gelegd afgewezen. Sensor heeft tegen het vonnis van de voorzieningenrechter geen hoger beroep ingesteld, zodat de afwijzing van de eis in de hoofdzaak inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan. Een en ander brengt naar het oordeel van het hof mee dat aangenomen moet worden dat Sensor door het leggen van de beslagen onrechtmatig gehandeld heeft en aansprakelijk is voor de daardoor door HGS geleden schade. Voor zover Sensor erover klaagt dat de voorzieningenrechter de vorderingen waarvoor beslag was gelegd niet (inhoudelijk) heeft beoordeeld, merkt het hof op dat de grond waarop de eis in de hoofdzaak is afgewezen in beginsel niet beslissend is voor de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het beslag en dat, hoewel de voorzieningenrechter de eis niet heeft afgewezen op basis van een inhoudelijke beoordeling van de grondslag van die eis, hij in het vonnis wel heeft geoordeeld dat het (ook) ter onderbouwing van de eis in de hoofdzaak aangevoerde onrechtmatig handelen van HGS, bestaande uit gesteld afschuimen van het klantenbestand van Sensor, doen van onjuiste mededelingen aan klanten van Sensor en verkopen van producten van Sensor onder haar eigen (merk)naam, niet voldoende aannemelijk is geworden (r.o. 7.12 tot en met 7.15).

5. Over de schade

Ten aanzien van de gevorderde schade bestaande uit interne loonkosten van drie medewerkers is het hof van oordeel dat HGS onvoldoende heeft onderbouwd dat de tijd die haar werknemers hebben besteed in verband met de gelegde beslagen heeft geleid tot een verlaging van haar inkomsten/winst die gelijk is aan de loonkosten van die personen over die bestede tijd. Ook gelet op erkenning van Sensor dat een medewerker van HGS bij de beslaglegging aanwezig is geweest, acht het hof aannemelijk dat personeel van HGS in ieder geval enige werktijd ten gevolge van het beslag niet aan haar normale werkzaamheden heeft kunnen besteden en dat HGS daardoor enige inkomsten is misgelopen. Het hof begroot de schade schattenderwijs op € 1.000,--. Dit brengt mee dat naar het oordeel van het hof de gevorderde schadevergoeding tot een bedrag van € 1.738,-- toewijsbaar is.

6. Het hof neemt overweging 15 van de kantonrechter over en maakt die tot de zijne.

7. Nu partijen in principaal beroep over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld zal het hof de kosten in principaal beroep compenseren. Als de in het incidenteel beroep in het ongelijk gestelde partij zal Sensor worden veroordeeld in de daarop gevallen kosten, welke zullen worden begroot op nihil. Ten behoeve van de leesbaarheid zal het hof de veroordeling van gedaagde om een bedrag van € 738,--, met rente, te betalen geheel vernietigen en, opnieuw rechtdoende, Sensor veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.738.--, met rente.

Beslissing

Het gerechtshof:

in principaal hoger beroep

vernietigt het door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 24 mei 2016 voor zover Sensor daarbij is veroordeeld om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan HGS een bedrag van (slechts) € 738, --, te vermeerderen met rente, te voldoen,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Sensor om binnen zeven dagen na betekening van dit arrest aan HGS te voldoen een bedrag van € 1.738,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling van elk deelbedrag;

bekrachtigt het door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 24 mei 2016 voor het overige;

compenseert de kosten van het principaal hoger beroep, des dat partijen ieder hun eigen kosten dragen;

in incidenteel hoger beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Sensor in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot op heden begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.D. Kiers-Becking M.Y Bonneur en P.H. Blok; het is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 augustus 2016 in aanwezigheid van de griffier.