Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2584

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
05-09-2016
Zaaknummer
200.166.886/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1139, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vordering op advocatuurlijke stichting derdengelden tot uitbetaling geparkeerd bedrag; verjaring; verdeling en einde gemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.166.886/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/442042/HA ZA 14-41

arrest van 9 februari 2016

inzake

STICHTING BEHEER DERDENGELDEN ADVOCATUUR NAUTADUTILH,

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

hierna te noemen: de Stichting,

advocaat: mr. J.D. Loorbach te Rotterdam,

tegen

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/OOST-BRABANT,

kantoorhoudende te Eindhoven,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Ontvanger,

advocaat: mr. M.H. de Boer te Amsterdam.

Het geding

Voor het verloop van het geding tot het tussenarrest van het hof van 7 april 2015 verwijst het hof naar dat arrest. De bij dat tussenarrest gelaste comparitie van partijen heeft op 9 juni 2015 plaatsgevonden, maar deze heeft niet tot overeenstemming geleid. Bij de vervolgens genomen memorie van grieven heeft de Stichting vier grieven tegen het bestreden rechtbankvonnis aangevoerd, die door de Ontvanger bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden. De Stichting heeft zich hierna bij akte over deze producties uitgelaten, waarna de Ontvanger een antwoordakte heeft genomen. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1

Aangezien geen grieven zijn gericht tegen de feiten, die de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.17 van het bestreden vonnis heeft vastgesteld en daarover tussen partijen ook overigens geen geschil bestaat, zal het hof eveneens van deze feiten uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.2

Op 4 september 1996 heeft de Ontvanger een dwangbevel uitgevaardigd en betekend aan [X] (hierna: [X]) in verband met een op diezelfde dag aan [X] opgelegde voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering 1996 ten bedrage van NLG 481.536.

1.3

De Ontvanger heeft op 10 oktober 1997 ten laste van [X] executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Rabobank. De Ontvanger heeft hieruit op 20 april 1998 een bedrag van NLG 136.547,55 uitgewonnen.

1.4

Bij dagvaarding van 18 maart 1999 heeft [X] de Ontvanger in kort geding gedagvaard tot terugbetaling van het uitgewonnen bedrag. Die vordering heeft de president van de arrondissementsrechtbank ’s-Hertogenbosch bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 29 april 1999 toegewezen, omdat hij van oordeel was dat het dwangbevel door een onbevoegde ambtenaar was uitgevaardigd. De Ontvanger heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

1.5

Op 30 juni 1999 heeft [X] zijn vordering jegens de Ontvanger tot terugbetaling van het uitgewonnen bedrag stil verpand aan zekere [Y].

1.6

Op 12 juli 1999 heeft de Ontvanger ten laste van [X] conservatoir eigenbeslag gelegd op het bedrag van NLG 136.547,55 dat de Ontvanger ingevolge het kort gedingvonnis van 29 april 1999 aan [X] diende terug te betalen. Op 26 juli 1999 heeft de Ontvanger de eis in de hoofdzaak ingesteld.

1.7

Op 16 juli 1999 en 5 augustus 1999 heeft [X] ten laste van de Ontvanger en de Staat executoriaal beslag gelegd onder de Dienst der Domeinen.

1.8

Op 28 juli 1999 heeft het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: het Lisv) ten laste van [X] conservatoir derdenbeslag gelegd onder de Ontvanger op al hetgeen de Ontvanger aan [X] verschuldigd was of zou worden. Dit beslag is op 6 augustus 1999 overgegaan in een executoriaal derdenbeslag.

1.9

Op 6 augustus 1999 hebben de Ontvanger en de Staat [X] in kort geding gedagvaard en opheffing gevorderd van de gelegde executoriale beslagen onder de Dienst der Domeinen. Op 9 augustus 1999 heeft een zitting plaatsgevonden voor de president van de arrondissementsrechtbank ’s-Hertogenbosch. Tijdens die zitting hebben partijen bepaalde afspraken gemaakt die als volgt in het proces-verbaal van die zitting zijn opgenomen:

1) Eisers (dat wil zeggen: de Staat en/of de Ontvanger) betalen zo spoedig mogelijk een bedrag van ƒ 165.000,-- op de rekening van Stichting Beheer Derdengelden Advocatuur Nauta Dutilh.

2) Gelet op deze verplichting van eisers vindt de veiling op 10 augustus 1999 in opdracht van de Dienst der Domeinen doorgang.

3) Na ontvangst van het onder 1) vermelde bedrag op de daar vermelde rekening heft [X] alle executoriale beslagen (ingevolge de kortgedingvonnissen van 29 april 1999 en 8 juli 1999) terstond op en ziet hij af van verdere executiemaatregelen terzake.

4) De behandeling van het kort geding wordt voortgezet op (….). Na eiswijziging zal aan de president (….) (1) de vraag worden voorgelegd of het de onder 1) genoemde stichting vrij staat het onder haar berustende bedrag of een deel daarvan terstond en onvoorwaardelijk door te betalen aan [X], en (2) de vraag wat er met deze gelden moet gebeuren indien de stichting die vrijheid niet heeft.

1.10

Op 10 augustus 1999 heeft de Ontvanger een bedrag van NLG 165.000 (het uitgewonnen bedrag vermeerderd met rente en kosten) gestort op de rekening van de Stichting.

1.11

Op 30 augustus 1999 hebben de Ontvanger en de Staat in het onder 1.9 bedoelde kort geding hun eis gewijzigd, in die zin dat zij vorderden, samengevat, primair: [X] te veroordelen om te dulden dat de Stichting aan eisers zal terugbetalen het onder de Stichting berustende bedrag van NLG 165.000, en subsidiair: [X] te veroordelen om te dulden dat de Stichting het onder haar berustende bedrag van NLG 165.000 onder zich zal houden zolang het door de Ontvanger gelegde eigenbeslag of het door het Lisv onder de Ontvanger gelegde beslag niet is opgeheven en totdat bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist over de door [X] tegen de Ontvanger bij dagvaarding van 18 maart 1999 ingestelde vordering, waarna de Stichting – indien de Ontvanger in die zaak in het gelijk zal worden gesteld – het bedrag van NLG 165.000 vermeerderd met de daarover gekweekte rente aan eisers op hun eerste verzoek zal terugbetalen, of – indien [X] in het gelijk zal worden gesteld – de Stichting aan [X] zal kunnen uitbetalen het bedrag waarop [X] krachtens voornoemde uitspraak aanspraak kan maken.

1.12

Bij vonnis van 16 september 1999 heeft de president bepaald dat het door de Ontvanger onder de Stichting gestorte bedrag van NLG 165.000, vermeerderd met de daarop gekweekte en te kweken rente, onder de Stichting blijft berusten totdat zich een van de in rechtsoverweging 4.11 omschreven gevallen voordoet. In rechtsoverweging 4.11 heeft de president de volgende gevallen genoemd: een minnelijke regeling tussen partijen, dan wel het geval dat “in een bodemprocedure (dan wel in het hoger beroep van het vonnis van 29 april 1999) definitief, of ten minste in een voor directe tenuitvoerlegging vatbare vorm, een zodanige beslissing is gevallen dat duidelijk is aan wie het bedrag moet worden terug- dan wel doorbetaald.”

1.13

Bij brief van 7 oktober 1999 heeft de advocaat van [Y] de Ontvanger in kennis gesteld van de onder 1.5 genoemde stille verpanding en aan de Ontvanger verzocht medewerking te verlenen aan uitbetaling door de Stichting van het onder haar berustende bedrag aan [Y]. Bij brief van 12 oktober 1999 heeft de Ontvanger aan de Stichting bericht dat hij geen medewerking zal verlenen aan uitbetaling aan [Y] en dat hij, de Ontvanger, er hoe dan ook van uitgaat dat niet tot uitbetaling van dat bedrag zal worden overgegaan zonder uitdrukkelijke instemming van de Ontvanger.

1.14

Bij brief van 21 december 1999 heeft de advocaat van [Y] de Stichting verzocht over te gaan tot betaling van het bedrag van NLG 165.000.

1.15

Op 31 maart 2000 heeft de Stichting NLG 165.000 betaald aan [Y], tegen een door [Y] op 30 maart 2000 aan de Stichting afgegeven vrijwaring.

1.16

Bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 mei 2000 heeft het hof het vonnis van de president van 29 april 1999 vernietigd en de vorderingen van [X] alsnog afgewezen. Het tegen dit arrest gerichte cassatieberoep heeft de Hoge Raad bij arrest van 18 oktober 2002 verworpen.

1.17

Bij vonnis van 15 maart 2002 heeft de arrondissementsrechtbank ’s-Hertogenbosch op vordering van de Ontvanger voor recht verklaard dat het de Ontvanger vrijstond conservatoir eigenbeslag te leggen op de vordering van [X] op de Ontvanger voortvloeiende uit het vonnis van 29 april 1999. Bij arrest van 28 augustus 2007 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat vonnis vernietigd en de vordering van de Ontvanger afgewezen, maar dat arrest is bij arrest van 27 november 2009 door de Hoge Raad vernietigd.

1.18

In de fiscale procedure over de juistheid van de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering 1996 van NLG 615.885 heeft de Hoge Raad bij arrest van 27 april 2012 het cassatieberoep van [X] verworpen. Daarmee kwam de juistheid van deze aanslag definitief vast te staan.

1.19

De Ontvanger heeft de Stichting bij brief van 6 juni 2012 verzocht om uitbetaling van het bedrag van NLG 165.000, vermeerderd met de daarop gekweekte rente sinds de datum van storting. De Stichting heeft aan dit verzoek – en aan daaropvolgende verzoeken – geen gevolg gegeven.

1.20

De Ontvanger vordert in dit geding dat de Stichting wordt veroordeeld tot betaling van € 74.873,73, te vermeerderen met de daarover gekweekte rente vanaf 10 augustus 1999 tot 1 juli 2012 en met de wettelijke handelsrente vanaf 1 juli 2012. De Ontvanger beroept zich daarbij primair op nakoming van de verplichting van de Stichting om dit bedrag aan de Ontvanger over te maken, subsidiair op de verplichting van de Stichting om vervangende schadevergoeding te betalen en meer subsidiair op een door de Stichting jegens de Ontvanger gepleegde onrechtmatige daad. De Stichting beroept zich primair op verjaring, subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat de storting van het bedrag van NLG 165.000 niet heeft geleid tot enige aanspraak van de Ontvanger op de Stichting, althans dat de voorwaarden waaronder tot uitbetaling zou moeten worden overgegaan nimmer in vervulling zijn gegaan.

1.21

De rechtbank heeft de vordering van de Ontvanger toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat het verjaringsverweer niet opgaat, kort gezegd, omdat de (potentiële) rechthebbenden op het onder de Stichting gestorte bedrag hebben te gelden als deelgenoten in een gemeenschap, hetgeen tot gevolg heeft dat op grond van art. 3:178 lid 1 BW ieder der deelgenoten te allen tijde het recht had verdeling te vorderen, hetgeen betekent dat dit recht niet aan verjaring onderhevig is. Vervolgens heeft de rechtbank het kortgedingvonnis van 16 september 1999 aldus uitgelegd, dat daarin tevens rekening is gehouden met een mogelijke aanspraak van de Ontvanger op het gestorte bedrag. De Stichting had het bedrag van NLG 165.000 dus niet aan [Y] mogen uitbetalen, omdat nog niet voldaan was aan de in het vonnis van 16 september 1999 geformuleerde voorwaarden. Door het gestorte bedrag niet aan de Ontvanger als uiteindelijk rechthebbende te betalen, is de Stichting tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens de Ontvanger, aldus de rechtbank. Nu het bedrag zich niet meer op de rekening van de Stichting bevindt, heeft de rechtbank de primaire vordering tot nakoming niet toewijsbaar geacht. De rechtbank heeft daarom de subsidiaire vordering tot betaling van vervangende schadevergoeding ter hoogte van het gestorte bedrag toegewezen.

2.1

Het hof zal eerst grief 2 behandelen.

2.2

Met deze tweede grief komt de Stichting op tegen het oordeel van de rechtbank dat, kort gezegd, het kortgedingvonnis van 16 september 1999 aldus uitgelegd moet worden dat daarin tevens rekening is gehouden met een mogelijke aanspraak van de Ontvanger op het gestorte bedrag en dat de Ontvanger dan ook jegens de Stichting aanspraak kan maken op uitbetaling van het onder haar gestorte bedrag.

2.3

Het hof is van oordeel dat de rechtbank in de rechtsoverwegingen 4.7 tot en met 4.11 het betoog van de Stichting op juiste gronden heeft verworpen. Het hof verwijst naar deze overwegingen en maakt deze overwegingen tot de zijne. Nu de Stichting in hoger beroep geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd kan het hof volstaan met de volgende opmerkingen.

2.4

De rechtbank heeft voor de vraag wie gerechtigd was tot het bij de Stichting gestorte bedrag de uitleg van het kortgedingvonnis van 16 september 1999 doorslaggevend geacht. Tegen dit oordeel is geen grief gericht zodat ook het hof hiervan zal uitgaan. Tegen deze achtergrond falen meer in het bijzonder de stellingen van de Stichting die betrekking hebben op, wat zij noemt, de context waarin dat kort geding plaatsvond. Het is immers niet van doorslaggevend belang of [X] reden had om ‘concessies’ aan de Ontvanger te doen of dat het vanuit de positie van [X] geen doel diende dat hij pas veel later de vrije beschikking over zijn geld zou krijgen (memorie van grieven 2.4 en 2.5). Ook indien dat inderdaad de positie van [X] was, wil dat immers nog niet zeggen dat de president hem daarin ook is gevolgd. De president heeft zich kennelijk gerealiseerd, mogelijk anders dan [X], dat weliswaar in kort geding was bepaald dat de Ontvanger het uitgewonnen bedrag terug moest betalen aan [X] (vonnis van 29 april 1999) en dat het eigenbeslag daaraan niet in de weg mocht staan (vonnis van 16 september 1999), maar dat daarmee nog niet was gezegd dat deze oordelen in hoger beroep dan wel in een bodemprocedure stand zouden houden – en nog minder dat vast stond dat [X] helemaal niets meer aan de Ontvanger verschuldigd was. Het ligt daarom voor de hand, en de woorden “of in een bodemprocedure (dan wel in het hoger beroep van het vonnis van 29 april 1999)” in rechtsoverweging 4.11 wijzen daar ook op, dat niet alleen de kwestie van het door het Lisv gelegde beslag aan uitbetaling aan [X] in de weg stond maar ook de mogelijkheid dat in hoger beroep of in een bodemprocedure tussen de Ontvanger en [X] anders zou worden geoordeeld dan beide presidenten in hun kortgedingvonnissen hadden gedaan. Hierop wijst ook dat hetgeen de president in zijn vonnis van 16 september 1999 heeft toegewezen in wezen neerkomt op toewijzing van de (gewijzigde) subsidiaire vordering van de Ontvanger, die er uiteraard op zag dat ook de Ontvanger gerechtigd zou kunnen blijken te zijn op het onder de Stichting gedeponeerde bedrag. Ten slotte heeft de president in rechtsoverweging 4.11 nog expliciet overwogen dat, indien later mocht komen vast te staan dat de Ontvanger dit bedrag ten onrechte heeft gedeponeerd, hem – en niet [X] – de daarop gekweekte rente toekomt. Ook dit wijst er op dat de president ervan is uitgegaan dat de Ontvanger mogelijk aanspraak zou kunnen maken op het gedeponeerde bedrag.

2.5

In de memorie van grieven onder 5.1 voert de Stichting aan dat de (door de president gekozen) constructie ervan uitging dat de Ontvanger het bedrag niet in zijn vermogen hoorde te hebben en dat dus [X] het bedrag zonder verdere vertraging terug moest hebben in zijn vermogen. Het tweede volgt echter niet uit het eerste. De Stichting ziet immers over het hoofd dat het ook mogelijk was het bedrag uit het vermogen van de Ontvanger te brengen maar dit tegelijkertijd uit het vermogen van [X] te houden, namelijk door dit te storten onder de Stichting. Dit is kennelijk ook de oplossing die de president voor ogen stond. Het hof tekent hierbij aan dat ook volgens de stellingen van de Stichting zelf, betaling aan de Stichting niet impliceerde dat het bedrag onderdeel van het vermogen van [X] ging uitmaken, want de Stichting erkent dat ook het Lisv aanspraak op het bedrag zou kunnen maken. Ook in de opvatting van de Stichting ging het dus niet om een betaling aan de Stichting met [X] als enige gerechtigde.

2.6

De grief faalt.

3.1

Met haar eerste grief komt de Stichting op tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering van de Ontvanger niet is verjaard. De Stichting voert daartoe in de eerste plaats aan dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat door storting van het litigieuze bedrag onder de Stichting een gemeenschap is ontstaan. Daarvan is volgens de Stichting geen sprake indien, zoals in het onderhavige geval, elk der rechthebbenden voorwaardelijk gerechtigd is tot het gehele bedrag. In dat geval is immers geen sprake van een goed dat toebehoort aan twee of meer rechthebbenden gezamenlijk.

3.2

Het oordeel van de rechtbank moet kennelijk aldus worden begrepen, dat zij (i) ten aanzien van de primaire vordering tot nakoming heeft beslist dat deze niet verjaard is, maar (ii) dat deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt omdat het bedrag zich niet meer op de rekening van de Stichting bevindt en (iii) de subsidiaire vordering tot vervangende schadevergoeding heeft toegewezen.

3.3

Voor zover de Stichting het oordeel van de rechtbank over de verjaring van de primaire vordering aanvecht faalt het op grond van hetgeen de rechtbank dienaangaande in rechtsoverwegingen 4.4 en 4.5 heeft overwogen, welke overwegingen het hof overneemt en tot de zijne maakt. Het hof voegt hieraan nog het volgende toe.

3.4

Waar de Stichting betoogt dat door de storting van het litigieuze bedrag op de rekening derdengelden geen gemeenschap is ontstaan, gaat zij ten onrechte voorbij aan de jurisprudentie van de Hoge Raad waarop de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd en waaruit volgt dat ook in een geval als het onderhavige sprake is van een gemeenschap. De Hoge Raad heeft dit oordeel herhaald in HR 29 april 2011, NJ 2011, 372.

3.5

De Stichting voert nog aan dat, als al een gemeenschap zou bestaan, dit een gemeenschap is tussen [X] en de Ontvanger, niet tussen hen en de Stichting. Dit zou volgens de Stichting betekenen dat de deelgenoten wel te allen tijde van elkaar verdeling zouden kunnen vorderen, maar niet ook van de Stichting die geen deelgenoot is. De vordering tegen de Stichting zou dus wel kunnen verjaren. De Stichting beroept zich in dit verband mede op (de strekking van) artikel 25 lid 4 Wet op het notarisambt (Wna).

3.6

Dit betoog faalt. Op grond van art. 25 lid 2 en lid 3 Wna moet tot uitgangspunt worden genomen dat de gemeenschap tussen [X] en de Ontvanger bestond uit de (op naam van de Stichting geadministreerde) vordering op de bank uit hoofde van de kwaliteitsrekening en dat de Stichting niet de rechthebbende is op deze vordering maar daarover slechts ten behoeve van de deelgenoten het beheer en de beschikking voerde. Er is geen aanleiding hierover anders te denken indien het gaat om een derdengeldrekening van een advocatenkantoor. In die situatie, waarin de Stichting geen zelfstandige positie inneemt maar slechts de belangen van de deelgenoten behartigt, is er geen reden om een verzoek aan de Stichting van één van de deelgenoten om tot uitkering van het saldo op de rekening – en dus in feite tot verdeling van de gemeenschap – over te gaan, voor wat betreft de verjaring anders te behandelen dan een vordering tot verdeling van de ene deelgenoot jegens de andere. De Stichting treedt immers ook op namens de andere deelgenoten, zodat een vordering tot verdeling van de gemeenschap ook tot de Stichting gericht kan worden. De regel dat het recht van elke deelgenoot om te allen tijde verdeling te verlangen niet verjaart, zou – in een geval als het onderhavige, waarin de gemeenschap bestaat uit de vordering van een stichting derdengelden op de bank – vrijwel zonder betekenis zijn indien de vordering van de deelgenoten jegens de Stichting om die verdeling te effectueren wel zou verjaren. Een beroep van de Stichting op verjaring verdraagt zich bovendien niet met de positie van een derdengeldstichting, die immers geacht wordt uitsluitend op te treden ten behoeve van de deelgenoten en niet ten behoeve van zichzelf.

3.7

De Stichting stelt zich verder op het standpunt dat de gemeenschap op 18 oktober 2002 is geëindigd, door het hiervoor onder 1.16 genoemde arrest van de Hoge Raad. Volgens de Stichting kwam met dat arrest vast te staan dat de Ontvanger de enige gerechtigde was tot het onder de Stichting gedeponeerde bedrag en betekent dit dat er geen gemeenschap meer bestond en dus ook geen – niet voor verjaring vatbare – “verdelingsvordering” meer. Ook dit betoog faalt. Op grond van het voorgaande moet worden aangenomen dat door de betaling van het litigieuze bedrag op de rekening van de Stichting een gemeenschap is ontstaan. Die gemeenschap duurt voort totdat de gemeenschap is verdeeld en eindigt niet reeds door het enkele feit dat zou zijn komen vast te staan welke partij op dat bedrag aanspraak kan maken. Het hof kan dan ook in het midden laten of met dat arrest inderdaad definitief was komen vast te staan dat de Ontvanger als enige gerechtigd was tot het depot.

3.8

De Stichting voert ten slotte aan dat de bepaling van artikel 25 lid 4 Wna zonder specifieke wettelijke regeling, die ontbreekt, niet van toepassing is op een derdengeldenstichting van een advocatenkantoor en dat deze bepaling dus ook niet kan afdoen aan de algemene verjaringsregels. Dit betoog loopt vast op het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2003 (NJ 2004, 196) waarin de Hoge Raad besliste dat toepassing van artikel 25 Wna op door advocaten aangehouden rekeningen voor derdengelden wel degelijk mogelijk is als passend binnen het stelsel van de wet en aansluitend bij wel in de wet geregelde gevallen.

3.9

Grief 1 faalt.

4.1

Met grief 3 komt de Stichting op tegen het oordeel van de rechtbank dat nergens in het vonnis van 16 september 1999 het oordeel te lezen is dat de Staat (bedoeld zal zijn: de Ontvanger, hof) in het geheel geen aanspraak meer zou kunnen maken op het litigieuze bedrag, doch tevergeefs. In rechtsoverwegingen 4.6 en 4.7 van dat vonnis, waarnaar de Stichting verwijst, is wel overwogen dat het ongerijmd zou zijn indien de Ontvanger het uitgewonnen bedrag onder zich zou kunnen houden, maar niet dat de Ontvanger daarop nooit meer enige aanspraak zou kunnen maken.

4.2

In grief 4 voert de Stichting aan dat storting op de derdenrekening alleen daarom niet “ongerijmd en onaanvaardbaar” was nu het Lisv beslag had gelegd. Het hof verwijst naar hetgeen het hiervoor ten aanzien van het betoog van de Stichting heeft overwogen. De president heeft kennelijk niet alleen met de belangen van het Lisv rekening willen houden maar ook met die van de Ontvanger. De grief faalt.

5.1

Nu de grieven geen van alle slagen, zal het vonnis van de rechtbank worden bekrachtigd.

5.2

De Stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan hoger beroep;

- veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding in hoger beroep, tot heden aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 1.937,-- voor verschotten en € 4.077,50 voor salaris van de advocaat, en bepaalt dat de wettelijke rente over deze bedragen verschuldigd zal zijn indien deze niet uiterlijk binnen 14 dagen na de dag van dit arrest zullen zijn voldaan;

- verklaart deze proceskostenvergoeding uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, S.A. Boele en J. J. van der Helm, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2016.