Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2575

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
26-09-2016
Zaaknummer
200.192.880/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Artikel 1:253a BW; geschil over schoolkeuze. Hof hoort de betrokken minderjarige in raadkamer meervoudig; hof hecht doorslaggevend belang aan de gemotiveerde schoolkeuze van de minderjarige zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0265

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 10 augustus 2016, geminuteerd 24 augustus 2016

Zaaknummer : 200.192.880/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 16-1252

Zaaknummer rechtbank : C/09/505695

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.H. de Milliano-Machielse te Katwijk,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. R.J. Bouwmeester te Noordwijk.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 10 juni 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 maart 2016 van de rechtbank Den Haag.

De vrouw heeft op 30 juni 2016 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 9 augustus 2016 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 10 augustus 2016 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De hierna nader te noemen minderjarige [minderjarige] is in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is aan de vrouw toestemming verleend – welke toestemming die van de man vervangt – om de hierna te noemen minderjarige aan te melden bij het [schoolnaam] te [vestigingsplaats] . De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de aan de vrouw verleende vervangende toestemming om de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , hierna: de minderjarige, in te schrijven op het [schoolnaam] te [vestigingsplaats] .

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, hem toestemming te verlenen, welke de toestemming van de vrouw vervangt, de minderjarige aan te melden bij het [schoolnaam 2] te [vestigingsplaats] voor het schooljaar 2016/2017.

3. De vrouw verzoekt de grieven van de man te verwerpen en de bestreden beschikking in stand te laten, eventueel met verbetering van de gronden, kosten rechtens.

4. De man stelt dat de schoolkeuze voor de minderjarige vooral leek te gaan tussen [schoolnaam 3] te [vestigingsplaats] en het [schoolnaam 2] te [vestigingsplaats] . Later is daar als keuze het [schoolnaam] te [vestigingsplaats] bijgekomen, een school die, in tegenstelling tot de andere scholen, een (top)sportprogramma aanbiedt op het gebied van de zwemsport, een sport die door de minderjarige op hoog niveau wordt bedreven.

De man stelt dat de minderjarige inmiddels op het [schoolnaam] is aangemeld, echter zonder aanspraak te maken op inschrijving voor het extra sportaanbod. Daarmee is het voornaamste argument om de minderjarige op die school in te schrijven vervallen. Na de beslissing van de rechtbank is de minderjarige in huilen uitgebarsten en heeft zij uit eigen beweging een brief aan de rechtbank geschreven waarin zij heeft aangegeven liever naar het [schoolnaam 2] te gaan.

Voorts heeft de minderjarige een brief aan haar moeder geschreven waarin zij ook kenbaar heeft gemaakt graag naar het [schoolnaam 2] te willen. Deze school heeft volgens de man onder meer dorpse invloeden, iets wat beter past bij de minderjarige, ligt in een vertrouwde leefomgeving (opa en oma wonen praktisch naast de school) en de fietsroute is een stuk veiliger dan de route naar het [schoolnaam] . De man acht het laatste zeker van belang nu de vrouw gaat verhuizen naar Leidschendam op een afstand van meer dan 15 kilometer van Voorhout.

In het ouderschapsplan hebben de ouders volgens de man afgesproken dat zij, zolang de minderjarige nog geen 18 jaar is, binnen een straal van 10 tot 15 kilometer vanaf de echtelijke woning zullen blijven wonen. Indien één van de ouders daarvan afwijkt zal co-ouderschap niet meer mogelijk zijn en zal de omgangsregeling worden afgestemd op de wensen van de niet verhuizende ouder. De man stelt dat de vrouw met deze verhuizing niet alleen in strijd met het ouderschapsplan handelt maar daarmee ook in strijd met de belangen van de minderjarige.

Indien de vrouw verhuist zal de minderjarige aanzienlijk meer moeten fietsen (circa 30 kilometer per week meer). Indien de minderjarige naar het [schoolnaam 2] gaat kan zij haar zwemtrainingen in Leiden gewoon voortzetten. Omdat de vrouw geen rekening heeft gehouden/wil houden met de belangen van de minderjarige verzoekt de man vervangende toestemming, welke de toestemming van de vrouw vervangt, om de minderjarige op het [schoolnaam 2] in te schrijven.

De man heeft ter terechtzitting nogmaals de (on)veiligheid van de fietsroute naar voren gebracht en gesteld dat het [schoolnaam 2] net als het [schoolnaam] een Highschool-programma althans een vergelijkbaar programma heeft.

5. De vrouw verzet zich tegen de stellingen van de man en voert daartoe het volgende aan. Alle handelingen die door de vrouw zijn verricht zijn steeds en alleen gericht op het belang en de wensen van de minderjarige. De vrouw weerspreekt met klem dat de brieven van de minderjarige haar wens en keuze belichamen. Volgens de vrouw zijn de brieven geschreven met inmenging van de man, temeer nu vast staat dat de minderjarige ten tijde van de procedure in eerste aanleg geen keuze kon maken. De minderjarige is inmiddels wél aangemeld voor het zogenaamde “Highschool programma”. Op geen enkele wijze onderbouwt de man waarom een dorpsere school beter bij de minderjarige zou passen. Of een school in een vertrouwde omgeving staat, is niet van belang, gezien het feit dat een nieuwe school een nieuwe omgeving oplevert. Deze nieuwe omgeving is na een paar dagen of hooguit een paar weken vertrouwd. De minderjarige had bij het betreden van het [schoolnaam] een fijn en vertrouwd gevoel. Dat de fietsroute naar het [schoolnaam 2] veiliger en overzichtelijker is en dat er minder wederzijds verkeer aanwezig is, is een stelling die niet door de man is onderbouwd. De fietsafstand voor en na de verhuizing blijft voor de minderjarige nagenoeg hetzelfde. De vrouw gaat binnen een straal van 14,9 kilometer vanaf de echtelijke woning wonen zodat zij niet inziet dat een verhuizing in strijd is met de belangen van de minderjarige.

Ter terechtzitting heeft de vrouw gesteld dat zij niets wist van de bij faxbericht van 9 augustus 2016 overgelegde portfolio van de minderjarige en van het bezoek van de man met de minderjarige aan de huisarts op 9 augustus 2016 jongstleden. Zij verwijt de man dat hij vijf maanden op de minderjarige heeft ingepraat en telkens belangrijke informatie heeft achtergehouden.

6. Het hof oordeelt als volgt. Het hof heeft uitvoerig met de minderjarige in raadkamer gesproken en op basis van dat gesprek komt het hof tot de conclusie dat inschrijving op het [schoolnaam 2] in het belang van de minderjarige is. In beginsel worden gesprekken met minderjarigen ten overstaan van één raadsheer gevoerd maar juist vanwege het feit dat de vrouw de authenticiteit van de verklaringen/brieven van de minderjarige sterk in twijfel trekt, is bewust besloten de minderjarige te horen door de meervoudige kamer. Gelet op de (meermaals) uitgesproken mening van de minderjarige in raadkamer en haar uitleg waarom zij in eerste aanleg geen keuze heeft kunnen maken, ziet het hof geen enkele reden om aan de authenticiteit van de verklaring van de minderjarige te twijfelen. Beide ouders doen er in het belang van de minderjarige verstandig aan om de keuze van de minderjarige te respecteren en in haar richting er van blijk te geven achter haar keuze te staan. Het hof merkt daarbij op dat de naar voren gebrachte argumenten, zoals onder meer de ligging van de school, de dorpse invloeden, de fietsroute niet zijn meegewogen aangezien dat gevoelskwesties zijn waarover het hof niet kan oordelen. Het hof merkt voorts nog op dat zowel uit de stukken als het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat partijen ook nog op andere gebieden met elkaar strijden. Van partijen mag worden verwacht dat zij alles in het werk stellen om hun onderlinge verhouding te normaliseren - te meer nu sprake is van een volledig gedeelde zorg - teneinde in de toekomst weer normaal met elkaar te kunnen communiceren, hetgeen eveneens in het belang van de minderjarige is. Om die reden adviseert het hof de deelname aan het traject “kinderen uit de knel” voort te zetten en gezien het feit dat de vrouw een klacht jegens Cardea Leiderdorp heeft ingediend kan het hof zich voorstellen dat voortzetting van het traject in een andere plaats wenselijk is.

7. Zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard zal het hof de kosten van het geding in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

8. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

verleent toestemming aan de man, welke toestemming die van de vrouw vervangt, om de minderjarige aan te melden bij het [schoolnaam 2] te [vestigingsplaats] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.A. van Kempen, L.F.A. Husson en A.S. Mertens-de Jong, bijgestaan door A.J. Suderée als griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 augustus 2016 en geminuteerd op 24 augustus 2016.