Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2552

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
26-09-2016
Zaaknummer
200.189.633/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:462, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

wijzigingsprocedure kinderalimentatie; berekening NBI onderhoudsplichtige; in aanmerking nemen van op bruto loon ingehouden pensioenpremie; geen reden geen rekening te houden bij berekening NBI onderhoudsgerechtigde met kindgebonden budget en combinatiekorting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 24 augustus 2016

Zaaknummer : 200.189.633/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 15-5141

Zaaknummer rechtbank : C/09/491740

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. P. van de Kolk te Haarlem,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. D.J. Prins te Leiden.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 18 april 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 19 januari 2016, verbeterd bij beschikking van 25 februari 2016 van de rechtbank Den Haag.

De man heeft op 26 mei 2016 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 28 april 2016 een V-formulier van 24 april 2016 met bijlagen;

- op 28 juli 2016 een brief van juli 2016 (datum onbekend) met bijlagen.

De zaak is op 10 augustus 2016 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de herstelbeschikking van 25 februari 2016.

Bij en met ingang van de datum van die bestreden beschikking is, met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 3 juli 2014 met aangehecht ouderschapsplan, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de hierna te noemen minderjarigen bepaald op € 260,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen.

Bij voormelde herstelbeschikking is de bestreden beschikking verbeterd, in die zin dat de man in plaats van € 260,- per maand per kind een bijdrage van € 206,- per maand per kind dient te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer volgt daaruit dat bij beschikking van 3 juli 2014 de kinderalimentatie was bepaald op € 1.017,- per maand voor beide kinderen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, hierna: kinderalimentatie, ten behoeve van de minderjarigen [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , en [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna ook gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking, verbeterd bij beschikking van 25 februari 2016, te vernietigen en de kinderalimentatie op een passende bijdrage hoger dan € 206,- per maand per kind te bepalen en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3. De man verzoekt de vrouw in haar appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans het appel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Wel of geen bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven

4. Het hof passeert de stelling van de vrouw dat de hoogte van de kinderalimentatie niet mag worden gewijzigd wegens een wijziging van omstandigheden ex artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek: hierna: BW. De vrouw heeft in zoverre haar stelling, dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, niet aannemelijk gemaakt en de man heeft die stelling uitdrukkelijk betwist. Daarbij weegt het hof mee dat partijen in artikel 8.1.1 van het op 13 augustus 2013 door hen ondertekende ouderschapsplan het volgende zijn overeengekomen: “Alimentatiebedrag Volgens Trema normen, met de juiste informatie uit te rekenen. Dat geeft een alimentatiebedrag van € 1.000,- per maand te voldaan door de vader. De vader stort het alimentatiebedrag op de rekening van de moeder.(...)”.

De rechtbank heeft de tussen partijen getroffen regelingen zoals neergelegd in het ouderschapsplan, opgenomen in de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Den Haag van 3 juli 2014. Op basis van hetgeen partijen in het ouderschapsplan zijn overeengekomen is het hof van oordeel dat geen sprake is van een bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven.

Voorts heeft de rechtbank de behoefte van de minderjarigen in 2012 in de bestreden beschikking berekend op € 980,- per maand, derhalve nagenoeg gelijk aan het bedrag dat partijen bij ouderschapsplan zijn overeengekomen. Dat de man destijds vond dat de minderjarigen niet meer kostten dan € 897,- per maand doet aan het vorenstaande niet af.

Wijziging van omstandigheden

5. Op dezelfde grond als de rechtbank is het hof van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, op grond waarvan de behoefte van de minderjarigen en de draagkracht van beide partijen opnieuw beoordeeld moeten worden.

Behoefte minderjarigen en ingangsdatum wijziging kinderalimentatie

6. Partijen zijn het er over eens dat de behoefte van de minderjarigen, rekening houdend met de wettelijke indexering, thans € 1.115,- per maand bedraagt, alsmede dat de ingangsdatum van de te wijzigen kinderalimentatie 19 januari 2016 is.

Draagkracht man

7. Het hof passeert de stelling van de vrouw dat aan de zijde van de man bij de berekening van zijn netto besteedbaar inkomen geen rekening mag worden gehouden met zijn pensioenpremie van € 5.016,- per jaar omdat die premie geen voorrang verdient op de bijdrage voor de minderjarigen. Zoals ter terechtzitting van het hof reeds is medegedeeld betreft de pensioenpremie een afdracht van het bruto inkomen van de man dat rechtstreeks aan een pensioenfonds wordt overgemaakt, zodat het hof niet inziet dat daarmee geen rekening mag worden gehouden. Het hof passeert tevens de stelling van de vrouw dat de man op basis van zijn CAO inmiddels meer verdient en ook in de toekomst meer gaat verdienen. Uit de nieuwsbrief van FNV Metaal van 20 juni 2016 (productie 25 bij brief van de zijde van de vrouw, ingekomen bij het hof op 28 juli 2016) blijkt dat het om een principeakkoord gaat. Niet gesteld, noch gebleken is dat het CAO akkoord inmiddels definitief is. Bovendien merkt het hof op dat de rechtbank bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen (hierna ook: NBI) van de man een inkomen van € 50.748,- bruto per jaar in aanmerking heeft genomen terwijl op de jaaropgave 2015 van de man een bruto-jaarinkomen van € 47.231,- staat vermeld.

Voor het overige zijn tegen de berekening van de het NBI van de man geen grieven gericht, zodat het hof overeenkomstig de rechtbank rekening houdt met een NBI van de man van € 2.638,- per maand.

Draagkracht vrouw

8. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte haar NBI op € 2.748,- per maand heeft bepaald. Zij acht het niet redelijk dat de rechtbank bij die berekening rekening heeft gehouden met het kindgebonden budget en met de combinatiekorting. De vrouw is zich bewust van de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 maar meent dat het hof mag besluiten maatwerk toe te passen door die toeslagen buiten beschouwing te laten. De vrouw voert daartoe aan dat zij, ondanks het feit dat zij fulltime werkt, nog steeds ruim minder verdient dan de man en dat zij voor het grootste deel de zorg voor de minderjarigen draagt. Om die reden acht de vrouw het redelijk en billijk om de toeslagen volledig aan haar te laten toekomen als tegemoetkoming voor de last die het voor haar en de minderjarigen oplevert. Uit de berekening van de rechtbank volgt dat de vrouw voor het merendeel in de kosten van de kinderen voorziet. De vrouw kan zich er niet mee verenigen dat de man minder kinderalimentatie betaalt en de vrouw derhalve minder kinderalimentatie ontvangt omdat de overheid de kosten van het kindgebonden budget en de combinatiekorting voor haar rekening neemt.

9. Hoewel het hof begrip heeft voor de gedachtegang van de vrouw heeft zij naar het oordeel van het hof geen bijzondere feiten of omstandigheden gesteld die maken dat een afwijking van de lijn in de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 rechtvaardig zou zijn. De vrouw maakt in feite bezwaar tegen de wijze waarop de kinderalimentatie is berekend maar die wijze van berekening wordt (nagenoeg) in heel Nederland toegepast. Het hof volgt derhalve de wijze waarop de rechtbank het NBI van de vrouw heeft berekend en het hof gaat derhalve uit van een NBI van de vrouw van € 2.748,- per maand.

10. Behoudens het feit dat beide partijen hebben aangevoerd dat de rechtbank bij de verdere berekening van de draagkracht wat fouten heeft gemaakt die in het voordeel van de vrouw zijn, heeft de vrouw ter terechtzitting erkend dat de bijdrage voor de minderjarigen in ieder geval niet hoger uit kan vallen dan € 206,- per maand indien het hof de wijze van berekening van de rechtbank volgt. Aangezien de grieven van de vrouw falen, zal het hof derhalve inderdaad de berekening van de rechtbank volgen. De voordelen voor de vrouw hebben betrekking op het in aanmerking nemen van een te hoog inkomen van de man (het hof verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 7) en het feit dat de rechtbank per abuis de zorgkorting in mindering heeft gebracht op het aandeel van de vrouw in plaats van op het aandeel van de man. Nu de man echter geen incidenteel appel heeft ingesteld, zoals hem ter zitting is voorgehouden, en hij met de consequenties daarvan heeft ingestemd, zal het hof de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie van € 206,- per maand per kind handhaven. Dit leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking, hersteld bij beschikking van 25 februari 2016, zal bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, hersteld bij beschikking van 25 februari 2016;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.A. van Kempen, L.F.A. Husson en A.S. Mertens-de Jong, bijgestaan door A.J. Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 augustus 2016.