Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:255

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
09-02-2016
Zaaknummer
2200243414
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich, rijdend onder invloed, schuldig gemaakt aan zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken, waarvan 5 (vijf) weken voorwaardelijk, en ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002434-14

Parketnummer: 09-797061-13

Datum uitspraak: 9 februari 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 mei 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Duitsland) op [geboortedag] 1961,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 26 januari 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1. primair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van achttien maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd of ingehouden is geweest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 17 februari 2013 te Sassenheim, gemeente Teylingen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg(en), de Rijksweg A44 en/of de afrit van de Rijksweg A44 bestemd voor verkeer gaande in de richting van de Provincialeweg N 208, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:

- hij heeft aldaar gereden terwijl hij onder invloed van alcohol was en/of (vervolgens)

- hij is rijdende op het op of aan die weg aldaar gelegen terrein van een tankstation de oprit van de Rijksweg A44 opgereden waarbij hij geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij aldaar (gelet op zijn rijrichting) rechtsaf geslagen waarbij hij die weg in strijd met bord C2 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 aanduidende: Eenrichtingsweg, in deze richting gesloten voor voertuigen heeft gebruikt en/of (vervolgens)

- hij is de afrit (van de A44 bestemd voor het verkeer gaande in de richting van de Provincialeweg N 208) opgereden zonder naar rechts te kijken, althans zonder rekening te houden met aldaar (met redelijk hoge snelheid) rijdend verkeer, ten gevolge waarvan een aldaar op die afrit rijdend motorrijtuig (auto) tegen hem, verdachte's motorrijtuig gebotst is,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten rugletsel en/of letsel aan de wervelkolom en/of borstletsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;


subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 februari 2013 te Sassenheim, gemeente Teylingen als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A44 en/of de afrit van de Rijksweg A44, bestemd voor het verkeer gaande in de richting van de Provincialeweg N 208, als volgt heeft gehandeld:

- hij heeft aldaar gereden terwijl hij onder invloed van alcohol was en/of (vervolgens)

- hij is rijdende op het op of aan die weg aldaar gelegen terrein van een tankstation de oprit van de Rijksweg A44 opgereden waarbij hij geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij aldaar (gelet op zijn rijrichting) rechtsaf geslagen waarbij hij die weg in strijd met bord C2 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 aanduidende: Eenrichtingsweg, in deze richting gesloten voor voertuigen heeft gebruikt en/of (vervolgens)

- hij is de afrit (van de A44 bestemd voor het verkeer gaande in de richting van de Provincialeweg N 208) opgereden zonder naar rechts te kijken, althans zonder rekening te houden met aldaar (met redelijk hoge snelheid) rijdend verkeer, ten gevolge waarvan een aldaar op die afrit rijdend motorrijtuig (auto) tegen hem, verdachte's motorrijtuig gebotst is, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer], lichamelijk letsel, te weten rugletsel en/of letsel aan de borst heeft bekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.
hij op of omstreeks 17 februari 2013 te Sassenheim, gemeente Teylingen als bestuurder van een voertuig, (auto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 465 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de opgelegde straffen en de motivering daarvan.

Het vonnis moet op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich onder invloed van een hoeveelheid alcoholhoudende drank als bestuurder van een personenauto op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag, als gevolg waarvan [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

De verdachte heeft door zijn verkeersgedrag blijk gegeven van een ernstig gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van de veiligheid van andere verkeersdeelnemers, alsmede van het ontbreken van besef van de gevaren die het op de bewezen verklaarde wijze besturen van een auto teweegbrengt voor het de verkeersveiligheid.

Het hof heeft daarenboven acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 januari 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder, te weten op 11 maart 2013, is veroordeeld wegens rijden onder invloed. Blijkens een zich in het dossier bevindende brief van de raadsman, ingekomen op 24 november 2015, is het hoger beroep in deze zaak ingetrokken. Voornoemde veroordeling is daarmee onherroepelijk geworden.

De omstandigheid dat de verdachte zich in korte tijd tweemaal schuldig heeft gemaakt aan rijden onder invloed rechtvaardigt naar het oordeel van het hof een ontzegging van rijbevoegdheid van aanzienlijke duur.

Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep evenwel vastgesteld dat het rijbewijs van de veroordeelde op 17 februari 2013 is ingevorderd, waarna de verdachte ter vervanging van dat rijbewijs reeds op 26 februari 2013, kennelijk zonder enige schroom, een nieuw rijbewijs heeft aangevraagd in Duitsland. Het nieuwe rijbewijs is ook in Duitsland afgegeven. Naar het oordeel van het hof is daardoor niet alleen de invordering van het rijbewijs van verdachte, maar ook een op te leggen ontzegging van de rijbevoegdheid betekenisloos geworden.

Mede gelet op de omstandigheid dat de verdachte sinds het bewezen verklaarde feit op geen enkele wijze actief heeft getracht contact op te nemen met het slachtoffer, is het hof daarom van oordeel dat de verdachte weinig inzicht heeft getoond in de laakbaarheid van zijn handelen. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om de verdachte overigens clement te behandelen.

Het hof is - alles overwegende en mede gelet op doeleinden van generale preventie - van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van tien weken, waarvan vijf weken voorwaardelijk, in combinatie met een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van achttien maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd of ingehouden is geweest, een passende en geboden reactie vormt. Het hof heeft bij het bepalen van de duur van het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte thans een vaste baan heeft, zodat de verdachte deze straf middels het opnemen van vakantiedagen zou moeten kunnen uitzitten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straffen en de motivering daarvan en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler, mr. E. van Die en mr. Th.P.L. Bot, in bijzijn van de griffier mr. C. de Bruin.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 februari 2016.