Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2542

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
02-09-2016
Zaaknummer
200.181.077/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Verzoek van beide partijen tot herstel van de beschikking van het hof van 18 mei 2016 afgewezen. Zie ook: ECLI:NL:GDHA:2016:2541

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beslissing op verzoek verbetering/aanvulling beschikking

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 10 augustus 2016

Zaaknummer : 200.181.077/01

Rekestnummers rechtbank : FA RK 14-8886 en FA RK 15-2898

Zaaknummers rechtbank : C/10/462401 en C/10/474084

inzake

[De man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, tevens incidenteel verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. D. Koeslan-van Walsum te Rotterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster, tevens incidenteel verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. L.C. Zandwijk te Rotterdam.

PROCESVERLOOP TER ZAKE VAN VERZOEK OM HERSTEL BESCHIKKING

1. Het hof heeft op 18 mei 2016 in bovengenoemde zaak een beschikking gegeven.

2. De advocaat van de man heeft bij faxbericht van 20 mei 2016 verzocht de beschikking van 18 mei 2016 te herstellen, in die zin dat wordt verzocht om in het dictum als datum van de nihilstelling van de partneralimentatie 1 januari 2019 te vermelden. De advocaat van de man voert daartoe aan dat in rechtsoverweging 8 staat vermeld dat het hof de alimentatie met ingang van 1 januari 2019 op nihil zal bepalen terwijl in het dictum 1 juni 2019 wordt vermeld.

3. De advocaat van de vrouw heeft bij faxbericht van 8 juni 2016 bezwaar gemaakt tegen de verzochte verbetering, aangezien het hof in rechtsoverweging 8 heeft overwogen: “Voorts gaat het hof ervan uit dat de vrouw over drie jaar geen behoefte meer heeft aan een bijdrage van de man”. De advocaat van de vrouw stelt derhalve dat in het dictum de juiste datum van 1 juni 2019 is vermeld en dat in rechtsoverweging 8 sprake is van een kennelijke verschrijving.

4. De advocaat van de vrouw heeft op zijn beurt bij faxbericht van 13 juni 2016 verzocht de beschikking ex artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna: Rv., te verbeteren. Hij stelt dat hetgeen partijen in samenspraak met het hof ten aanzien van de twee meerderjarige kinderen zijn overeengekomen, in de beschikking onvolledig is opgenomen.

Daartoe wordt aangevoerd dat partijen in samenspraak met het hof ten aanzien van [naam zoon] een bijdrage van € 210,- zijn overeengekomen als [naam zoon] een opleiding gaat volgen. Volgens de advocaat van de vrouw is deze voorwaarde ter terechtzitting zeer uitdrukkelijk door de vrouw gesteld en door het hof bevestigd, waarna partijen hierover overeenstemming hebben bereikt. Deze voorwaarde ontbreekt in rechtsoverweging 5 waardoor deze kennelijke fout doorwerkt in de overwegingen 9 en 11 en in het dictum.

5. De advocaat van de man heeft bij faxbericht van 5 juli 2016 bezwaar gemaakt tegen de verzochte verbetering. Zij voert daartoe aan dat de man als productie 21 een verklaring heeft overgelegd van [naam zoon] waaruit blijkt dat hij per 1 september 2016 een Hbo-opleiding wil gaan volgen terwijl de vrouw heeft gesteld dat het nog niet zeker is dat [naam zoon] daadwerkelijk die opleiding gaat volgen. Om uit deze impasse te geraken heeft het hof voorgesteld om ter bepaling van de draagkracht van de man rekening te houden met € 210,- per maand per kind voor [naam dochter] en [naam zoon] . Volgens de advocaat van de man hebben partijen zich zonder nadere voorwaarden akkoord verklaard met het voorstel van het hof. De man had niet ingestemd met het voorstel indien de vrouw de voorwaarde die zij thans stelt ter zitting had gesteld.

Ingangsdatum nihilstelling partneralimentatie

6. Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat in het dictum van de beschikking van 18 mei 2016 terecht als ingangsdatum van de nihilstelling van de partneralimentatie 1 juni 2019 staat vermeld en dat rechtsoverweging 8 een kennelijke verschrijving bevat.

Overeenstemming bijdrage meerderjarige kinderen

7. Partijen zijn in samenspraak met het hof een bijdrage ten behoeve van [naam dochter] en [naam zoon] van € 210,- per maand overeengekomen, naar het oordeel van het hof zonder de door de vrouw gestelde voorwaarde. Het hof verwijst in zoverre ook naar het proces-verbaal van de zitting van 30 maart 2016. Het hof merkt voorts op dat wel is gesproken over hogere kosten per 1 september 2016 als [naam zoon] gaat studeren maar los daarvan zijn partijen later ter zitting zonder nadere voorwaarden de bijdrage van € 210,- per maand voor [naam dochter] en [naam zoon] overeengekomen.

8. Gelet op het vorenstaande zal het hof derhalve het verzoek van zowel de vrouw als de man tot verbetering van de beschikking van 18 mei 2016 afwijzen en niet overgaan tot verbetering van die beschikking.

BESLISSING

Het hof:

wijst af de verzoeken van de vrouw en de man tot verbetering van de tussen partijen gegeven beschikking van 18 mei 2016.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.A. van Kempen, P.B. Kamminga en N.P.C. van Wijk, bijgestaan door A.J. Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 augustus 2016.