Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2540

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
02-09-2016
Zaaknummer
200.186.026/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing van een minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg; toetsing artikel 3 IVRK

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 6 april 2016

Zaaknummer : 200.186.026/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 16-72

Zaaknummer rechtbank : C/09/503558

[De minderjarige] ,

geboren [in] 2001 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de minderjarige,

advocaat mr. M.W. Stoet te Den Haag,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [De vader] ,

hierna te noemen: de vader,

2. [de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

beiden wonende te [woonplaats] ,

hierna ook gezamenlijk te noemen: de ouders;

3. de Stichting Jeugdbescherming te Den Haag,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De minderjarige is op 22 februari 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 januari 2016 van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag.

De raad heeft ter terechtzitting een verweerschrift ingediend, dat later die dag ook per post bij het hof is ingekomen.

Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen:

van de zijde van de minderjarige:

 op 2 maart 2016 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 16 maart 2016 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

 de minderjarige, bijgestaan door haar advocaat;

 mevrouw [naam] namens de raad;

 de ouders;

 mevrouw [naam] namens de gecertificeerde instelling.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling voor de periode van 26 januari 2016 tot 15 april 2016.

Voorts is de gecertificeerde instelling gemachtigd de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, zoals bedoeld in artikel 6.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet van 26 januari 2016 tot 15 april 2016. De behandeling van het verzoek tot ondertoezichtstelling is voor het overige aangehouden tot een nader te bepalen terechtzitting vóór 15 april 2016, met het verzoek aan de raad om rapport en advies uit te brengen.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor de periode van 26 januari 2016 tot 15 april 2016 in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.

2. De minderjarige verzoekt de bestreden beschikking voor wat betreft de machtiging tot gesloten plaatsing te vernietigen en, in zoverre opnieuw beschikkende, het verzoek van de gecertificeerde instelling alsnog af te wijzen.

3. De minderjarige verzet zich tegen de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg en voert daartoe, kort weergegeven, het volgende aan. De minderjarige acht de gronden voor een gesloten plaatsing niet aanwezig. De gesloten plaatsing is bevolen vanwege het vermoeden van loverboy-problematiek. De jongeman met wie de minderjarige contact heeft gehad is gearresteerd en heeft enige tijd vastgezeten voor het onttrekken van de minderjarige aan het ouderlijk gezag. Zijn detentie is geschorst onder de voorwaarde van een contactverbod met de minderjarige. De minderjarige is bereid een door het hof of de uitvoerende instanties bevolen contactverbod te aanvaarden. Er is geen reden om de gesloten uithuisplaatsing voort te zetten. Probleem is het feitelijk contact met de meerderjarige jongen. Hoewel de vermoedens van loverboy-problematiek niet zijn gesubstantieerd blijft het een feit dat hetgeen aan deze vermoedens ten grondslag is gelegd (hetgeen niet door de minderjarige wordt ontkend) zorgelijk is. De bedreiging voor een gesloten plaatsing is weg indien zij geen contact meer met die jongen heeft. De minderjarige is bereid en gemotiveerd om weer naar school te gaan, wil weer bij haar ouders wonen en staat open voor behandeling en begeleiding. De minderjarige is in de problemen gekomen omdat zij naast school in de thuissituatie veelvuldig is ingezet in de huishouding en de verzorging van het gezin waardoor zij in de problemen kwam met haar huiswerk. Bovendien heeft de minderjarige vermoedens van mishandeling door haar vader geuit. De minderjarige meent dat ingezet moet worden op ondersteuning binnen het gezin, zodat zij haar aandacht kan richten op school en haar veiligheid gewaarborgd wordt. De minderjarige meent dat met de juiste ondersteuning en met stevige voorwaarden waaraan zij zich zal moeten houden het mogelijk moet zijn om weer thuis te wonen en naar school te gaan. De minderjarige leidt nu schade omdat zij achterstand oploopt bij haar opleiding. Het onderwijs in het [naam instelling] , waar de minderjarige thans geplaatst is, sluit niet aan bij het onderwijsniveau van de minderjarige, te weten het vierde jaar van het gymnasium. De minderjarige heeft tenslotte aangevoerd dat bij de beoordeling van de vraag of een gesloten uithuisplaatsing in haar situatie gerechtvaardigd is, haar belang voorop dient te staan, mede gelet op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). De gesloten plaatsing is een vorm van vrijheidsbeneming. De vraag is of die in de gegeven situatie ook daadwerkelijk in haar belang is.

4. De raad acht de gronden voor een machtiging gesloten jeugdhulp nog steeds aanwezig en voert daartoe het volgende aan. De raad heeft genoeg redenen om aan te nemen dat er aanwijzingen zijn die kunnen duiden op loverboyproblematiek. Uit informatie is gebleken dat de vriend van de minderjarige eerder veroordeeld is geweest vanwege seksueel contact onder dwang met een minderjarige van toen twaalf jaar oud. Door [naam instelling] zijn inmiddels in samenspraak met de minderjarige begeleidingsdoelen opgesteld. De betrokken hulpverlening en de raad zijn van mening dat de minderjarige weerbaarder gemaakt dient te worden. Zij is zich onvoldoende bewust van het gevaar dat zij heeft gelopen en moet leren hoe zij kan voorkomen dat zij in de toekomst in dergelijke risicovolle situaties terechtkomt. De begeleiding van [naam instelling] heeft aangegeven dat gedacht wordt aan een traject met een duur van zes tot negen maanden. Ook dient aandacht te worden geschonken aan de thuissituatie van de minderjarige. Bij een terugplaatsing moet passende hulpverlening worden ingezet, ook gericht op het systeem.

5. De gecertificeerde instelling heeft ter terechtzitting gesteld dat de minderjarige verblijft in een instelling, gericht op loverboyproblematiek. De gecertificeerde instelling kan zich niet vinden in de stelling van de minderjarige dat het gevaar kan worden afgewend door middel van een contactverbod. Zij voert daartoe aan dat de minderjarige, ondanks het contactverbod, inmiddels twee tot drie keer geprobeerd heeft contact met haar meergenoemde vriend te zoeken. De minderjarige lijkt hem niet los te kunnen laten. Bovendien heeft de minderjarige bij haar contacten met deze vriend een geslachtsziekte opgelopen. De gecertificeerde instelling heeft sterke aanwijzingen dat de vriend van de minderjarige verkeerde bedoelingen had en de minderjarige is niet in staat zichzelf in bescherming te nemen. De gecertificeerde instelling betwist dat de minderjarige schade op zal lopen omdat zij dit schooljaar waarschijnlijk over zal moeten doen. Zo dat al het geval is, komt dat niet door de gesloten plaatsing: de minderjarige heeft al voor de gesloten plaatsing een hoop scholing gemist als gevolg van veelvuldig ongeoorloofd schoolverzuim. In de huidige instelling krijgt de minderjarige zoveel mogelijk onderwijs dat aansluit op haar niveau. Zij kan lessen op haar school volgen via WebChair en er zijn ook toetsen afgenomen. De gecertificeerde instelling erkent dat school belangrijk is voor de minderjarige maar meent dat het belangrijker is om eerst de resultaten van het thans lopende diagnostisch onderzoek af te wachten. Onderzocht dient te worden waarom het mis is gegaan met de minderjarige en welke hulp passend is, ook in de thuissituatie. Als er geen behandeling komt voor de minderjarige acht de gecertificeerde instelling de kans op recidive/terugval groot.

6. Door en namens de minderjarige is nog ter terechtzitting naar voren gebracht dat de minderjarige af en toe op verlof mag en dat die verloven goed verlopen. De minderjarige erkent dat het thuis nog niet helemaal goed loopt, maar voor haar is het belangrijk in te stromen in periode 3 en 4 van het huidige schooljaar. Zodoende hoopt de minderjarige dit schooljaar nog goed te volbrengen. De problemen doen zich voor in de thuissituatie en daar moet hulp worden ingezet. De minderjarige is bereid om onder strenge voorwaarden naar huis te gaan en te accepteren dat zij weer gesloten wordt geplaatst als het weer mis zou gaan.

7. De ouders willen dat de minderjarige weer thuis geplaatst wordt. Zij vinden school met het oog op een goede toekomst heel belangrijk voor de minderjarige. Zij geloven niet dat de minderjarige thans nog contact probeert te zoeken met haar vriend.

8. De raad heeft ter terechtzitting medegedeeld dat de vader, tijdens de schorsing van de zitting zich heel boos heeft geuit richting de hulpverlening omdat zij niet geloven dat de minderjarige nog steeds contact probeert te zoeken met haar vriend, zoals van de zijde van de gecertificeerde instelling ter zitting is verklaard. De raad is van mening dat de minderjarige onder de gegeven omstandigheden niet halsoverkop naar huis kan, mede vanwege de angst dat de minderjarige in no-time weer wegloopt.

9. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en het verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

10. Gelet op de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Het hof acht het van belang om eerst de resultaten van het diagnostisch onderzoek af te wachten, waarbij wordt onderzocht welke onderliggende problematiek aan het gedrag van de minderjarige (meermaals weglopen van huis en het zich in gevaarlijke situaties begeven) ten grondslag ligt. De minderjarige zegt zich thans aan de te maken afspraken te willen houden, maar zij heeft eerder gemaakte afspraken bij herhaling genegeerd. Bovendien heeft het hof geen enkele reden om te twijfelen aan de stelling van de gecertificeerde instelling dat de minderjarige ook recent nog enkele pogingen heeft ondernomen om met haar vriend in contact te komen, die wordt verdacht van loverboyproblematiek. Naast het feit dat de minderjarige door haar vriend een geslachtsziekte heeft opgelopen blijft zij, ondanks een contactverbod, toenadering zoeken. Het hof erkent dat de minderjarige belang heeft bij een goede opleiding maar acht het belang om door middel van diagnostisch onderzoek meer duidelijkheid te krijgen met het oog op een veilige toekomst momenteel zwaarwegender. Zonder duidelijkheid kan er geen passende hulp worden geboden en dat hulp noodzakelijk is, ook in de thuissituatie, alsmede dat de minderjarige tegen zichzelf in bescherming moet worden genomen, staat voor het hof vast.

11. Het hof is, naar aanleiding van het beroep van de minderjarige op artikel 3, eerste lid, IVRK, van oordeel dat bij de beoordeling van de vraag of een gesloten uithuisplaatsing in haar situatie noodzakelijk is, niet gezegd kan worden dat haar belangen niet de eerste overweging hebben gevormd, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het IVRK. Die belangen staan juist voorop. Volgens het hof wordt de vrijheidsbeneming van de minderjarige gerechtvaardigd door haar belang, omdat de maatregel de noodzakelijke bescherming van haar beoogt. Artikel 34 IVRK bepaalt ook uitdrukkelijk dat de bij het Verdrag aangesloten staten verplicht zijn het kind te beschermen tegen alle vormen van seksuele exploitatie en seksueel misbruik.

12. Uit het vorenstaande volgt dat de gronden voor een machtiging tot gesloten plaatsing van de minderjarige thans nog aanwezig zijn, zodat het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bekrachtigen en het meer of anders verzochte zal afwijzen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.A. van Kempen, P.B. Kamminga en
A.W.M. Willems, bijgestaan door A.J. Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 april 2016.