Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2505

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-08-2016
Datum publicatie
30-08-2016
Zaaknummer
200.194.171/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2016:2384
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Internationaal. Kinderontvoering. Verzoek aanvulling beschikking. Niet sprake van een verzuim op een onderdeel te beslissen

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2016/144

Uitspraak

Afwijzing aanvulling beschikking

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 29 augustus 2016

Zaaknummer : 200.194.171/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 16-3339

Zaaknummer rechtbank : C/09/510237

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [plaats] , Frankrijk,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.C.M. Verhoeven te Rotterdam.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering te Rotterdam,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP EN VASTSTAANDE FEITEN

Op 4 augustus 2016 heeft het hof in deze zaak een beschikking gegeven.

Nadien zijn de volgende stukken bij het hof ingekomen:

  • -

    van de zijde van de vader op 25 augustus 2016 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage;

  • -

    van de zijde van de moeder op 25 augustus 2016 een brief van diezelfde datum;

  • -

    van de zijde van de vader op 25 augustus 2016 twee e-mailberichten van diezelfde datum;

  • -

    van de zijde van de moeder op 25 augustus 2016 een e-mailbericht van diezelfde datum.

De vader heeft bij faxbericht van 25 augustus 2016 verzocht de beschikking aan te vullen. Daartoe wordt – kort samengevat – aangevoerd dat uit het lichaam van de beschikking van het hof blijkt dat de minderjarigen naar [plaats] teruggebracht moesten worden. De moeder interpreteert de beschikking zo, dat de minderjarigen door haar kunnen worden teruggeleid naar een willekeurige plaats in Frankrijk, hetgeen zij heeft gedaan. De vader heeft in zijn inleidend verzoek de rechtbank ook verzocht om de moeder te bevelen de minderjarigen “terug te (laten) geleiden naar hun gewone verblijfplaats te Frankrijk, te weten de (voormalige) echtelijke woning te [plaats] aan [adres].” De aanduiding van de plaats waarnaar de minderjarigen moeten worden teruggeleid, is niet opgenomen in het dictum van de beschikking van het hof. Om die reden verzoekt de vader het hof op grond van artikel 32 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) om hierover (alsnog) een expliciete beslissing te nemen en de beschikking in dier voege aan te vullen.

Bij e-mailbericht van 25 augustus 2016 heeft het hof de moeder in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de hiervoor weergegeven aanvulling van de beschikking.

Bij brief van 25 augustus 2016 heeft de moeder aan het hof kenbaar gemaakt daartegen bezwaar te hebben. Daartoe wordt – kort samengevat – het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft de teruggeleiding naar Frankrijk bepaald, waartegen door de vader geen hoger beroep is aangetekend. De moeder heeft verblijf geregeld [elders in Frankrijk] , alwaar zij met de minderjarigen verblijft. Vandaaruit kan de moeder haar werkzaamheden in Nederland (deels) voortzetten. De moeder wijst er bovendien op dat [minderjarige] nog niet leerplichtig is in Frankrijk en de moeder geeft er de voorkeur aan om [minderjarige] niet opnieuw met een nieuwe (school) situatie te belasten.

De vader heeft medegedeeld dat het correct is dat zijnerzijds niet (incidenteel) is gegriefd tegen de bestreden beschikking, maar hij stelt dat daarvoor ook geen enkele aanleiding bestond. De vader stelt dat het, gelet op de spoedeisendheid van deze kwestie niet opportuun zou zijn om de rechtbank om een aanvulling op de voet van artikel 32 Rv te vragen en dat het ook om redenen van proceseconomie en een goede procesorde is aangewezen als het hof daarover een beslissing neemt.

De moeder verweert zich daartegen en stelt dat zij gehoor heeft gegeven aan de beschikking van het hof en het jammer en onbegrijpelijk acht dat de vader – middels zijn advocaat – aan de minderjarigen blijft trekken.

BEOORDELING

Ingevolge artikel 32 lid 1 Rv vult de rechter te allen tijde op verzoek van een partij zijn beschikking aan indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte.

Naar het oordeel van het hof is geen sprake van een verzuim om over een onderdeel van het verzochte te beslissen. Het hof overweegt daartoe dat de rechtbank de terugkeer van de minderjarigen naar Frankrijk heeft gelast, zonder nadere plaatsbepaling, en de vader in hoger beroep uitsluitend heeft verzocht om de bestreden beschikking te bekrachtigen. Aan het hof lag derhalve niet het verzoek voor om te bepalen dat de minderjarigen naar [plaats] , Frankrijk, dienden terug te keren.

Het hof zal daarom het verzoek tot aanvulling afwijzen en niet overgaan tot aanvulling van de beschikking. Nu de minderjarigen klaarblijkelijk niet langer in Nederland verblijven maar in Frankrijk, het land van de gewone verblijfplaats, is er ook geen ruimte om, buiten artikel 31 en 32 Rv om, op het verzoek van de vader te beslissen. Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd kan niet tot een andere beslissing leiden en behoeft geen nadere bespreking.

BESLISSING

Het hof:

wijst af het verzoek tot aanvulling van de beschikking van 4 augustus 2016.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Mink, L.F.A. Husson en A.E. Sutorius-van Hees, bijgestaan door mr. R.S. Hogendoorn-Matthijssen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 augustus 2016.