Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2500

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
200.185.905/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst koop inboedel van een onderneming. Niet gebleken dat overeenkomst met zich bracht dat na de koop geen afgifte van die inboedel zou kunnen worden geëist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.185.905/01

Zaaknummer rechtbank : 3221265 / 14-21209

arrest van 23 augustus 2016

inzake

[appellant],

wonende te Tilburg,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. W. Dieks te Nijmegen,

tegen

[geïntimeerde]

wonende te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

niet verschenen.

Het geding

1. Bij exploot van 4 februari 2016 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag, team kanton, tussen partijen gewezen vonnis van 7 december 2015. Bij memorie van grieven heeft [appellant] zeven grieven aangevoerd. Tegen [geïntimeerde] is verstek verleend. Vervolgens heeft [appellant] de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2. Het gaat in deze zaak om het volgende:

2.1

[geïntimeerde] is exploitant van [de onderneming], een café/bar in Den Haag. Uit een uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat op 19 februari 2014 is geregistreerd dat [geïntimeerde] per 1 februari 2014 eigenaar is geworden van de onderneming [de onderneming]. [geïntimeerde] heeft de onderneming overgenomen van haar partner, [betrokkene] (hierna: [betrokkene]).

2.2

In verband met belastingschulden die zijn ontstaan in de tijd dat [betrokkene] eigenaar was van [de onderneming], heeft de belastingdienst bodembeslag gelegd bij [de onderneming]. Hierdoor kwam beslag te rusten op de inboedel van [de onderneming].

2.3

Op 27 februari 2014 is de inboedel executoriaal verkocht aan [appellant] voor een bedrag van € 10.000,-. Door de belastingdeurwaarder is een ‘kwitantie executieverkoop’ opgemaakt als bewijs dat [appellant] de inboedel van [de onderneming], zoals nader gespecificeerd in een bijgevoegde kavellijst, heeft gekocht. Deze kavellijst is in productie 2 bij de dagvaarding overgelegd.

2.4

[appellant] heeft [geïntimeerde] per brief van 3 april 2014 gesommeerd om de inboedel binnen twee weken aan hem over te dragen. [geïntimeerde] heeft daar niet aan voldaan.

3. [appellant] heeft - zakelijk samengevat - in eerste aanleg gevorderd:

I. verklaring voor recht dat de inboedelzaken, bedoeld in productie 2 bij de dagvaarding, (hierna: de inboedel) in eigendom toebehoren aan [appellant];

II. primair: veroordeling van [geïntimeerde] tot afgifte van de inboedel op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 20.000,-, danwel een in goede justitie te bepalen bedrag;

III. subsidiair: veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van de schade ter hoogte van een bedrag van € 10.000,-, te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten van

€ 875,- en rente;

IV. veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

4. [appellant] heeft aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag gelegd. [appellant] heeft eind februari 2014 de inboedel van [de onderneming] van de belastingdienst gekocht voor een bedrag van € 10.000,-. Hij heeft dat bedrag betaald en de belastingdienst heeft vervolgens de inboedel in eigendom aan [appellant] overgedragen. [appellant] heeft de sleutels van [de onderneming] van [geïntimeerde] gekregen, zodat [appellant] zich de toegang tot [de onderneming] kon verschaffen en hij de beschikking had en kon krijgen over de door hem gekochte inboedelzaken. Toen [appellant] op enig moment de inboedel wilde ophalen, bleek dat [de onderneming], zonder enige kennisgeving aan [appellant], de sloten had laten vervangen. [appellant] heeft vervolgens contact opgenomen met [geïntimeerde]/[de onderneming] met het verzoek om hem toegang tot zijn eigendommen (de inboedel) te verschaffen. Ook heeft [appellant] meermalen verzocht om de inboedel aan hem af te geven. [geïntimeerde] heeft dit geweigerd. Hiermee handelt [geïntimeerde] onrechtmatig jegens [appellant] omdat zij inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [appellant]. [appellant] vordert primair afgifte van de inboedel en subsidiair, als de inboedel niet meer aanwezig is, schadevergoeding.

5. [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat zij niet gehouden is de inboedel aan [appellant] af te geven. Zij stelt dat [appellant] weliswaar de inboedel voor een bedrag van € 10.000,- van de belastingdienst heeft gekocht, maar volgens [geïntimeerde] heeft hij dat niet voor zichzelf gedaan maar ten behoeve van [de onderneming]. Aan de koop van de inboedel door [appellant] is het volgende vooraf gegaan. Nadat het bodembeslag was gelegd, waardoor ook goederen van derden werden getroffen (zoals de gehuurde inboedel, de biertapinstallatie en de gokautomaat), heeft [betrokkene] de hulp ingeroepen van zijn boekhouder, [boekhouder] (hierna: [boekhouder]). [boekhouder] heeft echter verzuimd te regelen dat de goederen van derden buiten het bodembeslag zouden blijven. [boekhouder] is vervolgens door [betrokkene] en [appellant] “fors onder druk gezet” om voorafgaand aan de verkoop van de inboedel door de belastingdienst geld op tafel te leggen. [boekhouder] heeft daarop € 10.000,- in contanten aan [appellant] ten behoeve van [betrokkene] gegeven. [appellant] heeft vervolgens bij de openbare verkoop met de belastingdienst een bedrag van € 10.000,- afgesproken als koopsom voor de inboedel en hij heeft dit betaald. [appellant] heeft niet voor zichzelf gekocht: het geld waarmee hij de inboedel heeft gekocht was niet van hem en de afspraak althans de bedoeling van partijen was dat de inboedel gewoon in [de onderneming] zou blijven staan en dat de exploitatie door [geïntimeerde] zou worden voortgezet, aldus [geïntimeerde].

6. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 10 november 2014 geoordeeld dat het aan [geïntimeerde] is om haar stellingen te bewijzen en heeft haar toegelaten tot het bewijs van feiten omstandigheden waaruit volgt dat [appellant] een bedrag van € 10.000,- van [boekhouder] heeft ontvangen en dat de afspraak tussen partijen was dat [appellant] daarmee de inboedel ten behoeve van [de onderneming] zou kopen. [geïntimeerde] heeft daarop zichzelf, [boekhouder], [betrokkene], [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) en [getuige 2] (hierna: [getuige 2]) als getuige doen horen. [appellant] heeft afgezien van tegengetuigenverhoor. Bij vonnis van 7 december 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerde] in de bewijslevering is geslaagd en de vorderingen van [appellant] afgewezen.

7. [appellant] is tegen het vonnis van 7 december 2015 in hoger beroep gekomen. [appellant] vordert dat het hof het vonnis van de rechtbank vernietigt en de vorderingen van [appellant] alsnog toewijst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

8. De grieven richten zich met verschillende argumenten tegen de waardering van de getuigenverklaringen door de rechtbank en de daaraan verbonden conclusie dat [geïntimeerde] geslaagd is in de bewijsopdracht.

9. Het hof overweegt dat uit de bij de rechtbank afgelegde getuigenverklaringen het beeld naar voren komt dat [appellant] betrokken was bij de activiteiten die erop gericht waren om de problemen met de belastingdienst het hoofd te bieden, zodat het beslag op de inboedel van [de onderneming] zou vervallen en de executieveiling niet door zou gaan. Daarnaast blijkt uit de getuigenverklaringen, in combinatie met de door [boekhouder] overgelegde kwitanties en het stuk betreffende de geldopnames, dat [boekhouder] een bedrag van € 10.000,- heeft afgegeven omdat dit het bedrag was dat er volgens de belastingdienst moest komen, dat deze betaling dus verband hield met de problemen die waren ontstaan door het bodembeslag en dat [appellant] betrokken was bij het verkrijgen en in ontvangst nemen van het geld van [boekhouder]. De vraag is echter of tussen [geïntimeerde] en [appellant] de afspraak gold dat [appellant] (met dit geld) de inboedel van de belastingdienst zou kopen ten behoeve van [de onderneming].

10. Het criterium dat moet worden aangelegd bij de beoordeling of een afspraak tot stand is gekomen is het volgende. Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding. Bij de beantwoording van de vraag of tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, komt het uiteindelijk aan op hetgeen partijen over en weer jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen of gedragingen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden.

11. Het hof komt tot het oordeel dat, ook na de getuigenverhoren, niet is gebleken dat uit verklaringen of uit bepaalde feiten of omstandigheden voor partijen over en weer duidelijk was dat [appellant] na zijn aankoop niet de beschikking over de door hem voor een bedrag van € 10.000,- gekochte inboedel zou krijgen en daarvan geen afgifte zou kunnen eisen. [betrokkene] en [geïntimeerde] hebben verklaard dat [appellant] de belastingdienst zou betalen en dat er verder geen afspraken zijn gemaakt. [getuige 2] en [getuige 1] weten niets over afspraken. Volgens [boekhouder] ging het er om dat de belastingdienst akkoord ging en de veiling werd afgeblazen. [betrokkene] heeft weliswaar ook verklaard dat [appellant] zijn hulp had aangeboden bij het redden van de zaak en het voorkomen dat de goederen uit [de onderneming] zouden worden weggehaald, en dat [appellant] had gezegd “ik regel dat” of zoiets, maar dat is onvoldoende om daaruit een afspraak af te leiden dat [appellant] niet de beschikking over de door hem gekochte inboedel zou krijgen.

12. Daarbij komt dat noch uit het de stellingen in het dossier, noch uit de getuigenverklaringen duidelijk is geworden welke afspraak “ten behoeve van [de onderneming]” met [appellant] zou zijn gemaakt, laat staan dat zo’n afspraak is bewezen. In het bijzonder is in het geheel niet duidelijk geworden of [geïntimeerde] heeft bedoeld te stellen dat de afspraak was (1) dat [appellant] de inboedel voor een ander kocht en dat die ander eigenaar zou zijn of worden ([geïntimeerde], [betrokkene], derden aan wie de goederen vóór het bodembeslag mogelijk toebehoorden, of anderen), of (2) dat [appellant] de eigendom van de door hem van de belastingdienst gekochte inboedel zou verwerven en houden, maar dat hij de inboedel vervolgens in [de onderneming] zou laten staan zodat [geïntimeerde] deze (al dan niet onder nadere voorwaarden) kon blijven gebruiken.

13. Gelet op het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat [geïntimeerde] er niet in is geslaagd te bewijzen dat tussen haar en [appellant] een overeenkomst tot stand was gekomen inhoudend dat [appellant] zich verplicht had om de inboedel te kopen ten behoeve van [de onderneming], zodanig dat deze overeenkomst met zich bracht dat [appellant] na de koop geen afgifte van de inboedel zou kunnen eisen. Dit betekent dat de grieven, voor zover zij betrekking hebben op de door de rechtbank bewezen geachte afspraak, slagen. Dit heeft tot gevolg dat het verweer van [geïntimeerde] tegen de vorderingen van [appellant] geen stand houdt. Het vonnis van de rechtbank kan niet in stand blijven.

14. Nu het verweer van [geïntimeerde] faalt, is de conclusie dat [appellant] aanspraak kon maken op afgifte van de inboedel. Met betrekking tot de vordering tot afgifte van de inboedelzaken overweegt het hof dat [appellant] in zijn comparitie notitie, overgelegd in de procedure bij de rechtbank, onder nr. 17 heeft opgemerkt dat de inboedelzaken niet meer aanwezig bleken te zijn. Gelet op deze stelling van [appellant] - ter zake waarvan het hof niet is gebleken dit daarna door [geïntimeerde] nog is weersproken - ziet het hof aanleiding om de primaire vordering tot afgifte, onder oplegging van een dwangsom, af te wijzen. De subsidiaire vordering tot schadevergoeding zal echter wel worden toegewezen. Nu [geïntimeerde] de hoogte van het schadebedrag niet heeft betwist, zal het gevorderde bedrag van € 10.000,- worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] geen belang meer bij de door hem gevorderde verklaring voor recht.

15. Het hof stelt vast dat [appellant] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag van

€ 875,- aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal worden toegewezen, te vermeerderen met wettelijke rente.

16. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag, team kanton, van 7 december 2015;

en opnieuw recht doende:

- veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 10.000,- als schadevergoeding en een bedrag van € 875,- aan buitengerechtelijke incassokosten, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 30 juni 2014 tot aan de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] begroot op € 172,77 aan verschotten en € 875,- als het aan de gemachtigde van [appellant] toekomende salaris, en in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 410,01 aan verschotten en € 632,- aan salaris voor de advocaat;

- verklaart de voorgaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.J.M. Burg, A. Dupain en G. Dulek-Schermers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 augustus 2016 in aanwezigheid van de griffier.