Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2451

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
25-08-2016
Zaaknummer
200.186.459/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Status voorlichting en belang van minderjarige OTS uitgesproken.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 255
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 798
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0223
JPF 2016/128 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
EB 2016/97

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 24 augustus 2016

Zaaknummer : 200.186.459/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 15-2119

Zaaknummer rechtbank : C/09/499130

de raad voor de kinderbescherming te [vestigingsplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. P. Hoogenraad te Maassluis.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de Stichting Jeugdbescherming [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Als degene wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van belang kan zijn, is aangemerkt:

[naam] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

hierna te noemen: de vader.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De raad is op 26 februari 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 30 november 2015 van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag.

De moeder heeft op 25 maart 2016 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof is voorts van de zijde van de raad op 24 maart 2016 een brief van 22 maart 2016 met bijlagen ingekomen.

Bij faxbericht van 22 maart 2016 heeft de gecertificeerde instelling het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen nu de gecertificeerde instelling alleen in het vrijwillig kader betrokkenheid heeft gehad.

De zaak is op 20 april 2016 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- [naam] namens de raad;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader.

Ter zitting heeft de advocaat van de moeder aangeboden om zich in te zetten om een gesprek tussen de moeder en de vader te initiëren, eventueel in aanwezigheid van beider advocaten waarbij tevens de mogelijkheid van mediation kan worden besproken. De vader heeft dit aanbod aanvaard.

De aanwezigen hebben afgesproken dat de advocaat van de moeder een afspraak zal maken met de moeder en de vader. Het hof heeft de zaak pro forma aangehouden tot zaterdag 28 mei 2016. Voor die datum zal de advocaat van de moeder het hof berichten over hoe een en ander is verlopen, en een kopie sturen naar de raad en de vader. Daarna krijgt de raad nog gelegenheid om hierop te reageren naar het hof en met een kopie aan de advocaat van de moeder en de vader.

Van voornoemde zitting is proces-verbaal opgemaakt, welk proces-verbaal is verzonden naar partijen, de gecertificeerde instelling en de vader.

Na de zitting zijn, volgens afspraak ter zitting, de volgende stukken bij het hof ingekomen:

- van de zijde van de moeder op 27 mei 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage;

- van de zijde van de raad op 23 juni 2016 een brief;

- van de zijde van de vader op 24 juni 2016 een brief van diezelfde datum met bijlage;

- van de zijde van de moeder op 30 juni 2016 van diezelfde datum met bijlage.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige), afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- de moeder heeft het eenhoofdige gezag over de minderjarige;

- de minderjarige verblijft bij de moeder;

- de vader heeft de minderjarige erkend;

- de minderjarige is onder toezicht gesteld geweest van 14 februari 2014 tot 13 februari 2015.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

Positie en stukken vader

1. De moeder stelt de procespositie van de vader ter discussie. Volgens haar dient het namens hem op 24 juni 2016 ingediende stuk buiten beschouwing te worden gelaten.

2. Het hof overweegt als volgt. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 12 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2665, worden de rechten en verplichtingen van de niet met het gezag belaste ouder door een ondertoezichtstelling niet rechtstreeks geraakt in de zin van artikel 798, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. Dit brengt mee dat de vader niet als belanghebbende heeft te gelden maar in de onderhavige procedure als informant is aangemerkt. Het hof heeft de vader, abusievelijk, bij brief van 6 juni 2016, in de gelegenheid gesteld om te reageren op het bericht van 27 mei 2016 van de zijde van de moeder. Zoals is opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van 20 april 2016 kan de vader gelet op zijn procespositie geen stukken indienen bij het hof. Gelet hierop zal het hof de reactie van de vader, bij het hof ingekomen op 24 juni 2016, niet in aanmerking nemen.

Inhoudelijke beoordeling

3. In geschil is het verzoek van de raad om de minderjarige onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar.

4. De raad verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad om de minderjarige onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling voor de duur van één jaar alsnog toe te wijzen.

5. De moeder verweert zich daartegen en verzoekt het hof het verzoek van de raad om de minderjarige onder toezicht te stellen af te wijzen en de bestreden beschikking te bevestigen en tevens de raad te veroordelen in de kosten van het geding, c.q. in de kosten van rechtsbijstand, zijnde € 992,-.

6. De raad voert het volgende aan. De in artikel 1:255 eerste lid Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde gronden zijn aanwezig. De minderjarige wordt in zijn ontwikkeling bedreigd. Gedwongen hulpverlening is noodzakelijk. Er is geen zicht op de opvoedsituatie van de minderjarige, er zijn zorgen over de emotionele beschikbaarheid van de moeder en er zijn zorgen over de identiteitsontwikkeling van de minderjarige vanwege het ontbreken van contact tussen de minderjarige en de vader. Met name dat laatste baart de raad zorgen. De rechtbank Rotterdam heeft eerder, in 2013, aan de raad verzocht om de opvoedsituatie van de minderjarige te onderzoeken. Dat was ingegeven – onder meer – door de vastberadenheid van de moeder om de vader dood te zwijgen dan wel een slecht beeld van hem te schetsen, waardoor de minderjarige in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De minderjarige is uiteindelijk onder toezicht gesteld, maar die ondertoezichtstelling is onbedoeld verlopen. Voor de ontwikkeling van kinderen is het van groot belang te weten van wie zij afstammen. De moeder wenst de minderjarige nog steeds niet in te lichten over het bestaan van de vader. Ook staat zij niet open voor contact tussen de vader en de minderjarige. De raad verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 oktober 2015.

7. De moeder betwist dat de gronden in de zin van artikel 1:255 lid 1 BW aanwezig zijn. Uit niets blijkt dat sprake is van ernstige ontwikkelingsbedreigingen, terwijl de raad zelf van mening is dat het goed gaat met de minderjarige. Ook de begeleider van de minderjarige van school bevestigt dat. De Hoge Raad heeft in zijn beslissing van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:295, nog eens herhaald en bevestigd dat bij een ondertoezichtstelling inzake een omgangsregeling terughoudend dient te worden opgetreden en dat voorts hoge motiveringseisen gelden.

8. Uit bovengenoemde nagekomen stukken is gebleken dat partijen op 23 mei 2016 een gesprek hebben gehad in aanwezigheid van hun advocaten. Na dit gesprek heeft de moeder besloten geen mediationtraject in te gaan met de vader. Zij heeft in haar brief van 27 mei 2016 gesteld dat zij bereid is om aan haar informatieverplichting jegens de vader te voldoen. Ook heeft zij in voornoemd stuk gesteld, samengevat:

- dat zij in de zomer van 2017 aan de minderjarige zal vertellen wie zijn vader is;

- dat als de minderjarige 8 jaar is geworden het eerste contact tussen de minderjarige en de vader begeleid kan plaatsvinden;

- mocht de minderjarige niet goed reageren op deze contacten, dat de vader dient te wachten tot de minderjarige zelf het initiatief neemt om de vader te ontmoeten;

- dat de vader gescreend dient te worden omtrent zijn levensstijl;

- dat de vader vanaf 1 juni 2016 alimentatie dient te voldoen.

De moeder blijft erbij dat een omgangsondertoezichtstelling gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad niet mogelijk is. Mocht het hof toch een ondertoezichtstelling uitspreken, dan vervallen voornoemde toezeggingen van de moeder. Verder herhaalt zij dat er geen zorgen laat staan bedreigingen bestaan ten aanzien van de minderjarige.

9. De raad heeft bij brief van 23 juni 2016, kort weergegeven, gesteld dat de vader van mening is dat hulpverlening nodig is om de minderjarige voor te lichten over het bestaan van zijn vader. De moeder is onvoldoende bereid en in staat om deze voorlichting te geven en de gewenste omgang te begeleiden.

De raad blijft van mening dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Het gesprek tussen de ouders heeft onvoldoende resultaat opgeleverd. De moeder ziet nog immer onvoldoende het belang in van statusvoorlichting op dit moment terwijl de raad van mening is dat dit van groot belang is voor de ontwikkeling van de minderjarige. Er is sprake van een ontwikkelingsbedreiging voor de minderjarige dat hij zijn vader niet kent en dat de ouders blijven strijden over de rol die de vader mag of kan spelen in zijn leven. De moeder onderbouwt onvoldoende waarom de minderjarige (het hof begrijpt:) als hij 8 jaar is wel in staat zou zijn om om te gaan met de feiten van zijn afstamming en de opbouw van een omgangsregeling, aldus de raad. De raad heeft op basis van het verleden geen vertrouwen in het tot stand komen van een onbelast contact tussen de vader en de minderjarige.

10. Het hof overweegt het volgende. Het hof stelt voorop dat een ondertoezichtstelling slechts kan worden verleend indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:255 lid 1 van het BW, aanwezig zijn. Uit dat artikel volgt dat een minderjarige onder toezicht gesteld kan worden indien deze zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Voorts dient de verwachting gerechtvaardigd te zijn dat de gezaghebbende ouder(s) binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen.

11. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:452, overwogen dat het belang van het kind met het oog op effectuering van het recht op omgang met zijn biologische vader mee kan brengen dat het kind te horen krijgt dat degene met wie het omgang zal hebben zijn vader is. Indien de rechter van oordeel is dat een zodanig geval zich voordoet, kan hij bepalen dat het kind voorafgaand aan een volgend moment van omgang statusvoorlichting zal krijgen. In zoverre prevaleert in dat geval het rechterlijk oordeel omtrent hetgeen het belang van het kind bij het kennen van zijn afstamming met het oog op de omgang meebrengt, boven het recht van de ouders te bepalen op welk moment het kind die informatie zal krijgen.

12. Het hof is, met de raad, en gelet op voornoemde overweging van de Hoge Raad omtrent het belang van het kind om zijn afstamming te kennen met het oog op omgang, van oordeel dat het gezien de identiteitsontwikkeling van de minderjarige in zijn belang noodzakelijk is dat hij wordt voorgelicht over zijn afstamming en dat de minderjarige op termijn in contact wordt gebracht met zijn vader. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de moeder geenszins voornemens was en is om de minderjarige, thans zes jaar, op dit moment die voorlichting te geven. Gelet hierop is er naar het oordeel van het hof sprake van een situatie dat de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Hoewel er bij de minderjarige geen sprake is van kindeigen problematiek geldt dat de omgevingsfactoren, doordat hem de statusvoorlichting wordt onthouden evenals het contact met de vader, naar het oordeel van het hof maken dat een ondertoezichtstelling op dit moment voorshands geïndiceerd is. De minderjarige heeft zich tot op heden geen eigen beeld van de vader kunnen vormen en het hof acht het in het belang van de identiteit van de minderjarige dat hij weet wie zijn vader is en hem uiteindelijk ook leert kennen. Verder heeft te gelden dat minder ingrijpende maatregelen zoals het volgen van mediation door de ouders bij een orthopedagoog en het inzetten van professionele hulp in het vrijwillig kader door de moeder categorisch worden afgewezen. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat er voor de man als vader op dit moment geen enkele ruimte is in het leven van de minderjarige hetgeen naar het oordeel van het hof mede gezien de leeftijd van de minderjarige erg zorgelijk is. Bovendien heeft de moeder niet aangegeven dat zij op termijn onvoorwaardelijk tot statusvoorlichting bereid is. Ook bij het hof heeft zij immers voorwaarden verbonden aan haar eventuele medewerking, naar het oordeel van het hof ten onrechte. Derhalve heeft tot nu tot de ingezette hulp om moeder op andere gedachten te brengen gefaald.

Het hof ziet een taak weggelegd voor de raad dan wel de gecertificeerde instelling om de moeder te laten inzien dat statusvoorlichting in het belang is van de minderjarige. Het hof zal derhalve de minderjarige onder toezicht stellen voor de duur van één jaar.

Proceskosten

13. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren.

14. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] onder toezicht voor de periode van één jaar, zijnde van 24 augustus 2016 tot 24 augustus 2017 en benoemt tot gecertificeerde instelling de Stichting Jeugdbescherming [vestigingsplaats] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L.F.A. Husson, I. Obbink-Reijngoud en H. Mollema-de Jong, bijgestaan door mr. M.A.J. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 augustus 2016.