Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2449

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
25-08-2016
Zaaknummer
200.187.649/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2231, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wsnp; tussentijdse beëindiging; informatieverplichting; boedelachterstand; sollicitatieverplichting; bekrachtiging vonnis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.187.649/01

Insolventienummer rechtbank : C/09/15/484 R

arrest van 26 april 2016

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.C.A. van Tol te Leiden.

Het geding

Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 2 juli 2015 is het faillissement van [appellant] beëindigd onder gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling. Deze schuldsaneringsregeling is op voordracht van de rechter-commissaris beëindigd bij vonnis van deze rechtbank van 11 maart 2016. Tegen laatstbedoeld vonnis heeft [appellant] hoger beroep ingesteld bij het op 17 maart 2016 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift (met producties). Op 30 maart 2016 en 8, 12 en 15 april 2016 zijn producties aan het hof toegezonden. Bij brieven van 21 maart 2016 en 13 april 2016 heeft de bewindvoerder de openbare verslagen en zijn reactie op het beroepschrift aan het hof toegezonden.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 april 2016. Verschenen is: [appellant], bijgestaan door zijn advocaat, alsmede namens de bewindvoerder mevrouw [naam].

De beoordeling van het hoger beroep

1. De rechtbank heeft de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant] beëindigd op grond van het oordeel (i) dat hij een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt (artikel 350 lid 3 aanhef en onder c Fw) en (ii) dat hij bovenmatige schulden doet of laat ontstaan (artikel 350 lid 3 aanhef en onder d Fw) en (iii) dat hij tracht zijn schuldeisers te benadelen (artikel 350 lid 3 aanhef en onder e Fw). De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen. Door zonder toestemming van zijn toenmalig curator en de rechter-commissaris een levensverzekering af te kopen en de uitgekeerde waarde van € 1.536,95 aan zijn dochters uit te betalen heeft [appellant] zijn overige crediteuren benadeeld. Nu de polis van de ziektekosten ontbreekt in het dossier en [appellant] de bewindvoerder niet volledig informeert over alle relevante financiële zaken, zoals de afkoop van zijn levensverzekering, heeft hij niet voldaan aan de op hem rustende informatieverplichting. Hoewel [appellant] reeds sinds de aanvang van de schuldsaneringsregeling (in ieder geval gedeeltelijk) arbeidsgeschikt is, heeft hij nagelaten te solliciteren. Ook bestaat een geschatte boedelachterstand van € 4.517,21: [appellant] is zijn reguliere afdrachtverplichting niet naar behoren nagekomen en heeft de aan hem uitgekeerde bedragen van € 1.536,95 met betrekking tot een afgekochte levensverzekering en van € 2.371,26 zijnde een schade-uitkering in verband met kapot laminaat niet in de boedel laten vloeien. Dat inmiddels beschermingsbewind is aangevraagd kan [appellant] niet baten; de rechtbank acht niet aannemelijk dat hij, wanneer hij onder bewind staat, wel zal voldoen aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.

2. De grieven van [appellant] hebben de kennelijke strekking de zaak in volle omvang aan het hof voor te leggen. Ter zitting van het hof heeft [appellant] zijn standpunt toegelicht.

3. De bewindvoerder heeft verklaard dat [appellant] niet aan zijn verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling heeft voldaan.

4.1

Vooropgesteld wordt dat van personen ten aanzien van wie de schuldsanering is uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat [appellant] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen. Daartoe overweegt het hof het volgende.

4.2.

Uit het dossier van de bewindvoerder blijkt dat thans een geschatte boedelachterstand bestaat van € 4.517,21. Dit bedrag bestaat uit een achterstand in de reguliere afdracht, een bedrag van € 1.536,95 met betrekking tot een afgekochte levensverzekering dat [appellant] niet in de boedel heeft laten vloeien maar naar zeggen aan zijn dochters heeft uitgekeerd en een bedrag van € 2.371,26 in verband met aan [appellant] uitgekeerde verzekeringspenningen voor schade aan het laminaat in zijn huis. Door [appellant] is aangevoerd dat de laatste twee bedragen niet als achterstand hebben te gelden. Zo heeft hij naar eigen het bedrag van € 2.371,26 daadwerkelijk aangewend om de schade aan zijn laminaat te laten repareren door zijn voormalig schoonzoon en heeft de uitbetaling van de afgekochte levensverzekering reeds voor de toelating tot de schuldsaneringsregeling plaatsgevonden en zal dit bedrag, wanneer het hof oordeelt dat dit in de boedel hoort te vloeien, door zijn dochters worden terugbetaald. Een en ander kan [appellant] echter niet baten. Ook als zijn redenering wordt gevolgd, en die twee grotere bedragen niet worden meegeteld in de boedelachterstand, blijft open staan een bedrag van € 609,--. Dat [appellant] geen verwijt treft ten aanzien van het ontstaan van deze achterstand is niet aannemelijk geworden. Evenmin is aannemelijk geworden dat hij bereid en in staat is de achterstand in te lopen. Een voorstel hiertoe ontbreekt.

4.3.Wat in deze zaak zwaar weegt, is het niet voldoen aan de informatieplicht. [appellant] had in het kader van de omzetting van het faillissement in de schuldsanering de afkoop van de levensverzekering moeten melden. Ook had hij vervolgens bij de bewindvoerder moeten informeren naar de mogelijkheid van uitbetaling van het geld aan zijn dochters (dat die doorbetaling voorafgaande aan de schuldsaneringsregeling plaatsvond is onvoldoende aangetoond, en had anders eveneens moet worden gemeld in het kader van de omzetting).

Daarnaast heeft de bewindvoerder gevraagd naar nota’s in verband met de besteding van de verzekeringsuitkering voor het laminaat. De bewindvoerder heeft onweersproken aangevoerd dat hij eerder een kopiefactuur (zonder vermelding van de afzender) d.d. 17 juni 2015 met factuurnummer 201508 ten name van mw. [naam] ontving. Het bedrag van die kopiefactuur is precies het door de verzekering uitgekeerde bedrag € 2.371,26 (inclusief BTW). In hoger beroep is weer een andere, slecht leesbare kopiefactuur (met rechts bovenaan weergegeven/gekopieerd mogelijk het begin van de naam [naam]) d.d. 7 augustus 2015 met factuurnummer 2014519 overgelegd, met daarop nu een factuurbedrag van € 2.400 (inclusief BTW). Op deze kopiefactuur is ook een kwitantie gefotokopieerd, vermeldende dat het factuurbedrag van € 2.400,-- op 7 augustus 2015 is voldaan. De bewindvoerder heeft er echter op gewezen dat hij geen opnames ter hoogte van dit bedrag heeft waargenomen na uitbetaling van het schadebedrag. Een behoorlijke verklaring van [appellant] bij dit alles ontbreekt. Hij had direct bij aanwending van het bedrag aan de hand van eenduidige en heldere verificatore bescheiden de besteding van het geld aan de bewindvoerder moeten verantwoorden. Ook op dit punt is hij ernstig tekortgeschoten in zijn informatieplicht.

4.4

Verder veronderstelt de wettelijke schuldsaneringsregeling een inspanning van de schuldenaar om in het tijdvak waarop de schuldsaneringsregeling van toepassing is zich zoveel mogelijk inkomsten te verwerven waarmee de schuldeisers kunnen worden voldaan. Deze inspanningsverplichting om inkomsten te verwerven kan concreet tot uitdrukking komen in een sollicitatieplicht. [appellant] heeft geen aantoonbare inspanningen verricht om betaald werk te vinden. Dat hij toestemming zou hebben van de bewindvoerder dan wel de rechter-commissaris om in afwachting van zijn herkeuring niet te solliciteren is niet aannemelijk geworden. Bij het toelatingsgesprek is [appellant] duidelijk gewezen op de verplichting om te solliciteren en kennelijk is dit ook ter sprake gekomen tijdens de behandeling van het verzoek om toelating door de rechtbank. Vergelijk in dit verband het proces-verbaal van de zitting in de eerste aanleg, waarin te lezen is als opmerking van de rechter: ‘meneer [appellant], ik heb u bij de omzetting op zitting gehad en ik heb u benadrukt dat u moet gaan werken en u hebt gezegd: “als het moet doe ik dat en dan ga ik solliciteren”. Dat de bewindvoerder vervolgens heeft gezegd of de indruk heeft gewekt dat er niet behoefde te worden gesolliciteerd, is niet aannemelijk geworden. Integendeel blijkt dat hij door de bewindvoerder meerdere malen is gewezen op deze verplichting, dat hij hier niet aan voldeed en wat de mogelijke gevolgen waren van het niet voldoen aan die verplichting. Dat [appellant] zich thans geconfronteerd ziet met een tussentijdse beeïndiging komt voor zijn risico. Ook het feit dat [appellant] inmiddels gedeeltelijk arbeidsongeschikt is verklaard kan hem niet helpen; dit doet immers niet af aan de verplichting om tot het moment dat het resultaat van de herkeuring duidelijk is, te solliciteren. Het resultaat van de herkeuring is bovendien niet zo dat in het geheel niet behoefde te worden gesolliciteerd. Ook deze tekortkoming weegt zwaar en staat eveneens aan voortzetting van de regeling in de weg. Dat [appellant] naar hij stelt op 9 maart 2016 is begonnen met solliciteren is onvoldoende om aan deze tekortkoming voorbij te gaan.

5. Hetgeen meer of anders aangevoerd kan in het kader van het onderhavige hoger beroep niet tot een ander oordeel leiden en behoeft geen nadere bespreking. Dat [appellant] inmiddels onder beschermingsbewind staat vormt geen reden om voorbij te gaan aan de tekortkomingen, die toerekenbaar zijn en van een zodanige ernst dat een voortzetting van de regeling niet gerechtvaardigd is. Ook het verzoek om een verlenging van de regeling (in het kader van de voortzetting ervan) wordt afgewezen. De ernst van de tekortkomingen staat daaraan in de weg. Los daarvan is niet aannemelijk geworden dat bij voortzetting/verlenging de verplichtingen wel naar behoren zullen worden nagekomen.

6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden
bekrachtigd.

De beslissing

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 maart 2016.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, M.C.M. van Dijk en A.J. Coster en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 april 2016 in aanwezigheid van de griffier.