Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2442

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-08-2016
Datum publicatie
07-09-2016
Zaaknummer
200.184.300
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wwz. Tussenbeschikking. Ontslag op staande voet. Bewijsopdracht; werkgever moet bewijzen dat werknemer beloningen van derden heeft aangenomen i.v.m. het meenemen van extra afval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1005
AR 2016/2666

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.184.300/01

Rekestnummer rechtbank : 4423489 RP VERZ 15-50584

beschikking van 9 augustus 2016

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker (in hoger beroep),

hierna te noemen: [verzoeker],

advocaat: mr. M.M.C van der Sanden te Den Haag,

tegen

Haagse Milieu Services,

gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

verweerster (in hoger beroep),

hierna te noemen: HMS,

advocaat: mr. L.V. Claassens te Eindhoven.

Het geding

Bij beroepschrift (met producties), ingekomen bij het hof op 22 januari 2016, is [verzoeker] in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Den Haag, team kanton Den Haag (hierna: de kantonrechter), van 30 oktober 2015. HMS heeft een verweerschrift ingediend. Op 12 mei 2016 is een V-6 formulier met een aantal aanvullende producties ontvangen van de zijde van [verzoeker]. Op 20 mei 2016 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten aan het hof hebben toegelicht, beiden aan de hand van pleitnota’s. De zaak is daarna enige tijd aangehouden in verband met schikkingsonderhandelingen. Vervolgens hebben partijen het hof verzocht een beschikking te geven.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de door de kantonrechter in zijn beschikking onder 2.1 tot en met 2.7 vermelde feiten, nu hiertegen in hoger beroep geen bezwaren zijn gericht, met dien verstande dat [verzoeker] wel bezwaar heeft gemaakt tegen de door HMS gestelde uitkomsten van het onderzoek zoals in r.o. 2.4 weergegeven, hetgeen het hof in zijn oordeel zal betrekken bij de beoordeling van de grieven.

2. Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende. [verzoeker], geboren op [datum 1] 1967, is op [datum 2] 1995 in dienst getreden bij (de rechtsvoorgangster van) HMS als chauffeur/belader en hield zich bezig met het ophalen van afval. Zijn salaris bedroeg € 2.440,- bruto per maand (exclusief vakantietoeslag, garantietoelage, tak van dienst toelage A en overuren). [verzoeker] is door HMS gedetacheerd bij Van Gansewinkel, een onderneming die zich bezighoudt met de inzameling, verwerking en recycling van afval.

3. Naar aanleiding van een anonieme melding dat medewerkers van Van Gansewinkel en HMS betrokken zouden zijn bij het aannemen van bovenmatige volumes afval (grotere volumes dan voorzien in de overeenkomst met Van Gansewinkel/HMS) en het aannemen van beloningen van derden hiervoor, is Van Gansewinkel een onderzoek gestart. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een Integriteitsrapport van 2 juli 2015 opgemaakt door [naam 1] (hierna: [naam 1]), Manager Integriteit van de Van Gansewinkel Groep. Uit dit rapport blijkt dat [naam 1] observaties heeft uitgevoerd op ondermeer 21 april, 1, 11 en 18 mei 2015. Uit de observaties, waarvan filmopnames zijn gemaakt, is – voor zover van belang – het volgende gebleken.

Op 21 april 2015 is door [naam 1] geconstateerd dat er op die dag bij een tweetal klanten (Groente- en Fruithal en Kriege & Verhoek, beide gevestigd in Den Haag, extra afval is ingezameld dat niet is vermeld in de boordcomputer. [verzoeker] heeft die dag niet op de betreffende route gereden, zijn collega [naam 2] (hierna: [naam 2]) wel.

[verzoeker] is op 1 mei en 11 mei 2015 wel betrokken geweest bij het aannemen van bovenmatige volumes afval:

 Op 1 mei 2015 is geconstateerd dat [verzoeker] en zijn collega [naam 3] bij de Groente- en Fruithal naast de ene rolcontainer van 1100 liter die onder contract staat, zeven pallets met dozen en kisten, een klikocontainer en een grijze container hebben meegenomen c.q. geledigd. Met dit inzamelen zijn de medewerkers ruim 22 minuten bezig geweest. In de boordcomputer is vermeld dat één extra rolcontainer van 1100 liter is geledigd. Bij het bedrijf Kriege & Verhoek – waar één rolcontainer van 1100 liter onder contract stond – zijn twee rolcontainers van 1100 liter geleegd, daarnaast zijn door medewerkers van dit bedrijf zelfstandig diverse afvalgoederen in de wagen gegooid, waaronder een groot houten pallet. Deze goederen heeft [verzoeker] niet vermeld in de boordcomputer.

 Op 11 mei 2015 is geconstateerd dat [verzoeker] en [naam 2] bij meergenoemde Groente- en Fruithal, naast de ene rolcontainer van 1100 liter, losse pallets, vijf pallets met dozen/kisten alsmede vuilniszakken, een groene kliko, een grijze container en een aantal lange latten/profielen en meer los materiaal hebben meegenomen c.q. geledigd. Vervolgens is waargenomen dat bij Kriege & Verhoek naast de twee rolcontainers van 1100 liter, die vol waren met afval, twee rol/rekcontainers met afval stonden. Naast deze rekcontainers lag er nog een redelijke hoeveelheid los afval. Er werd door de medewerkers één rolcontainer van 1100 liter geledigd en een paar losse doosjes in de container gegooid. Vervolgens zag [naam 1] dat [verzoeker] enige tijd richting van zijn voertuig keek. Hierna stopten de medewerkers met de inzameling van de rest van het afval en reden weg.

4. [verzoeker] is in een gesprek op 2 juli 2015 door [naam 1] geconfronteerd met de bevindingen uit het onderzoek. Het verslag van dit gesprek heeft [verzoeker] voor akkoord ondertekend. Op 7 juli 2015 heeft op verzoek van [verzoeker] een aanvullend gesprek met hem plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft [verzoeker] afstand genomen van een aantal van zijn in het gesprek van 2 juli 2015 gedane en schriftelijk vastgelegde uitlatingen en deze gedeeltelijk ook ingetrokken. Beide gespreksverslagen maken onderdeel uit van het Integriteitsrapport. Tijdens het gesprek op 2 juli 2015 heeft [verzoeker], nadat hem

op 21 april 2015) door [naam 1] gemaakte filmbeelden waren getoond, ondermeer het navolgende verklaard:

“(…) Ik weet niet of ik op die datum (21 april 2015, hof) ook extra heb opgevoerd. Maar de meeste keren wel. (…) Ik weet niet of op die datum een extra bon of extra invoer is geweest. (…)

Het is een beetje service naar de klant [Groente- en Fruithandel, hof]. Ze hebben eigenlijk 4x per week meer afval. Dit speelt al sinds we daar rijden. Ik heb recentelijk tegen deze klant gezegd dat ik er mee gestopt ben. Het liep de spuigaten uit. Het zou mij baan kunnen kosten. Het werd steeds meer. Ik ben er denk ik in mei mee gestopt (…) Ik heb tegen [naam 2] gezegd dat we er mee moesten stoppen. [naam 2] was het er mee eens. De klant was het er niet mee eens want die wil gewoon zijn vuil kwijt. Het is gestart sinds we de one to move rijden. Het speelt dus nu ongeveer een half jaar. Daarvoor ben ik nooit bij de Fruithandel geweest. Er is een contract voor 1 rolcontainer van 1000 of 1100 liter. Dan kan je zien in de bordcomputer. Het is dus langzaam meer geworden. Na de Fruithandel zijn we naar Kriege en Verhoek gereden aan de Elbe. Ook daar nemen we meer afval mee dan contractueel is vastgelegd. Meestal nemen we daar 2 rolcontainers mee en ook nog los afval. Ook dat is uit serviceoverwegingen. (…)"

Naar aanleiding van hem getoonde filmbeelden die op 1 mei 2015 door [naam 1] waren gemaakt, heeft [verzoeker] tijdens meergemeld gesprek van 2 juli 2015 onder meer verklaard:

“(…) Vervolgens rijden we door naar Kriege en Verhoek aan de Elbe. Zij zijn al klant vanaf de AVR tijd dus al vele jaren. Omdat zij al zo lang klant zijn neem ik ook vaker extra afval daar mee. Daarvoor schrijf ik geen bon. Dit is goodwill dus service. Bij Krieke en Verhoek wordt het ook niet gemeld aan de planning dat er extra afval meegenomen wordt. Het gaat om een extra rolcontainer en los afval. Ik begrijp dat dit een ander contract zou moeten zijn waardoor Van Gensewinkel er meer aan verdient. Ik weet dat er extra kosten zitten aan extra afval voor Van Gansewinkel. (…)”

In reactie op door [naam 1] gemaakte filmbeelden op 11 mei 2015, verklaarde [verzoeker] op 2 juli 2015 voorts:

“(…) Dit is waarschijnlijk de laatste keer [naam 2] en ik meer afval hebben meegenomen bij de Fruithal. (…) Ik heb in die periode duidelijk gemaakt aan de Fruithal dat ik ermee wilde stoppen omdat het anders mijn baan zou kosten. [naam 2] wilde er ook mee stoppen. (…)

Amar is een klant van ons voor 1x per week. Deze zit ook op Forepark. Ik kom daar 1x per week voor een 1100 liter container. Meestal wordt daar 1 a 2 pallets extra meegenomen en wat los afval zoals piepschuim. Dat heb ik vooral in het begin gedaan. Later ben ik daar ook mee gestopt. (…)”

[in reactie op de vraag: Uit onderzoek is gebleken dat er € 15 tot € 20 per keer wordt ontvangen bij AMAR. Kunt u dat toelichten?]:

“Ik geloof dat hij mij 1x € 15 heeft gegeven maar dat is lang geleden. Het is me niet goed bijgebleven. Ik heb daar geen melding van gemaakt. Ik weet niet of anderen geld hebben ontvangen. (…)”

[in reactie op de vraag: Ik toon u een brief van de directeur van Van Gansewinkel waarin staat omschreven dat wij geen extra afval meer mogen nemen zonder dat daar een contract tegenover staat. Kent u deze brief?]:

“Ik ken deze brief. De brief was duidelijk. Het is dus dommigheid en klantvriendelijkheid.”

Met [naam 2] is eveneens op 2 juli 2015 gesproken. Voor zover van belang heeft hij het navolgende verklaard:

[in reactie op de vraag: kunt u aangeven hoe vaak u extra afval hebt meegenomen bij AMAR (…) en hoeveel geld u daar hebt ontvangen voor dat extra afval?]:

“Het was een tijdje regelmatig. Toen hebben [verzoeker] en ik tegen de klant gezegd dat het moet stoppen. Ze keken daar wel een beetje scheef over. Ze mochten alleen die 1.000 liter aanbieden en de rest wordt doorgegeven.”

[in reactie op de vraag: uit onderzoek is gebleken dat er € 15 tot € 20 per keer wordt ontvangen bij AMAR. Kunt u dat toelichten?]:

“Dat zou ik niet weten, Ik weet niet of [verzoeker] dit aanneemt. Ik heb het nog nooit aangenomen. Op de 21 april en 11 mei heb ik wel geld aangenomen. Op 21 april hebben we ieder 10 euro gekregen en 11 mei hebben we ieder 5 euro gekregen. Op den duur zijn we ermee gestopt omdat we onze eigen route niet afkregen. Dit was eind mei, toen zijn we gestopt met extra meenemen. Ik wil geen geld meer aannemen, dit moest stoppen. (…)”

5. Na het gesprek van 2 juli 2015 is [verzoeker] op non-actief gesteld. Op 8 juli 2015 zijn zowel [verzoeker] als [naam 2] op staande voet ontslagen, welk ontslag bij brief van 9 juli 2015 aan hen is bevestigd.

6. [verzoeker] heeft de kantonrechter verzocht – zakelijk weergegeven – vernietiging van het ontslag op staande voet met wedertewerkstelling en doorbetaling van loon. HMS heeft bij wijze van zelfstandig tegenverzoek, verkort weergegeven, een verklaring voor recht gevraagd dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd door het ontslag op staande voet. Tevens heeft HMS de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen “voorwaardelijk” te ontbinden, een verklaring voor recht gevraagd dat HMS aan [verzoeker] geen transitievergoeding verschuldigd is en de kantonrechter verzocht [verzoeker] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ex art. 7:677 lid 2 BW ad € 4.751,62.

7. De kantonrechter heeft bij de bestreden beschikking van 30 oktober 2015 de vorderingen van [verzoeker] afgewezen, voor recht verklaard dat de arbeidsovereenkomst van partijen rechtsgeldig is geëindigd op 8 juli 2015 en de arbeidsovereenkomst voorts “voorwaardelijk” ontbonden per 31 oktober 2015. Daarnaast heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat HMS aan [verzoeker] geen transitievergoeding verschuldigd is en [verzoeker] veroordeeld tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ad € 4.751,62 en de proceskosten. [verzoeker] is hiervan in hoger beroep gekomen en heeft 15 grieven gericht tegen de beschikking van de kantonrechter.

8. De grieven beogen het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Geen grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven, zodat het hof ook hiervan zal uitgaan.

9. De eerste vraag die ter beantwoording voorligt in de onderhavige zaak is of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Het hof stelt bij de beoordeling van deze vraag het volgende voorop. Het ontslag op staande voet is een ultimum remedium, dat, gelet op de verstrekkende gevolgen ervan, slechts bij uitzondering mag worden gegeven. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag óf van zodanige dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Op HMS als werkgever rust de stelplicht en bewijslast van het bestaan en de dringendheid van de ontslagreden.

10. Ten aanzien van de grond voor het ontslag op staande voet heeft het navolgende te gelden. De redenen voor het ontslag op staande voet zijn neergelegd in de 4,5 pagina’s tellende ontslagbrief van 9 juli 2015. Door de kantonrechter is bij de feiten onder 2.8 van de beschikking gesteld dat [verzoeker] op staande voet is ontslagen vanwege:

- het structureel aannemen van bovenmatige volumes afval met een Van Gansewinkel voertuig zonder dit te vermelden in de boordcomputer;

- het aannemen van beloningen van derde(n) voor het uitvoeren van de activiteiten zoals hierboven omschreven.

Bij de beoordeling heeft de kantonrechter vervolgens geoordeeld dat [verzoeker] in strijd met het ter zake stringent gevoerde beleid a) extra volumes afval heeft opgehaald, zonder die ledigingen (volledig) te vermelden in de boordcomputer, waarmee aan Van Gansewinkel schade is berokkend alsmede b) [verzoeker] voor het meenemen van extra afval (éénmaal) geld heeft aangenomen. Met die gedragingen heeft [verzoeker], aldus de kantonrechter, grovelijk de plichten veronachtzaamd die voor hem voortvloeiden uit de arbeidsovereenkomst van partijen. HMS heeft in haar verweerschrift gesteld dat de eerste dringende reden niet betreft het ‘structureel’ aannemen van bovenmatige volumes afval, maar het ‘meermaals’ aannemen van bovenmatige volumes afval. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] hierop gereageerd, waarbij hij zich op het standpunt heeft gesteld dat uit de ontslagbrief van 9 juli 2015 zou blijken dat het ging om het ‘structureel’ aannemen van bovenmatige volumes afval en niet om ‘meermaals’.

11. Het hof oordeelt als volgt. Hetgeen de kantonrechter heeft vermeld onder 2.8 van de vaststaande feiten is een onjuiste weergave. Weliswaar wordt op de eerste pagina van de ontslagbrief de term ‘structureel’ gebezigd, maar dit is een weergave van de door HMS ontvangen berichten over mogelijke betrokkenheid van medewerkers bij activiteiten in strijd met de geldende regels en richtlijnen en betreft niet de in de ontslagbrief gegeven dringende reden voor het ontslag op staande voet. Het hof is van oordeel, gelet op de inhoud van de ontslagbrief van 9 juli 2015, dat de dringende reden voor HMS erin is gelegen dat [verzoeker] in strijd met het hem bekende en ter zake stringent gevoerde beleid a) extra volumes afval heeft opgehaald, zonder die extra ledigingen (volledig) te vermelden in de boordcomputer, alsmede b) voor het meenemen van extra afval beloningen van derden heeft aangenomen.

12. HMS heeft in de ontslagbrief vermeld dat de in de brief besproken gedragingen, handeling(en) en omstandigheden, op zichzelf maar ook in onderlinge samenhang bezien, een dringende reden voor ontslag op staande voet vormen. Het hof is echter van oordeel dat gelet op de duur van zijn dienstverband, de (door HMS onweersproken) onberispelijke staat van dienst van [verzoeker] en de persoonlijke gevolgen van het ontslag, mede gezien zijn slechte kansen op de arbeidsmarkt, zijn eenzijdige werkervaring en de restgevolgen van zijn herseninfarct, de sub a. gestelde dringende reden op zichzelf – het ophalen van extra volumes afval zonder die ledigingen (volledig) te vermelden in de boordcomputer – geen dringende reden voor ontslag op staande voet kan zijn. Het meenemen van extra afval door [verzoeker], waarvan hij heeft gesteld dat dit moet worden gezien als een stukje ‘service’ naar de klant toe, hoewel dit vanuit het perspectief van HMS bezien uiteraard zeer onwenselijk is en zij naar haar medewerkers toe ook voldoende duidelijk heeft gecommuniceerd dat extra afval steeds dient te worden geregistreerd in de boordcomputer, is in de gegeven omstandigheden onvoldoende voor een ontslag op staande voet indien daar geen enkel (geldelijk) voordeel voor [verzoeker] tegenover heeft gestaan. Het voorgaande betekent dat slechts sprake kan zijn van een rechtsgeldig ontslag op staande voet indien tevens komt vast te staan dat [verzoeker] beloningen van derde(n) heeft aangenomen in verband met het aannemen van extra afval (het sub b. genoemde onderdeel van de dringende reden).

13. [verzoeker] heeft bezwaar gemaakt tegen de onderbouwing van de gestelde dringende reden door HMS – naar het hof begrijpt – door de verklaring die [verzoeker] op 2 juli 2015 heeft afgelegd daarvoor als basis te gebruiken. In dit verband heeft [verzoeker] gesteld dat hij was overrompeld en van zijn stuk was gebracht door het onaangekondigde gesprek en de door HMS gehanteerde verhoormethode. Het hof oordeelt als volgt. Tijdens het gesprek dat met [verzoeker] op 2 juli 2015 – onaangekondigd – heeft plaatsgevonden is hij na enkele inleidende vragen geconfronteerd met camerabeelden van de afvalinzameling die had plaatsgevonden op 21 april 2015, terwijl [verzoeker] op die dag de betreffende route niet heeft gereden. Uit de verklaring die [verzoeker] omtrent deze beelden heeft afgelegd blijkt dat hij tijdens het gesprek in de (onjuiste) veronderstelling verkeerde dat hij die dag wel de betreffende klant had bezocht. Zo verklaart hij onder meer: “Ik weet niet of ik op die datum ook extra heb opgevoerd. Maar de meeste keren wel. Het ging hier met name om pallets met lege fruitkisten. Het losse afval betreft ook kisten. Ik weet niet of op die datum een extra bon of extra invoer is geweest. Er is op die datum niet betaald door de Fruithandel. De uitzendkracht die er op dat moment bij was heeft er geen beslissende rol in gehad. Ik denk dat het Andrew Frans was (…).” Dit is niet rechtgezet; [verzoeker] is er tijdens het gesprek niet op geattendeerd dat hij die dag niet betrokken was geweest bij de afvalinzameling bij de Groente- en Fruithal. Tijdens het gesprek is voorts – door de wijze van vraagstelling zoals deze blijkt uit het rapport – steeds de suggestie gewekt dat [verzoeker] meer afval inzamelde dan contractueel met de klant was vastgelegd zonder deze inzameling te vermelden in de boordcomputer, terwijl [verzoeker] zowel op 1 als op 15 mei (volgens HMS: een deel van het) extra ingenomen afval wel in de boordcomputer heeft vermeld. Het hof kan HMS niet volgen in haar redenering dat aan [verzoeker] met name open vragen zijn gesteld tijdens het gesprek op 2 juli 2015. De wijze van vraagstelling was niet steeds open maar geregeld suggestief (bijvoorbeeld: Kunt u aangeven hoe vaak u extra afval hebt meegenomen bij AMAR (…) en hoeveel geld u daar hebt ontvangen voor dat extra afval?). [verzoeker] stelt voorts dat door HMS bij het verhoor geen rekening is gehouden met zijn psychische beperkingen, zoals deze blijken uit een neuropsychologisch onderzoek van 27 augustus 2014. [verzoeker] heeft in 2012/2013 een herseninfarct gehad, waarvan hij nog steeds restverschijnselen ondervindt. Door [verzoeker] is een verslag van voornoemd neuropsychologisch onderzoek in het geding gebracht, waaruit blijkt dat zijn intelligentie werd geschat op 84, hij bekend is met dyslexie en dyscalculie, de mogelijkheid om kortdurend informatie op te slaan gestoord tot benedengemiddeld is en het werkgeheugen eveneens gestoord is. De neuropsycholoog heeft echter ook geconcludeerd dat [verzoeker] niet ernstig wordt belemmerd door de gevolgen van zijn herseninfarct, aangezien hij schrijft dat gezien de beperkte aard van de bevindingen (de andere geheugentaken, aandacht en concentratietaken en de psychomotorietaken waren ongestoord) de gevonden afwijkingen als nauwelijks klinisch relevant worden beschouwd. Hoewel het hof van oordeel is dat de wijze van verhoor niet de schoonheidsprijs verdient, ziet het hof geen aanleiding om de verklaring die [verzoeker] op 2 juli 2015 heeft afgelegd geheel buiten beschouwing te laten. Dit neemt niet weg dat voldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] door de wijze van vraagstelling en het tonen van de beelden van een afvalinname waarbij hij niet betrokken was in elk geval ten dele op het verkeerde been is gezet, zodat de enkele verklaring van [verzoeker] van 2 juli 2015 niet toereikend is voor de onderbouwing van de dringende reden voor ontslag op staande voet. HMS heeft zich echter niet alleen beroepen op de verklaring van [verzoeker] van 2 juli 2015.

14. Uit de door [naam 1] uitgevoerde observaties, zoals deze zijn vastgelegd in het Integriteitsrapport, in combinatie met de verklaringen die [verzoeker] op 2 respectievelijk

7 juli 2015 heeft afgelegd – waarvan hij geen afstand heeft genomen – en de overige gedingstukken, blijkt naar het oordeel van het hof dat [verzoeker] extra volumes afval heeft ingezameld zonder deze (volledig) in de boordcomputer te vermelden, zulks in strijd met het bij hem bekende beleid. Door [verzoeker] is in de boordcomputer op 1 als op 11 mei een aanvullende lediging van een extra rolcontainer van 1100 liter vermeld, terwijl uit de observaties en de lijst van ingezameld afval op de betreffende dagen blijkt dat de hoeveelheid extra afval niet in verhouding staat tot één extra rolcontainer. Bovendien heeft [verzoeker] niet alleen in zijn verklaring van 2 juli maar ook in zijn aanvullende verklaring van 7 juli 2015 bevestigd dat hij meer afval heeft meegenomen. Zo stelt hij op laatstgenoemde datum onder meer: “Ik wil mij er op beroepen dat ik nooit en te nummer geld heb ontvangen voor af en toe meer afval meenemen. Ik heb dit uit klantvriendelijk gedaan (…) De hoeveelheden die ik bij de Groen en Fruithal heb meegenomen zijn mogelijk niet met de planning besproken. Ik weet dat niet precies meer. Ik overleg niet alles met de planning (…). Na mijn vakantie ben ik gestopt ben meer afval mee te nemen dan toegestaan.”

15. Dat [verzoeker] beloningen van derden heeft aangenomen in verband met het inzamelen van (extra) afval kan naar het oordeel van het hof echter niet worden geconcludeerd op basis van het Integriteitsrapport. Ten aanzien van het aannemen van beloningen van derden heeft [verzoeker] op 2 juli 2015 slechts verklaard dat hij eenmaal van de klant AMAR een bedrag van € 15,- heeft gekregen: “Ik geloof dat hij mij 1x € 15,- heeft gegeven maar dat is lang geleden. Het is me niet goed bijgebleven. Ik heb daar geen melding van gemaakt (…) Nu ik erover nadenk ben ik dom bezig geweest. (…)”. Het eenmalig in ontvangst nemen van een bedrag van € 15,-, waarvan [verzoeker] heeft gesteld dat dit moet worden vergeleken met een ‘kerstgratificatie’ (zoals een krantenjongen een extraatje krijgt met de feestdagen), leidt naar het oordeel van het hof niet tot de conclusie dat [verzoeker] beloningen van derden heeft aangenomen als een tegenprestatie voor het ophalen van extra afval. In zijn aanvullende verklaring van 7 juli 2015 heeft [verzoeker] betwist ooit geld te hebben ontvangen voor ‘af en toe meer afval meenemen’.

16. Voor zover HMS haar standpunt dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan het aannemen van beloningen van derden (mede) baseert op de verklaring die zijn collega [naam 2] heeft afgelegd in het kader van het Integriteitsrapport, heeft te gelden dat geen sprake is van een op de voet van de artikelen 164 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten overstaan van de rechter afgelegde verklaring. Bovendien wordt niet duidelijk uit de verklaring van [naam 2] zoals weergegeven in het Integriteitsrapport op wie hij doelt als hij spreekt over ‘we’ in relatie tot het aannemen van geld. [verzoeker] heeft de juistheid van de door [naam 2] afgelegde verklaring voorts gemotiveerd bestreden. Het Integriteitsrapport vermeldt niet of er met de desbetreffende klanten van Van Gansewinkel is gesproken over de vraag of er voor het meenemen van meer dan de gecontracteerde hoeveelheid afval betalingen aan [verzoeker] zijn gedaan. Wel is er door [verzoeker] een verklaring van 6 januari 2016 van de heer W.A. Verhoek van Kriege & Verhoek overgelegd met als strekking dat er aan [verzoeker] ter zake nooit betalingen zijn gedaan.

17. Ook de overige (bewijs)stukken die HMS in het geding heeft gebracht kunnen naar het oordeel van het hof niet leiden tot de conclusie dat HMS er in is geslaagd om te bewijzen dat [verzoeker] beloningen van derden heeft aangenomen in verband met het meenemen van extra afval.

18. Nu HMS bewijs heeft aangeboden, zal zij in de gelegenheid worden gesteld om nader bewijs hiervan te leveren.

19. Elke verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

Het hof:

- laat HMS toe tot het leveren van bewijs dat [verzoeker] voor het meenemen van extra afval beloningen van derden heeft aangenomen;

- bepaalt dat indien HMS getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. C.J. Frikkee op een nader vast te stellen datum en tijdstip;

- bepaalt dat HMS het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven uiterlijk op 29 augustus 2016, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

- bepaalt dat HMS de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

- bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

- verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Frikkee, S.R. Mellema en M. Brink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 augustus 2016 in aanwezigheid van de griffier.

Bij ontstentenis van de voorzitter is deze beschikking ondertekend door de oudste raadsheer.