Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2431

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
200.154.920/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijswaardering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.154.920/01

Zaaknummer rechtbank : 2664725 / CV EXPL 14-202

arrest van 30 augustus 2016

inzake

[appellant],

zonder bekende woonplaats zowel binnen als buiten Nederland, thans verblijvende in het penitentiaire inrichting De Schie te Rotterdam,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.J. Serrarens te Maastricht,

tegen

Stichting De Kijvelanden, instelling voor forensische psychiatrie,

gevestigd te Albrandswaard,

geïntimeerde,

hierna te noemen: De Kijvelanden,

advocaat: mr. R. van der Hoeven te Rotterdam.

De verdere loop van het geding

Bij tussenarrest van 25 augustus 2015 is [appellant] toegelaten tot het bewijslevering betreffende de door hem gevorderde schade. Vervolgens heeft [appellant] op 10 maart 2016 zichzelf als getuige doen horen, alsmede zijn moeder [moeder]), zijn twee zusters ([zus 1] en [zus 2]) en zijn neef ([neef]). Na sluiting van de enquête heeft [appellant] een memorie na enquête genomen en De Kijvelanden een antwoordmemorie na enquête.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

De verdere beoordeling van het hoger beroep

1. [appellant] is toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat de zaken genoemd in de als productie 1 bij inleidende dagvaarding overgelegde lijst, aangevuld met één paar Reebok schoenen, zich op 8 oktober 2009 op zijn kamer in De Kijvelanden bevonden. Het gaat daarbij om door [appellant] opgegeven zaken die zouden zijn kwijtgeraakt bij of rondom diens crisisoverplaatsing vanuit De Kijvelanden naar de Van Mesdagkliniek op 23 oktober 2009, nadat [appellant] naar aanleiding van een incident in De Kijvelanden op 8 oktober 2009 in een isoleercel was geplaatst.

2. Het hof acht [appellant] niet geslaagd in zijn bewijslevering.

3. Daartoe is in de eerste plaats van belang dat geen van de getuigen – met uitzondering van [appellant] – een rechtstreekse verklaring heeft gegeven waaruit kan volgen dat de litigieuze zaken zich op 8 oktober 2009 op de kamer van [appellant] in De Kijvelanden bevonden. [appellant] is echter partijgetuige en zijn verklaring kan geen bewijs in zijn voordeel opleveren tenzij deze strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs, dat hier ontbreekt.

Uit de verklaringen kan evenmin indirect worden afgeleid dat dit het geval moet zijn geweest, omdat de verklaringen elkaar op belangrijke punten tegenspreken. Zo heeft [appellant] zelf verklaard dat de betreffende spullen door hem zijn aangeschaft tussen 2008 en 2009. Zijn moeder daarentegen verklaart in haar als getuige bevestigde schriftelijke verklaring van 10 januari 2011 dat de door haar gekochte spullen zijn ingevoerd in De Kijvelanden tussen 2 augustus en 8 oktober 2009. Zijn zuster [zus 2] heeft hetzelfde verklaard in haar schriftelijke verklaring van 10 januari 2011. Zijn zuster [zus 1] verklaart niets over het moment dat zij spullen voor [appellant] heeft gekocht. Zijn neef [neef] evenmin. Aan de hand van het voorhanden bewijs kan daarom niet worden vastgesteld of de door Rosario opgegeven zaken zich in zijn kamer in De Kijvelanden bevonden op het moment dat hij in de isoleercel werd geplaatst, nog daargelaten of bewezen kan worden verklaard of hij de door hem genoemde zaken in bezit heeft gehad.

4. Die laatste vraag dient evenzeer ontkennend te worden beantwoord. Daartoe is redengevend dat de getuigenverklaringen op tal van punten niet met elkaar sporen of elkaar zelfs tegenspreken, waar het gaat om welke zaken door wie zijn gekocht, de waarde van die zaken, hoe het verkoopproces en de afstemming met [appellant] is verlopen en hoe de zaken zijn betaald.

5. Een belangrijk voorbeeld daarvan is dat [appellant] in eerste aanleg bij conclusie van repliek sub 18 ter toelichting van de hoge prijs van zijn verdwenen schoenen (€ 300,- per paar), heeft gesteld dat “een neef van eiser 3 paar Nike-schoenen in die winkel in Rotterdam heeft laten ‘customizen’ hetgeen betekent dat de stoffen en de kleuren van de diverse onderdelen van die schoenen zijn vervaardigd of aangebracht conform de specifieke wensen van eiser”, terwijl de betreffende neef als getuige heeft verklaard: “Ik heb meerdere keren schoenen voor hem gebracht. (..) De schoenen die ik (..) heb gekocht waren specifiek door hem aangewezen. Hij vertelde mij wat hij wilde hebben, ik kocht ze voor hem. De schoenen die hij aanwees waren de schoenen zoals ze in de winkel stonden. Daar hoefde verder niets mee te gebeuren. Ze werden niet gecustomized.” Voorts heeft de getuige [zus 2] op dit punt verklaard: “Ik heb een paar schoenen voor hem gekocht. Dat waren Nikes. Volgens mij waren ze niet gecustomized. Het hof acht niet aannemelijk dat de getuigen het specifieke punt van het customizen van de schoenen kunnen hebben vergeten, zoals [appellant] in zijn memorie na enquête betoogt. De tegenstelling tussen de verklaringen is dermate vergaand en specifiek, dat dit maakt dat noch aan de verklaring van [appellant], noch aan die van [zus 2] of [neef] waarde kan worden gehecht.

6. Een ander aspect dat ertoe noopt om de verklaringen van [appellant] en de overige getuigen te passeren is hetgeen de getuigen hebben verklaard over de vraag hoe [appellant] als tbs-gedetineerde in staat was om in beperkte tijd voor ongeveer € 7.000,- aan kleding te kopen. [appellant] zelf heeft bij memorie van grieven verklaard dat hij in de zomer van 2009 als cadeau voor zijn verjaardag € 6.000,- heeft ontvangen van zijn oom en € 1.500,- van zijn moeder. Dat laatste bedrag zou hij zelf bijeen hebben gespaard door maandelijks geld naar haar rekening over te maken. Als getuige heeft [appellant] nader verklaard dat zijn oom hem € 6.000,- gaf omdat hij een ketting wilde kopen die paste bij zijn Rolex horloge. Later heeft hij echter besloten er kleding van aan te schaffen. Het bedrag van € 6.000,- zou zijn opgeborgen in de kluis van De Kijvelanden en genoteerd in een groene map. Daarom had hij de ontvangst niet genoteerd in zijn kasboek.

Het bedrag dat hij spaarde via zijn moeder was eigenlijk geld dat bestemd was voor zijn dochter, maar dat hij toch voor zichzelf heeft gebruikt.

De moeder van [appellant] heeft als getuige – geheel anders – verklaard dat zij het geld dat [appellant] spaarde voor zijn dochter ook aan die dochter heeft gegeven. Verder verklaarde zij aanvankelijk: “Ik nam nooit geld voor mijn zoon mee.” Later verklaart zij dat zij wel geld zou hebben (terug)gegeven aan [appellant], maar dat dit geld was afkomstig van het bedrag van € 6.000,- dat zij in De Kijvelanden van hem had ontvangen toen [appellant] dat had gekregen van zijn oom. Volgens de moeder had de betreffende oom behoorlijk wat geld. [appellant] heeft zo’n grote schenking gehad, omdat hij een lieveling was van zijn oom.

De zusters van [appellant] hebben weinig tot niets verklaard over zijn financiële middelen. [zus 1] verklaart dat hij geld kreeg van de instelling en ook geld had gekregen van zijn oom, maar dat zij niet wist hoeveel. [zus 2] verklaart dat zij geen idee heeft hoe hij aan zijn geld kwam.

De neef [neef] heeft eveneens verklaard dat hij niet weet hoe [appellant] aan zijn geld kwam. Dit ondanks het feit dat hij de zoon is van de oom die [appellant] de schenking van € 6.000,- zou hebben gedaan. Desgevraagd heeft hij verklaard hij dat zij zelf van zijn vader wel eens een ticket heeft gekregen ter waarde van € 700,- en ook eens een auto ter waarde van € 1.000,-. Volgens hem had [appellant] een gewone goede relatie met zijn vader. En tot slot heeft Poulino nog verklaard dat zijn vader in de industrie heeft gewerkt op Curaçao, waarvan hij een pensioen ontving en verder dat hij werkte voor uitzendbureaus, bijvoorbeeld voor ‘het rondbrengen van mensen’.

Het hof is van oordeel dat de verschillen tussen genoemde verklaringen van zodanige aard zijn, dat aan deze verklaringen geen waarde kan worden gehecht. De verklaring van Poulino over het arbeidsverleden van zijn vader maakt bovendien de stelling van [appellant] dat deze hem € 6.000,- heeft geschonken ongeloofwaardig, te meer nu dit bedrag zou zijn bedoeld om een ketting te kopen die paste bij de Rolex horloge van [appellant].

7. Gelet op het voorgaande acht het hof het niet nodig de overige verschillen tussen de getuigenverklaringen te bespreken. Het bewijs is reeds niet geleverd op grond van genoemde omstandigheden.

8. Het voorgaande brengt mee dat de grieven falen, althans dat [appellant] bij zijn grieven geen belang heeft, omdat het slagen van zulke grieven bij gebrek aan bewijs omtrent de schade van [appellant] niet tot een voor [appellant] positief oordeel kan leiden. Het vonnis waarvan beroep zal daarom worden bekrachtigd en [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

9. De Kijvelanden heeft bij memorie na enquête (nader) geconcludeerd dat niet meer dan € 360,- aan schadevergoeding dient te worden toegewezen, in plaats van het door de kantonrechter toegewezen bedrag van € 750,-. Aan deze vordering wordt echter voorbijgegaan, omdat De Kijvelanden geen incidenteel appel heeft ingesteld bij memorie van antwoord. Ingevolge artikel 339 lid 3 Rv was het recht daartoe bij memorie na enquête immers vervallen.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, van 6 juni 2014;

  • -

    veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van De Kijvelanden tot op heden begroot op € 704,- aan verschotten en € 1.264,- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Flipse, M.C.M. van Dijk en S.R. Mellema en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 augustus 2016 in aanwezigheid van de griffier.