Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2393

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
23-08-2016
Zaaknummer
200.171.402/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeids-/studieovereenkomst. Is leerling/werknemer bij niet-verlenging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gehouden de door de werkgever betaalde studiekosten terug te betalen? Uitleg van het begrip "onvoldoende vordering".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0936
AR 2016/2467

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.171.402/01

Zaaknummer rechtbank : 3162792\ CV EXPL 14-28777

arrest van 23 augustus 2016

inzake

Koole Tankstorage Vondelingenplaat B.V.,

gevestigd te Zaandam,

appellante,

hierna te noemen: Koole,

advocaat: mr. R.L.J. van der Meer te Houten,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. C.C. Wijburg te Utrecht.

1 Het geding

Bij arrest van 14 juli 2015 heeft het hof een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2015. Van de comparitie is proces-verbaal gemaakt.
Bij memorie van grieven, waaraan gehecht een productie, heeft Koole twee grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord, met twee producties, heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Vervolgens heeft Koole een akte uitlating producties genomen, waarna [geïntimeerde] een antwoordakte heeft genomen.
Daarna hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

2 Beoordeling van het hoger beroep

De door de rechtbank in het vonnis van 19 december 2014 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal van die feiten uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

  1. [geïntimeerde], geboren op [datum] 1992, is op 14 februari 2013 een “praktijkovereenkomst beroepsonderwijs” aangegaan met de Stichting voor educatie en beroepsonderwijs Zadkine. In het kader van het hiervoor bedoelde leer/werk-traject is [geïntimeerde] op 18 februari 2013 op grond van een arbeidsovereenkomst voor zes maanden in dienst getreden bij Koole in de functie van Operator autobelading. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Koole (hierna: de CAO) van toepassing. Het loon van [geïntimeerde] bedroeg laatstelijk € 1.721,25 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten.

  2. De door partijen ondertekende brief van 8 februari 2013 met als titel ‘Studieovereenkomst’ luidt, voor zover van belang:
    “(...)
    De medewerker betaalt de volledige studiekosten terug aan de werkgever indien er sprake is van onvoldoende vordering of voortijdige beëindiging van de studie. Bij uitdiensttreding binnen twee jaren na afronding van de opleiding (onafhankelijk of het initiatief van beëindiging ligt bij werkgever of werknemer) geldt de volgende regeling. Indien de werknemer binnen één jaar na beëindiging van de studie het bedrijf verlaat dient hij 100% van alle kosten terug te betalen. Na één jaar dient de werknemer 50% van alle kosten terug te betalen. Twee jaren na afronding van de opleiding hoeft de werknemer niets terug te betalen. Bij uitdiensttreding is het bedrag dat dient te worden terugbetaald direct opeisbaar en zal dit met het laatste loon worden verrekend. Indien dit niet toereikend is zal de medewerker het restant moeten terugbetalen.
    (. . . )”

  3. Artikel 18 van de CAO luidt voor zover thans van belang:
    “(...)
    4. De medewerker betaalt de kosten van zowel de functie gebonden als de niet functie gebonden opleiding terug indien sprake is van onvoldoende vordering, stoppen met de studie of het verlaten van het bedrijf binnen twee jaren na afronding van de opleiding. Indien de medewerker binnen één jaar na beëindiging van de studie het bedrijf verlaat dient hij 100% van de kosten terug te betalen. Na één jaar dient de medewerker 50% van alle kosten terug te betalen. Lopende opleidingen worden bij uitdiensttreding volledig verrekend.
    (...)”

  4. Het functioneren van [geïntimeerde] is op 4 juni 2013 door Koole beoordeeld met gemiddeld een 4,6 op een schaal van 1 tot en met 10.

  5. De brief van Koole aan [geïntimeerde] d.d. 6 juni 2013 luidt voor zover thans van belang:
    “(...) Op dinsdag 4 juni 2013 heeft u een voortgangsgesprek met uw leidinggevenden gevoerd. Wij hebben het tussentijdse beoordelingsformulier ontvangen en zijn erg geschrokken van de matige beoordeling. Op de punten kwaliteit van werk, vaktechnische kennis & leervermogen, zelfstandigheid, resultaatgerichtheid, oordeelsvorming & oplossingsgerichtheid, initiatief & betrokkenheid, flexibiliteit & aanpassingsvermogen, discipline & stressbestendigheid en accuratesse scoort u forse onvoldoendes. Wij zijn erg teleurgesteld in uw functioneren.
    U heeft aangegeven dat u de beoordeling begrijpt en de afspraak gemaakt dat u aan de punten gaat werken. Als aandachtpunt is genoemd dat door concentratieproblemen u niet zelfstandig kan werken en de veiligheid daarbij zelfs in het geding is. Dit baart ons ernstige zorgen.
    Wij maken u erop attent dat uw arbeidscontract op 17 augustus 2013 van rechtswege zal eindigen. Gezien deze beoordeling zijn wij voornemens om het arbeidscontract niet meer te verlengen tenzij u de komende periode op alle genoemde punten sterk verbeterd. Wij maken u erop attent dat bij het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst de gemaakte studiekosten retour moeten worden betaald.
    (...).”

  6. Op 19 juni 2013 heeft een gesprek tussen partijen plaatsgevonden. Het verslag van dit gesprek luidt voor zover thans van belang:
    “(...) [geïntimeerde] heeft een gesprek aangevraagd met de werkgever naar aanleiding van de beoordeling d.d. 4 juni 2013 en de brief van de werkgever d.d. 6 juni 2013. [geïntimeerde] was van mening dat het allemaal goed ging op het werk.
    (…)
    De werkgever stelt dat zij op basis van deze beoordeling het arbeidscontract niet zal verlengen. [geïntimeerde] geeft aan dat zaken hem niet goed zijn uitgelegd en dat om die reden problemen zijn ontstaan. Martijn Joon geeft aan dat een hekje vergeten niets met uitleg te maken heeft, maar met onvoldoende geconcentreerd met het werk bezig zijn.

(…) De reactie op de beoordeling d.d. 4 juni 2013 en de brief d.d. 6 juni 2013 van [geïntimeerde] was nogal defensief. De werkgever geeft aan dat [geïntimeerde] de periode van 19 juni t/m 17 augustus 2013, nog twee maanden, moet gebruiken om te laten zien dat hij wel goed functioneert. In dat geval wordt zijn arbeidscontract alsnog verlengd. [geïntimeerde] meldt dat hij tijdens de beoordeling heeft aangegeven dat hij hieraan gaat werken. De werkgever stelt dat [geïntimeerde] nu meer bezig is met de terugbetaling van zijn studiekosten dan het verbeteren van zijn functioneren. Indien in augustus 2013 blijkt dat het arbeidscontract alsnog wordt verlengd dan zullen de ingehouden termijnen van het studiegeld aan hem worden teruggestort. Begin augustus 2013 zal een tussentijdse beoordeling worden gepland.
moet niet steeds de schuld bij anderen leggen maar de komende twee maanden zijn functioneren verbeteren. Hij zou bijvoorbeeld voorafgaand of aansluitend aan zijn dienst met de leidinggevende kunnen afspreken om in de tankput een ronde te lopen. Ook noteert [geïntimeerde] sinds enige tijd de punten die hem worden uitgelegd in een boekje en op deze wijze kan hij zaken nakijken.
Op dit moment is het vertrouwen bij de werkgever en leidinggevende weg en [geïntimeerde] zal moeten aantonen dat hij wel goed functioneert. Dit kan hij doen door initiatief te tonen, bij twijfel navraag te doen en er voor te zorgen dat hij geen schades meer maakt. [geïntimeerde] heeft het volledig zelf in de hand of zijn arbeidscontract wel of niet wordt verlengd en dient anderen niet de schuld te geven. (...).”

Het functioneren van [geïntimeerde] is op 18 juli 2013 door Koole beoordeeld met gemiddeld een 5,6.

De brief van Koole aan [geïntimeerde] van 19 juli 2013 luidt voor zover thans van belang:
“(...) Naar aanleiding van uw tweede tussentijdse beoordelingsgesprek d.d. 18 juli 2013 zijn wij wederom geschrokken van de onvoldoendes. Ondanks dat uw leidinggevenden hebben aangeven dat u vooruit bent gegaan blijkt u de afgelopen periode niet voldoende te zijn verbeterd om voor een contractverlenging in aanmerking te komen. Wij zullen uw arbeidscontract per 17 augustus 2013 niet meer verlengen. Wij zullen in augustus 2013 de laatste inhouding studiekosten verrekenen met uw eindafrekening. Indien u de opleiding procesoperator niet meer wenst voort te zetten dient u zich zelf uit te schrijven bij het ROC Zadkine.
(…)”

Koole heeft de studiekosten ad € 2.829,51 in drie gelijke termijnen verrekend met het loon van [geïntimeerde] over de maanden juni, juli en augustus 2013.

3 Het oordeel van de kantonrechter

De kantonrechter heeft Koole veroordeeld aan [geïntimeerde] te betalen € 2.979,51 wegens onterechte inhoudingen op het loon in juni, juli en augustus 2013 alsmede de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke verhoging over € 2.829,51 ad 50% en met de wettelijke rente over € 2.829,51 vanaf de opeisbaarheid van de verschillende bedragen. Koole is veroordeeld in de gedingkosten.

4 Beoordeling in hoger beroep

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 18 van de CAO heeft Koole recht op terugbetaling van de studiekosten “indien er sprake is van onvoldoende vordering of voortijdige beëindiging van de studie” en voorts indien de werknemer binnen twee jaar na afronding van de opleiding uit dienst treedt. Vast staat dat dit laatste niet aan de orde is; volgens Koole was sprake van onvoldoende vordering van de studie/de kwaliteit van de werkzaamheden en had zij op die grond recht op terugbetaling van de studiekosten door [geïntimeerde]. De kantonrechter is tot het oordeel gekomen dat Koole naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep kon doen op het studiekostenbeding (geciteerd bij ro. 2.b en 2.c) dat deel uitmaakte van de rechtsverhouding van partijen; dat beroep was onder de gegeven omstandigheden, zo moet het oordeel worden begrepen, onaanvaardbaar. Met grief 1 komt Koole op tegen dit oordeel. Het hof ziet evenwel reden eerst te behandelen hetgeen [geïntimeerde] mede (en kennelijk primair) aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, namelijk dat geen sprake is van onvoldoende vordering van de studie.

4.2.

[geïntimeerde] heeft in dat kader betwist dat sprake was van een onvoldoende vordering van de studie, waarbij hij onder meer heeft betoogd dat de tweede beoordeling (in juli 2013) een duidelijke verbetering kende, waaruit niet bleek dat [geïntimeerde] niet voldeed aan de door Koole gestelde voorwaarden van een voldoende voortgang van de opleiding, en voorts dat Koole geen objectieve toetsingscriteria heeft kenbaar gemaakt (inleidende dagvaarding, onder 12 en 13). Bij de beoordeling van dat betoog stelt het hof voorop dat het (uitsluitend) Koole, als “praktijkbedrijf” was die ingevolge de rechtsrelatie tussen partijen het oordeel zou vellen of [geïntimeerde] voldoende vorderingen maakte. Daarbij kwam Koole vanzelfsprekend een mate van beoordelingsvrijheid toe. Omdat het oordeel dat sprake was van onvoldoende vorderingen in de hiervoor bedoelde zin tot gevolg zou hebben dat [geïntimeerde] studiekosten zou moeten vergoeden aan Koole, diende Koole wel met de nodige zorgvuldigheid te handelen bij de beoordeling van het functioneren van [geïntimeerde]. Die studiekosten van € 2.827,51 over de periode van 18 februari 2013 tot 17 augustus 2013 waren immers, gezien het inkomen van [geïntimeerde] (circa € 1.720,-- bruto per maand), aanzienlijk.

4.3.

Koole heeft niet duidelijk gemaakt welke normen zij nu exact hanteert bij de beoordeling van het functioneren van leerlingen zoals [geïntimeerde] en aan welke eisen [geïntimeerde] (minstens) moest voldoen om te kunnen spreken van “voldoende vordering”, zoals bedoeld in het studiekostenbeding uit de ‘Studieovereenkomst’ en artikel 18 van de CAO. In de ‘Studieovereenkomst’ noch in de CAO is het begrip “voldoende vordering” gedefinieerd, terwijl ook niet gebleken is dat er een toelichting op de CAO is die een dergelijke definitie bevat. Tegen de achtergrond van het door Koole gehanteerde “tussentijds beoordelingsformulier” en de daarin opgenomen cijferschaal van 1 tot en met 10, moet het er bij een uitleg naar objectieve maatstaven voor worden gehouden dat van “voldoende vordering” sprake is als het eindoordeel in het functioneringsformulier een (afgeronde) zes bedraagt.

4.4.

Het is evident dat het functioneren van [geïntimeerde] in de ogen van de beoordelaars begin juni 2013 niet aan de maat was. Het eindoordeel kwam uit op het cijfer 4,6. De kwaliteit van het werk bijvoorbeeld was, volgens de beoordelaars, onvoldoende (cijfer 3), terwijl [geïntimeerde] ook in enkele andere opzichten onvoldoende tot matig presteerde. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Koole er op dat moment een hard hoofd in had dat [geïntimeerde] zijn presteren in de resterende circa twee maanden fors kon verbeteren. Dat zij toen met [geïntimeerde] de afspraak heeft gemaakt om alvast te starten met het terugbetalen van studiekosten, mocht het functioneren van [geïntimeerde] niet ingrijpend verbeteren, is begrijpelijk. Zoals Koole in het gesprek met [geïntimeerde] van 19 juni 2013 heeft medegedeeld wenste zij zo te voorkomen dat [geïntimeerde] in of na augustus 2013, als de relatie beëindigd zou worden, in betalingsproblemen zou komen.
In datzelfde gesprek heeft Koole, zo blijkt wederom uit het door haar gemaakte verslag, gezegd dat [geïntimeerde] nog twee maanden de gelegenheid zou hebben om te laten zien dat hij wel goed kon functioneren, door initiatief te tonen, bij twijfel navraag te doen en geen schades meer te veroorzaken. Kortom, deze beoordeling was nadrukkelijk niet een eindbeoordeling; [geïntimeerde], zo concludeert het hof, mocht er op vertrouwen dat hij zich in de resterende periode zou kunnen verbeteren, ook al werd met het terugbetalen van de door Koole voor [geïntimeerde] betaalde studiekosten een aanvang gemaakt.

4.5.

Op verzoek van [geïntimeerde] heeft op 18 juli 2013 wederom een beoordeling plaatsgevonden. Deze tweede beoordeling is, mede gelet op de teksten bij de cijfermatige beoordeling, aanzienlijk beter dan de eerste beoordeling van 4 juni 2013. Ondanks de positieve teksten (“werkt zorgvuldiger”, “meer aandacht voor het werk”, “neemt nieuwe informatie beter op”) blijft het oordeel over de ‘kwaliteit van het werk’ steken op het cijfer vijf. Dat geldt ook voor de competentie ‘oordeelsvorming/beslissingsgerichtheid’, waar de tekst de indruk geeft dat een stap voorwaarts is gezet door [geïntimeerde] (“weegt informatie op basis van relevante criteria”). De overige competenties scoren alle (nipt) voldoende (vijf en een half, zes en zes en een half), terwijl ook bij de overige beoordeelde onderdelen vrij positieve handgeschreven commentaren zijn vermeld. Het eindoordeel komt dit keer uit op 5,6.

4.6.

Met inachtneming van de zojuist behandelde uitleg van het studiekostenbeding uit de ‘Studieovereenkomst’ en artikel 18 van de CAO, komt het hof tot het oordeel dat deze beoordeling bevestigt dat [geïntimeerde] voldoende vordering(en) heeft geboekt. Over de volle breedte heeft hij immers een, weliswaar magere, afgeronde voldoende (5,6 wordt afgerond tot: zes) gescoord. Die conclusie wordt nog versterkt door de constatering dat uit niets blijkt dat [geïntimeerde] in de drie op 19 juni 2013 expliciet aan de orde gestelde verbeterpunten (initiatief tonen, bij twijfel navraag doen, geen schades veroorzaken) geen progressie heeft geboekt; de tekst van het beoordelingsformulier doet eerder het tegendeel vermoeden. Met dit eindoordeel en de puntsgewijze motivering is niet, en zeker niet zonder een nadere deugdelijke motivering – die ontbreekt – te rijmen de opmerking van de beoordelaar dat de vooruitgang van [geïntimeerde] onvoldoende zou zijn.

4.7.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat in dit geval niet is voldaan aan de in de ‘Studieovereenkomst’ en artikel 18 van de CAO verbonden voorwaarde voor het ontstaan van een vorderingsrecht tot terugbetaling van studiekosten. Dit oordeel brengt met zich dat zelfs al zou grief 1 van Koole slagen, het beroep van [geïntimeerde] gedaan bij dagvaarding (zie met name nrs 12 en 13), namelijk dat de voorwaarde voor het ontstaan van de verplichting tot terugbetaling niet is vervuld, alsnog gegrond wordt bevonden.

4.8.

Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de afspraak die Koole met [geïntimeerde] in juni 2013 heeft gemaakt over het terugbetalen van studiekosten niet aan de terugvordering van door Koole op het loon ingehouden bedragen wegens studiekosten, in de weg staat.

4.9.

De afspraak die partijen in juni 2013 hebben gemaakt om al te beginnen met het terugbetalen van studiekosten, in drie tranches, kan niet worden gezien als een expliciete of impliciete erkenning van [geïntimeerde] dat hij gehouden was de voor hem gemaakte studiekosten te restitueren. Duidelijk is dat [geïntimeerde] medewerking heeft verleend aan het reeds vanaf juni 2013 terugbetalen van studiekosten onder de voorwaarde dat hij er niet in zou slagen zijn presteren te verbeteren voor het einde van de overeenkomst, medio augustus 2013. Dat sprake zou zijn van een onvoorwaardelijke afspraak over het terugbetalen van de studiekosten blijkt niet uit de feiten en omstandigheden zoals die in dit geding naar voren zijn gekomen. Grief 2 strandt daarom evenzeer.

4.10.

Het gevolg van het voorgaande is dat het vonnis van de kantonrechter, deels op basis van een andere argumentatie, zal worden bevestigd, terwijl Koole wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5 Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, tussen partijen onder zaaknummer 3162792/CV EXPL 14-28777 gewezen op 19 december 2014;

  • -

    veroordeelt Koole in de gedingkosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 311,-- wegens verschotten en op € 1.264,-- wegens salaris advocaat (2 punten volgens tarief I).

Dit arrest is gewezen door mrs. H.J. Vetter, F. Damsteegt-Molier en J. Montijn, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 augustus 2016 in aanwezigheid van de griffier.