Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2383

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
12-08-2016
Zaaknummer
200.193.520/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Hof acht uithuisplaatsing onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0211
RFR 2016/138

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 10 augustus 2016 (bij vervroeging)

Zaaknummer : 200.193.520/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 15-1673 & JE RK 16-926

Zaaknummer rechtbank : C/09/495107 & C/09/510710

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.B. van Waesberghe-Janssen te Zoetermeer,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te [locatie] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad,

en

de Stichting Jeugdbescherming [locatie] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

de pleegouders van de hierna te noemen minderjarige [minderjarige] ,

wonende op een bij de gecertificeerde instelling bekend adres,

hierna te noemen: de pleegouders.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 17 juni 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 24 mei 2016 van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag.

De raad heeft op 22 juli 2016 een verweerschrift ingediend.

De gecertificeerde instelling heeft eveneens op 22 juli 2016 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

 op 5 juli 2016 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

 op 28 juli 2016 een brief van 27 juli 2016 met bijlagen;

 op 28 juli 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 29 juli 2016 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. M.D.A. de Bruijn, kantoorgenoot van haar advocaat;

  • -

    [naam] namens de raad;

  • -

    [naam] en [naam] namens de gecertificeerde instelling.

De pleegouders zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de gecertificeerde instelling gemachtigd de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige), gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 25 mei 2016 tot 25 juli 2016. Voorts is – met wijziging van de beschikking van 9 november 2015 van de rechtbank Den Haag – vastgesteld dat de moeder een keer per drie weken een begeleid bezoek heeft met de minderjarige voor de duur van een uur. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

  • -

    de minderjarige is op 2 juni 2015 met instemming van de moeder in een crisispleeggezin geplaatst;

  • -

    de minderjarige is bij beschikking van 7 september 2015 van de rechtbank Den Haag voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling geplaatst voor de periode van 9 september 2015 tot 25 november 2015 en de gecertificeerde instelling is bij diezelfde beschikking gemachtigd de minderjarige gedurende de voorlopige ondertoezichtstelling uit huis te plaatsen in een crisisvoorziening;

  • -

    de minderjarige verblijft sinds 8 september 2015 in een perspectiefbiedend pleeggezin;

  • -

    op 9 oktober 2015 heeft de gecertificeerde instelling de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven, inhoudende dat er eens in de vier weken onder begeleiding van een professional gedurende één uur omgang tussen de moeder en de minderjarige plaats zal vinden;

  • -

    bij beschikking van 9 november 2015 van de rechtbank Den Haag is de schriftelijke aanwijzing van 9 oktober 2015 vervallen verklaard en bepaald dat de omgang tussen de minderjarige en de moeder wekelijks gedurende één dagdeel (4 uur) onder begeleiding van [naam] zal plaatsvinden;

  • -

    bij beschikking van 17 november 2015 van de rechtbank Den Haag is de minderjarige van 25 november 2015 tot 25 november 2016 onder toezicht van de gecertificeerde instelling gesteld en is de gecertificeerde instelling gemachtigd de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 25 november 2015 tot 25 januari 2016.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de uithuisplaatsing van de minderjarige voor de periode van 25 mei 2016 tot 25 juli 2016 in een voorziening voor pleegzorg en de wijziging van de contactregeling.

2. De moeder verzoekt het hof om, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

primair het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing van de minderjarige af te wijzen;

subsidiair het verzoek tot verlening van de uithuisplaatsing toe te wijzen met als voorwaarde dat daarbij toegewerkt wordt naar een definitieve terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder thuis;

en indien het primaire verzoek wordt afgewezen, het verzoek om de contactregeling te beperken tot eenmaal in de drie weken een uur af te wijzen en vast te stellen op eenmaal per week twee uren,

althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

3. De raad verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De gecertificeerde instelling verweert zich tegen de verzoeken van de moeder.

De uithuisplaatsing

5. De moeder stelt dat er geen gronden zijn voor een uithuisplaatsing en voert daartoe het volgende aan. De moeder staat open voor hulpverlening en wil graag met die hulpverlening in de thuissituatie voor de minderjarige zorgen. De moeder wijst er daarbij uitdrukkelijk op dat er geen wetenschappelijk verantwoord en onafhankelijk onderzoek is gedaan naar de beweerde ontbrekende pedagogische vaardigheden, noch naar de beweerde beperkte leerbaarheid van de moeder, ondanks uitdrukkelijke adviezen van de raad en rechtbank daartoe. De moeder stelt dat zij ook geen eerlijke kans heeft gekregen om te laten zien dat zij voor de minderjarige zorg kan dragen, voldoende leerbaar is en haar pedagogische vaardigheden kan ontwikkelen. Alle contacten tussen de moeder en de minderjarige worden begeleid en vinden plaats in een omgeving waar de moeder zich niet thuis voelt. De moeder is daardoor erg gespannen tijdens de contactmomenten. De moeder betwist voorts dat de bevindingen van de gezinscoaches naadloos zouden aansluiten bij hetgeen eerder door de raad en de gecertificeerde instelling is geconstateerd. De raad constateerde eerder nu juist dat onderzoek gedaan moest worden naar de leerbaarheid en pedagogische vaardigheden van de moeder en de observaties van de gezinscoaches kunnen niet gelijk worden gesteld aan een dergelijk onafhankelijk, wetenschappelijk onderzoek. De door de gezinscoaches getrokken conclusies zijn veel te verstrekkend en onjuist, en de gezinscoaches zijn niet gekwalificeerd om dergelijke conclusies te trekken, aldus de moeder. Omdat de moeder in de beperkte hoeveelheid contactmomenten die haar met de minderjarige vergund waren bovendien weinig kans kreeg om zelf structuur en regelmaat aan te brengen of eigen initiatief te tonen, had de rechtbank niet mogen concluderen dat zij daartoe niet in staat zou zijn. Omdat het niet tot de opdracht van de gezinscoaches behoorde om de moeder met de minderjarige alleen te laten – hun opdracht behelsde het begeleiden en observeren van de omgang en daarvan verslag uitbrengen – had de rechtbank niet mogen concluderen dat de gezinscoaches haar – wegens de gebrekkige emotie- en spanningsregulatie van de moeder – niet alleen durfden te laten met de minderjarige. Tot slot stelt de moeder dat de rechtbank vooruitloopt op onderzoeksresultaten, door te stellen alleen een opname bij [naam] te overwegen als zij het vertrouwen zou hebben dat een dergelijke opname tot positieve resultaten zou leiden. Onderzoek – bijvoorbeeld middels een moeder-kind-opname – is juist noodzakelijk om te voorkomen dat er vooruitgelopen wordt op en gehandeld wordt naar een onderbuikgevoel. Dat klemt temeer daar gebleken is dat het onderbuikgevoel van de gecertificeerde instelling niet altijd betrouwbaar is. Immers, aangenomen werd dat de moeder één of meerdere persoonlijkheidsstoornissen zou hebben, dan wel aan autisme zou leiden, welke aannames na uitvoerig onderzoek door [naam] onjuist zijn gebleken.

6. De raad verweert zich daartegen als volgt. Het eerder door de raad voorgestane onderzoekstraject is helaas niet haalbaar gebleken. Uit de verslagen van de begeleide bezoeken constateert de raad echter dat de moeder onvoldoende groei heeft laten zien in haar opvoedingsvaardigheden. Het feit dat de gecertificeerde instelling nooit de afweging heeft gemaakt over te gaan op onbegeleide bezoeken, zegt in de optiek van de raad iets over de beperkte opvoedvaardigheden van de moeder en de zorgen die er zijn over de veiligheid van de minderjarige. De raad meent dat een wetenschappelijk onderzoek niet tot nieuwe inzichten zal leiden.

7. De gecertificeerde instelling stelt dat de gronden voor een machtiging uithuisplaatsing aanwezig zijn en voert daartoe het volgende aan. De moeder heeft te weinig inzicht, er is sprake van onvoldoende emotieregulatie en van alcoholafhankelijkheid. De moeder is een lieve, betrokken moeder die heel erg haar best doet, maar de gecertificeerde instelling heeft moeten constateren dat het haar niet lukt. De moeder is niet in staat de tips en aanwijzingen die zij krijgt toe te passen, noch om te anticiperen op de ontwikkeling van de minderjarige. De gecertificeerde instelling ziet de liefde van moeder en wilskracht om te willen leren en constateert dat de moeder zeer bereid is om alle hulp te aanvaarden om te zorgen dat zij voor minderjarige kan zorgen, ook indien dat hulpverlening voor persoonlijke problematiek behelst, maar ziet daarnaast dat moeder tekort schiet in pedagogische vaardigheden. De gecertificeerde instelling ziet – ook na een eventueel traject bij [naam] – geen mogelijkheden tot thuisplaatsing van de minderjarige.

8. Het hof overweegt als volgt. De periode waarvoor de op grond van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan de gecertificeerde instelling verleende machtiging is gegeven, is inmiddels verstreken. Naar aanleiding van de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak S.T.S. tegen Nederland van 7 juni 2011, no. 277/05, is de Hoge Raad bij beschikking van 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2292, teruggekomen van zijn 'geen-belang'-rechtspraak, in zoverre dat aan degene die een rechtsmiddel instelt tegen een tijdelijke maatregel als gevolg waarvan hem zijn vrijheid is ontnomen, zijn procesbelang niet behoort te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor die maatregel gold, inmiddels is verstreken. In het verlengde van deze beschikking wordt ook in gevallen als het onderhavige, waarin een ouder opkomt tegen een uithuisplaatsing van een minderjarig kind, aangenomen dat deze ouder, gelet op het door artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op eerbiediging van zijn of haar gezinsleven, een rechtens relevant belang erbij heeft om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing te laten toetsen, en behoort aan deze ouder mitsdien niet zijn of haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken (ECLI:NL:HR:2011:BR5151).

9. Het hiervoor onder 8 overwogene leidt ertoe dat het hof thans uitsluitend de rechtmatigheid van de bij bestreden beschikking verleende machtiging uithuisplaatsing kan onderzoeken.

10. Naar het oordeel van het hof had op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting door de rechtbank niet geconcludeerd mogen worden dat de gronden voor een uithuisplaatsing aanwezig zijn. Het hof overweegt daartoe als volgt. De noodzaak voor de machtiging uithuisplaatsing is ontleend aan de stellingen van de gecertificeerde instelling, terwijl die stellingen niet concreet zijn onderbouwd en daaraan geen deugdelijk onderzoek ten grondslag ligt. Uit psychodiagnostisch onderzoek van de moeder is bovendien gebleken dat – anders dan de gecertificeerde instelling vermoedde – niet is voldaan aan de DSM criteria voor een persoonlijkheidsstoornis, noch aan de criteria voor een autismespectrumstoornis. De gecertificeerde instelling zet daartegenover weliswaar observaties van diverse personen, maar die zijn geen van allen gekwalificeerd om een diagnose te stellen.

11. Het hof neemt voorts in aanmerking dat de moeder heeft aangetoond dat zij in het belang van de minderjarige kan denken en handelen, door kort na de geboorte van de minderjarige in te stemmen met een vrijwillige uithuisplaatsing, omdat zij inzag dat zij op dat moment de zorg voor de minderjarige niet aankon. Ook nadien, toen de moeder constateerde dat vier uur aaneensluitend contact te belastend voor de minderjarige was, heeft de moeder de belangen van de minderjarige voor haar eigen belang gesteld.

12. De raad constateert in zijn rapport 7 januari 2016 dat de gezinsvoogd en de pleegzorgmedewerker onvoldoende bij machte lijken te zijn om hun stelligheid los te laten en zodoende de moeder een eerlijke kans te geven om te laten zien of zij uiteindelijk opvoedingsverantwoordelijkheid zal kunnen dragen. Daardoor ligt het gevaar van een tunnelvisie en daarmee een selffulfilling prophecy op de loer, aldus de raad. Het hof acht het onbegrijpelijk dat de raad op dit standpunt uit januari jl. is teruggekomen, uitsluitend op basis van het feit dat de medewerkers van de gecertificeerde de moeder niet alleen met de minderjarige hebben gelaten. Het vorenstaande acht het hof een flinterdunne, ondoorzichtige en onduidelijke motivering van de zijde van de raad. Met name in zaken waarin diep ingegrepen wordt in het family life mag ook van de raad worden verlangd dat hij zijn visie met betrekking tot de belanghebbenden deugdelijk en inzichtelijk motiveert. Het kan niet zo zijn dat eerst gekomen wordt tot de conclusie dat er sprake zou zijn van tunnelvisie en vervolgens zonder grondige motivering daarvan wordt afgestapt.

13. Het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien, brengt het hof tot de conclusie dat de gronden voor de uithuisplaatsing onvoldoende blijken uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting, zodat de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing zonder nader deugdelijk, wetenschappelijk onderzoek naar de (persoonlijkheid, opvoedingsvaardigheden en leerbaarheid van de) moeder, indien nodig in samenhang met onderzoek naar haar wijze van benadering van de minderjarige, naar het oordeel van het hof onrechtmatig is geweest. Dit klemt temeer daar de minderjarige die na zijn geboorte mede op initiatief van zijn moeder die vanwege een langdurige ziekenhuisopname toen niet voor hem kon zorgen in een crisispleeggezin is geplaatst, drie maanden later al in een perspectiefbiedend pleeggezin is geplaatst, hetgeen impliceert dat de band tussen ouder en kind blijvend verbroken zal worden. Onder deze omstandigheden is zulks naar het oordeel van het hof in strijd met artikel 8 EVRM en artikel 3 Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).

De contactregeling

14. De moeder stelt dat als het dan al zo zou moeten zijn dat de minderjarige niet bij zijn eigen moeder opgroeit, maar in een pleeggezin, er dan in ieder geval naar gestreefd zal moeten worden om de minderjarige zijn eigen moeder te laten leren kennen en een band met haar op te laten bouwen. Eenmaal per drie weken een uur contact is daartoe te weinig. De moeder wijst er voorts op dat de minderjarige ook iedere week naar de crèche gaat en er een oppas voor hem wordt ingeschakeld, zonder dat dat tot noemenswaardige problemen voor zijn rust en zijn hechting aan de pleegouders leidt. De moeder stelt dat wekelijks contact in het belang van de minderjarige is, en verzoekt de contactregeling vast te stellen op een wekelijks begeleid bezoek voor de duur van twee uren.

15. De gecertificeerde instelling verweert zich daartegen en stelt dat het niet in het belang van de minderjarige is om intensieve begeleide omgang te hebben met zijn moeder. De gecertificeerde instelling voert daartoe aan dat de moeder te weinig lerend is gebleken qua pedagogische vaardigheden, geen inzicht heeft, geen veiligheid biedt, een gebrekkige emotie- en spanningsregulatie heeft, alcoholafhankelijk is en lijdt aan een stemmingsstoornis. Hierdoor is de moeder onvoldoende in staat om de minderjarige veiligheid te bieden, hetgeen zijn ontwikkeling belemmert. Uit de door de gedragswetenschapper ingevulde checklist komt naar voren dat onder deze omstandigheden, in samenhang met de jonge leeftijd van de minderjarige, de welwillendheid van de pleegouders en de geringe emotionele relatie van de moeder met de minderjarige, naar voren is gekomen dat gemiddeld genomen een contactregeling van eens per zes weken zou worden geadviseerd.

16. Het hof overweegt als volgt. Zoals hiervoor overwogen, staat naar het oordeel van het hof niet vast dat het perspectief van de minderjarige niet bij de moeder ligt. Naar het oordeel van het hof bestaat derhalve geen noodzaak voor inperking van het contact tussen de moeder en de minderjarige. Integendeel: een eventuele thuisplaatsing zal beter verlopen als de tussen de moeder en de minderjarige opgebouwde band zoveel mogelijk gestimuleerd en behouden blijft. Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking dat de door de gecertificeerde instelling naar voren gebrachte contra-indicaties niet uit enig diagnostisch onderzoek blijken, maar slechts berusten op vermoedens van de gecertificeerde instelling. Het hof zal om die reden de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarin de contactregeling is vastgesteld en bepalen dat er eens per week een begeleid contact voor de duur van twee uren dient plaats te vinden.

17. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

stelt vast dat de bij bestreden beschikking verleende verlenging van de machtiging uithuisplaatsing onrechtmatig is geweest;

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin de contactregeling is vastgesteld inhoudende dat de moeder een keer per drie weken een begeleid bezoek heeft met de minderjarige voor de duur van een uur en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de moeder een keer per week een begeleid bezoek heeft met de minderjarige voor de duur van twee uur;

verklaart deze contactregeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, A.H.N. Stollenwerck en
B. Breederveld, bijgestaan door mr. R.S. Hogendoorn-Matthijssen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 augustus 2016.