Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2376

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2016
Datum publicatie
11-08-2016
Zaaknummer
2200130815
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich als medeplichtige schuldig gemaakt aan het telen van hennep door enkele rekeningen ter zake van de huur en energielevering ten behoeve van het pand waarin zich de hennepkwekerij bevond, te betalen. Tevens heeft hij zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van cocaïne, aan opzetheling van een kogelvrijvest en het voorhanden hebben van munitie.

Mede gezien de relatieve ouderdom van de feiten veroordeelt het hof de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, subsidiair 80 (tachtig) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-001308-15

Parketnummer: 09-141137-14

Datum uitspraak: 11 augustus 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 9 maart 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1976,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 28 juli 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij, als nader in het vonnis waarvan beroep is omschreven.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2012 tot en met 1 oktober 2012 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres A]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1522 gram hennep en/of ongeveer 54 (vrouwelijke) hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2012 tot en met 1 oktober 2012 te 's-Gravenhage met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan [adres A]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1522 gram hennep en/of ongeveer 54 (vrouwelijke) hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 augustus 2012 tot en met 1 oktober 2012 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen en/of de huur voor dat pand te betalen en/of de energierekening voor dat pand te betalen;

2.
hij op of omstreeks 23 april 2013 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 33 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.
hij op of omstreeks 23 april 2013 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, een kogelvrijvest heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat kogelvrijvest wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

4.
hij op of omstreeks 23 april 2013 te 's-Gravenhage een of meer munitie van categorie III, te weten 101 (diverse) hagelpatronen en/of 34 revolver munitie (kaliber 38 special), voorhanden heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2012 tot en met 1 oktober 2012 te 's-Gravenhage met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan [adres A]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1522 gram hennep en/of ongeveer 54 (vrouwelijke) hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 augustus 2012 tot en met 1 oktober 2012 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen en/of de huur voor dat pand te betalen en/of de energierekening voor dat pand te betalen;

2.
hij op of omstreeks 23 april 2013 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 33 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.
hij op of omstreeks 23 april 2013 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, een kogelvrijvest heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat kogelvrijvest wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

4.
hij op of omstreeks 23 april 2013 te 's-Gravenhage een of meer munitie van categorie III, te weten 101 (diverse) hagelpatronen en/of 34 revolvermunitie (kaliber 38 special), voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging ter zake van feit 1

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging betoogd dat de verdachte nimmer in het pand aan [adres A] is geweest en derhalve ook nooit op de hoogte is geweest van het feit dat zich in dat pand een hennepplantage bevond. Weliswaar werden door hem enkele huur- en energierekeningen betaald, maar hij heeft dit naar zijn zeggen gedaan om een dakloze vriend, genaamd [persoon 1], te helpen. Bovendien was hij niet op de hoogte van het feit dat deze vriend in dit pand verbleef. De verhuurder van het pand heeft de verdachte naar zijn zeggen nooit ontmoet.

Het hof stelt op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

- de verdachte heeft in de periode van 27 juli 2012 tot en met 7 augustus 2012 via zijn bankrekening vier maal betalingen gedaan ter zake van de huur en energielevering ten behoeve van het pand aan [adres A], in welk pand een hennepkwekerij is aangetroffen en waarin een vriend van de verdachte, [persoon 1], kennelijk verbleef;

- in de contactenlijst van een telefoon die werd aangetroffen in het betreffende pand komt de naam [naam X] voor met het telefoonnummer [telefoonnummer 1];

- het telefoonnummer van deze [naam X] heeft in de betreffende periode meermalen contact gehad met telefoon van de verhuurder van het pand;

- tijdens dit telefooncontact hoorde de verhuurder van het pand dat de persoon aan de andere kant van de lijn opnam met de naam [naam XX], zijnde de voornaam van de verdachte;

- ten behoeve van contact met de huurder(s) over de huur van het pand had de verhuurder het telefoonnummer [telefoonnummer 1] doorgekregen;

- de verhuurder heeft via dit telefoonnummer een afspraak gemaakt voor een ontmoeting met de persoon aan de andere kant van de lijn en ontmoette daarop de verdachte.

Het hof acht de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij niet degene is geweest die de verhuurder van het pand heeft ontmoet en dat hij ook nimmer in het pand aanwezig is geweest, niet aannemelijk.

Tegenover de enkele verklaring van de verdachte die verder geen steun vindt in het dossier staat immers de onderbouwde verklaring van de verhuurder van het pand. Deze heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat (i) hij de verdachte heeft herkend als degene die hij in het pand heeft gezien en in verband met de betaling van huur van het pand heeft ontmoet, (ii) hij bij enkele telefoongesprekken via eerder vermeld telefoonnummer [telefoonnummer 1] de stem van de verdachte heeft herkend en (iii) de verdachte heeft ontmoet in een café aan [adres C], toen deze, zoals afgesproken was, achterstallige huur contant aan hem heeft betaald.

Het hof heeft geen aanleiding om aan die verklaringen van de verhuurder, afgelegd onder ede, ter terechtzitting in het bijzijn van de verdachte, te twijfelen.

Het vorenstaande, in onderling verband en in samenhang bezien, leidt het hof tot de slotsom dat de verdachte degene is geweest die in het pand aan [adres A] is waargenomen door de verhuurder; dat deze met hem, verdachte, afspraken heeft gemaakt omtrent de betaling van de huur van het pand en dat deze huur vervolgens – tenminste deels - door de verdachte is betaald.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op de wijze zoals is bewezen verklaard opzettelijk behulpzaam is geweest bij de hennepteelt in het pand aan [adres A] te Den Haag.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

opzetheling.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, met een proeftijd van 2 jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich als medeplichtige schuldig gemaakt aan het telen van hennep door enkele rekeningen ter zake van de huur en energielevering ten behoeve van het pand waarin zich de hennepkwekerij bevond, te betalen. Tevens heeft hij zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van cocaïne. Aldus handend heeft de verdachte bijgedragen aan de productie van verdovende middelen. Hij heeft zich daarbij laten leiden door financieel gewin en geen oog gehad voor de risico’s voor de volksgezondheid en de schade voor de samenleving die uit de handel in en het gebruik van dergelijke middelen kunnen voortvloeien.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een kogelvrijvest. Heling bevordert het plegen van vermogensdelicten, levert indirect een hinderlijke aantasting op van het eigendomsrecht van anderen en brengt aldus naast financiële schade ook ergernis en overlast met zich mee.

Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van munitie. Het ongecontroleerde bezit daarvan moet vanwege de dreiging en het gevaar die van het bezit uitgaan, worden bestreden.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 juli 2016, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder voor Opium-, wapen- en vermogensdelicten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Mede gezien de relatieve ouderdom van de feiten is het hof – alles overwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde tot een bedrag van € 8.605,80, te vermeerderen met de wettelijke rente. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 9, 22c, 22d, 48, 57, 63 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman, mr. S. van Dissel en mr. Th.P.L. Bot, in bijzijn van de griffier mr. N.R. Achterberg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 augustus 2016.