Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2344

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
04-08-2016
Zaaknummer
K15/0341
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Klager stelt zich op het standpunt dat beklaagde zich bij herhaling schuldig heeft gemaakt aan ontoelaatbaar onderscheid op grond van geslacht door op Moederdagen in 2014 en 2015 uitsluitend aan moeders een gratis kop koffie aan te bieden.

Nu niet gebleken is van strafbaar handelen als bedoeld in artikel 429quater van het Wetboek van strafrecht en ook het klaagschrift geen enkel aanknopingspunt biedt voor een redelijk vermoeden dat beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare discriminatie, is het beklag kennelijk ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

raadkamer beklagzaken

BESCHIKKING

gegeven op het beklag, op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[klager],

klager.

1 Het beklag

Het klaagschrift is op 1 juli 2015 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Den Haag om [beklaagde], beklaagde, niet te vervolgen ter zake van discriminatie in ambt, beroep of bedrijf, als bedoeld in artikel 429quater van het Wetboek van Strafrecht.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 20 mei 2016 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3 De stukken betreffende het beklag

Het hof heeft, behalve van de reeds genoemde stukken, onder meer kennisgenomen van het ambtsbericht van de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie te Den Haag van 3 mei 2016.

4 De behandeling van het klaagschrift

In verband met toepassing van artikel 12c van het Wetboek van Strafvordering is nader onderzoek in raadkamer achterwege gebleven en zijn betrokkenen niet opgeroepen.

5 De feiten

Klager heeft op 8 mei 2014 en op 7 mei 2015 bij het openbaar ministerie te Den Haag aangifte gedaan tegen beklaagde ter zake van discriminatie in ambt, beroep of bedrijf, als bedoeld in artikel 429quater van het Wetboek van Strafrecht. Klager stelt zich op het standpunt dat beklaagde zich bij herhaling schuldig heeft gemaakt aan ontoelaatbaar onderscheid op grond van geslacht door op Moederdagen in 2014 en 2015 uitsluitend aan moeders een gratis kop koffie aan te bieden.

Klager verwijst daarbij naar een in deze kwestie door Het College voor de Rechten van de Mens op 16 december 2013 uitgesproken oordeel dat sprake is een verboden onderscheid op grond van geslacht met het aanbod op Moederdag 2013 uitsluitend moeders een gratis kopje koffie aan te bieden.

6 De beoordeling van het beklag

Het hof stelt vast dat beklaagde in voormeld aanbod onderscheid heeft gemaakt tussen moeders en niet-moeders, hetgeen niet identiek is aan een onderscheid tussen mannen en vrouwen.

Daargelaten het voorgaande overweegt het hof als volgt.

Ingevolge artikel 90quater van het Wetboek van Strafrecht wordt onder strafbare discriminatie verstaan “elke vorm van onderscheid, elke uitsluiting, beperking of voorkeur, die ten doel heeft of ten gevolge kan hebben dat de erkenning, het genot of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt teniet gedaan”.

Op grond van de vormgeving en de inhoud van de advertentie c.q. ‘waardebon’ in de nieuwsbrief van beklaagde stelt het hof vast dat het door beklaagde gratis aanbieden van een kopje koffie aan moeders op Moederdag, is bedoeld als een vriendelijk gebaar op de jaarlijkse Moederdag waarop moeders ‘in het zonnetje’ worden gezet.

Het hof is – met het openbaar ministerie – van oordeel dat hoewel met dit gebaar onderscheid wordt gemaakt tussen moeders en niet-moeders, dit niet valt aan te merken als een bij wet strafbaar gesteld onderscheid, nu door deze actie de rechten van de mens noch de fundamentele vrijheden als bedoeld in voormeld artikel 90quater van het Wetboek van Strafrecht worden geraakt.

Het oordeel van het College voor de rechten van de mens is gebaseerd op de Algemene wet gelijke behandeling. De eventuele strafbaarheid van het handelen van beklaagde is daarbij niet aan de orde.

Nu niet gebleken is van strafbaar handelen als bedoeld in artikel 429quater van het Wetboek van strafrecht en ook het klaagschrift geen enkel aanknopingspunt biedt voor een redelijk vermoeden dat beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare discriminatie, is het beklag kennelijk ongegrond, zodat met toepassing van artikel 12c van moet worden beslist als volgt.

7 De beslissing

Het hof:

Verklaart het beklag ongegrond.

Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 3 augustus 2016 door mr. J.W. Wabeke, voorzitter, mr. A. de Lange en mr. Th.P.L. Bot, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.F.F. van Rede-van den Bosch, griffier, en is ondertekend door de voorzitter.

De griffier is buiten staat deze beschikking te ondertekenen.