Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2331

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
04-08-2016
Zaaknummer
2200132916
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft de voordeur van de huurwoning van zijn vriendin beschadigd. Hij probeerde haar woning binnen te komen terwijl zij hem niet wilde binnenlaten. De verdachte heeft vervolgens zijn woede tegen de ter plaatse gekomen politie gericht. Terwijl de politie de trap op kwam, heeft de verdachte een klinker van bijna 4 kilo naar beneden gegooid. Deze steen had op het hoofd van een verbalisant kunnen komen. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan poging tot doodslag.

Verder heeft de verdachte ruim 125 gram cocaïne voorhanden gehad.

Tenslotte heeft de verdachte een pistool met bijbehorende munitie en een stroomstootwapen voorhanden gehad.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren onder de in het arrest genoemde algemene en bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-001329-16

Parketnummer: 10-700525-15

Datum uitspraak: 3 augustus 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[de verdachte],

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op

[geboortedatum] 1983,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 20 juli 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, onder de bijzondere voorwaarden als omschreven in het vonnis waarvan beroep. De benadeelde partijen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding. Ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp is bewaring gelast ten behoeve van de rechthebbende.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 26 november 2015 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een klinker, althans steen (met een gewicht van ongeveer 3,98 kilogram) (vanuit een trapportaal/trapgat) (naar beneden) in de richting van die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] heeft gegooid, althans laten vallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 november 2015 te Rotterdam [verbalisant 2] en/of [verbalisant 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een klinker, althans steen (met een gewicht van ongeveer 3,98 kilogram) (vanuit een trapportaal/trapgat) (naar beneden) in de richting van die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] gegooid, althans laten vallen;

2.


hij op of omstreeks 26 november 2015 te Rotterdam een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (merk CZ, kaliber 7,65 mm), en/of (voor dat pistool geschikte) munitie van categorie III, te weten vier, althans één of meer kogelpatro(o)n(en) (merk Sellier & Bellot) en/of vijf, althans één of meer kogelpatro(o)n(en) (merk Geco), voorhanden heeft gehad;

3.


hij op of omstreeks 26 november 2015 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 16,4 en/of 108,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.


hij op of omstreeks 26 november 2015 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een deur van de woning aan de [adres], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

5.


hij op of omstreeks 26 november 2015 te Rotterdam (een) wapen(s) van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp (stroomstootwapen in de vorm van een zaklamp) waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op of omstreeks 26 november 2015 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een klinker, althans steen (met een gewicht van ongeveer 3,98 kilogram) (vanuit een trapportaal/trapgat) (naar beneden) in de richting van die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] heeft gegooid, althans laten vallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.


hij op of omstreeks 26 november 2015 te Rotterdam een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (merk CZ, kaliber 7,65 mm), en/of (voor dat pistool geschikte) munitie van categorie III, te weten vier, althans één of meer kogelpatro(o)n(en) (merk Sellier & Bellot) en/of vijf, althans één of meer kogelpatro(o)n(en) (merk Geco), voorhanden heeft gehad;

3.


hij op of omstreeks 26 november 2015 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 16,4 en/of 108,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.


hij op of omstreeks 26 november 2015 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een deur van de woning aan de [adres], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

5.


hij op of omstreeks 26 november 2015 te Rotterdam (een) wapen(s) van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp (stroomstootwapen in de vorm van een zaklamp) waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsmotivering

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van de verbalisanten, omdat hij niet heeft gegooid om de verbalisanten te raken maar om hen op afstand te houden. De verdachte heeft daarover ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de steen op enige afstand van de agenten heeft gegooid.

Het hof is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de opzet van de verdachte was gericht op de dood van [verbalisant 2] en/of [verbalisant 1].

In verband met de vraag of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet stelt het hof het volgende voorop.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten (vgl. HR 25 maart 2003, NJ 2003, 552).

Het hof overweegt het volgende.

De verdachte was boos, agressief en dronken. In die toestand heeft hij van een hoger gelegen verdieping in een nauw portiek bovenhands met kracht een klinker van ongeveer 20 bij 10 centimeter met een gewicht van 3,98 kilo naar beneden gegooid. De opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1] kwamen op dat moment naar boven lopen. De klinker kwam volgens [verbalisant 2] terecht op een plaats waar hij even daarvoor had gestaan.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de hiervoor omschreven omstandigheden, ten aanzien van verbalisant [verbalisant 2], die voorop liep, naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans bestond dat hij met de klinker op zijn hoofd zou worden geraakt en dat dit de dood tot gevolg zou hebben.

Het kan als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd dat door middel van het gooien van een klinker van 3,98 kilo tegen het hoofd van een persoon dodelijk letsel aan die persoon kan worden toegebracht.

Het hof is van oordeel dat de verdachte moet hebben geweten van de aanmerkelijke kans dat hij [verbalisant 2] dodelijk zou raken en dat hij die kans op het moment van het gooien van de klinker op de koop heeft toegenomen.

Dat de verdachte zou hebben beoogd de klinker op enige afstand van de verbalisanten te gooien, acht het hof niet geloofwaardig. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte zich aanvankelijk niets kon herinneren van wat er was gebeurd. Voorts hecht het hof waarde aan hetgeen de ter plaatse aanwezige opsporingsambtenaren hebben gerelateerd over de feitelijke gang van zaken. Het hof heeft geen reden daaraan te twijfelen.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verdachte opzet in voorwaardelijke zin heeft gehad op de dood van [verbalisant 2]. Derhalve acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag.

Ten aanzien van verbalisant [verbalisant 1], die achter [verbalisant 2] liep, staat naar het oordeel van het hof onvoldoende vast dat de verdachte hem heeft gezien, zodat wetenschap van de aanmerkelijke kans dat [verbalisant 1] op het hoofd zou worden geraakt niet kan worden aangenomen.

Het hof is voorts van oordeel dat de kans dat [verbalisant 1] door de klinker geraakt zou worden, nu hij achter [verbalisant 2] liep en dus in zekere zin door het lichaam van die [verbalisant 2] werd beschermd, niet zodanig groot is dat deze aanmerkelijk is te achten.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, onder de bijzondere voorwaarden als omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft de voordeur van de huurwoning van zijn vriendin beschadigd. Hij probeerde haar woning binnen te komen terwijl zij hem niet wilde binnenlaten. De verdachte heeft vervolgens zijn woede tegen de ter plaatse gekomen politie gericht. Terwijl de politie de trap op kwam, heeft de verdachte een klinker van bijna 4 kilo naar beneden gegooid. Deze steen had op het hoofd van een verbalisant kunnen komen. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Politieambtenaren moeten - in het belang van de openbare orde – ongehinderd kunnen functioneren, zonder daarbij geconfronteerd te worden met geweld. De verdachte heeft door zijn handelen ervan blijk gegeven geen respect te hebben voor het openbaar gezag.

Verder heeft de verdachte ruim 125 gram cocaïne voorhanden gehad. Door harddrugs, zoals cocaïne, wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Ook leiden drugs veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit.

Tenslotte heeft de verdachte een pistool met bijbehorende munitie en een stroomstootwapen voorhanden gehad. Dergelijk bezit verdient bestraffing, nu dat onder burgers gevoelens van onveiligheid met zich mee brengt, temeer omdat (vuur)wapens dikwijls worden gebruikt bij het plegen van strafbare feiten of bij eigenrichting.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 juli 2016, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het Reclasseringsadvies van Bouman GGZ d.d. 9 februari 2016. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard de noodzaak van de geadviseerde behandeling in te zien.

Tot slot heeft het hof acht geslagen op de ter terechtzitting overgelegde stukken waaruit blijkt dat de verdachte in detentie een aantal certificaten heeft gehaald.

De ernst van met name het eerste feit brengt met zich dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Wel ziet het hof in de informatie die in hoger beroep naar voren is gekomen met betrekking tot de persoon van de verdachte aanleiding een iets lagere straf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp (een klinker), is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1 primair bewezen verklaarde is begaan. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurd verklaren.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De vordering bedraagt € 250,-. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De vordering is gemotiveerd betwist.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende heeft onderbouwd dat hij ten gevolge van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit zodanig geestelijk letsel heeft opgelopen dat ingevolge wet en de jurisprudentie recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. Derhalve is niet aannemelijk geworden dat door de benadeelde partij immateriële schade is geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden afgewezen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De vordering bedraagt € 250,-. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Nu de verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde ten aanzien van [verbalisant 1] wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 33, 33a, 45, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij Bouman GGZ, afdeling reclassering, zolang en zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal laten onderzoeken en mogelijk ambulant zal laten behandelen bij de forensische polikliniek van Bouman GGZ, of een soortgelijke forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de volledige proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een GI-RN Cognitieve vaardigheden en een GI-GGZ Leefstijltraining, aangeboden door Reclassering Nederland, of een soortgelijke instelling, waarbij de verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens de voornoemde instelling aan de verdachte zullen worden gegeven;

geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een klinker;

wijst af de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant 2];

verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

verklaart de benadeelde partij [verbalisant 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;

verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. M.J. de Haan-Boerdijk,

mr. M. Moussault en mr. J.T.F.M. van Krieken, in bijzijn van de griffier mr. A.D. Verhoeven.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 augustus 2016.

mr. J.T.F.M. van Krieken is buiten staat dit arrest te ondertekenen.