Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2330

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
04-08-2016
Zaaknummer
2200115616
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag en feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden, met aftrek van voorarrest en

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-001156-16

Parketnummers: 09-827187-15; 09-818705-15 (gev. ttz.);

09-837034-15 (gev. ttz.)

Datum uitspraak: 3 augustus 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 februari 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[de verdachte],

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op

[geboortedatum] 1963,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Haaglanden, locatie Zoetermeer, te Zoetermeer.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 20 juli 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827187-15 primair, in de zaak met parketnummer 09-837034-15 en in de zaak met parketnummer 09-818705-15 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest. Verder is terbeschikkingstelling van de verdachte gelast waarbij is bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] is gedeeltelijk toegewezen. De benadeelde partij [slachtoffer 2] is niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot vergoeding van geleden schade. Tot slot is gelast dat de in beslag genomen voorwerpen worden teruggegeven aan [slachtoffer 1].

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang hoger beroep

Nu de benadeelde partij [slachtoffer 2] zich niet heeft gevoegd in hoger beroep is zijn vordering niet meer aan de orde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

(in de zaak met parketnummer 09-827187-15:)

hij op of omstreeks 15 augustus 2015 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug althans het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 augustus 2015 te 's-Gravenhage [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met een mes althans een scherp en/of puntig voorwerp in de rug althans het lichaam te steken;

(in de zaak met parketnummer 09-818705-15:)

hij op of omstreeks 11 juli 2015 te 's-Gravenhage, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten van de borst en/of de schaamstreek van [slachtoffer 1] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die ontuchtige handeling(en) onverwachts bij die [slachtoffer 1] heeft gepleegd en/of

- die ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd ondanks het door die [slachtoffer 1] geboden verbaal verzet;

(in de zaak met parketnummer 09-837034-15:)

hij op of omstreeks 15 juni 2014 te 's-Gravenhage, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten van de bil(len) en/of de penis, althans de schaamstreek en/of de borst(en) en/of het duwen van zijn (stijve) penis tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit:

- het heel dicht op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] gaan staan en/of duwen van zijn penis/onderlichaam tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] en/of vastpakken van die [slachtoffer 3] en/of

- het aan de arm/hand vastpakken van die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 3] in een hoek/nis trekken en/of vastzetten in een hoek en/of

- het onverhoeds en/of ruw grijpen en/of knijpen in/naar de borsten en/of billen van die [slachtoffer 3] en/of

- ( daarbij) roepen "ik wil je neuken, ik ga je hard neuken"!

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-827187-15 primair, in de zaak met parketnummer 09-818705-15 en in de zaak met parketnummer 09-837034-15 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(in de zaak met parketnummer 09-827187-15:)

hij op of omstreeks 15 augustus 2015 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug althans het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(in de zaak met parketnummer 09-818705-15:)

hij op of omstreeks 11 juli 2015 te 's-Gravenhage, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten van de borst en/of de schaamstreek van [slachtoffer 1] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die ontuchtige handeling(en) onverwachts bij die [slachtoffer 1] heeft gepleegd en/of

- die ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd ondanks het door die [slachtoffer 1] geboden verbaal verbale verzet;

(in de zaak met parketnummer 09-837034-15:)

hij op of omstreeks 15 juni 2014 te 's-Gravenhage, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten van de bil(len) en/of de penis, althans de schaamstreek en/of de borst(en) en/of het duwen van zijn (stijve) penis tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit:

- het heel dicht op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] gaan staan en/of duwen van zijn penis/onderlichaam tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] en/of vastpakken van die [slachtoffer 3] en/of

- het aan de arm/hand vastpakken van die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 3] in een hoek/nis trekken en/of vastzetten in een hoek en/of

- het onverhoeds en/of ruw grijpen en/of knijpen in/naar de borsten en/of billen van die [slachtoffer 3] en/of

- (daarbij) roepen "ik wil je neuken, ik ga je hard neuken"!.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsmotivering (ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 09-827187-15 bewezen verklaarde)

De toedracht van de confrontatie

Op 15 augustus 2015 heeft in Den Haag een confrontatie plaatsgevonden tussen (in elk geval) de verdachte en [slachtoffer 2]. [slachtoffer 2] heeft tijdens die confrontatie een steekwond in de rug opgelopen. Blijkens een medische verklaring gaat het om een steekwond die dieper is dan de huid.

Vaststaat dat de verdachte degene is geweest die [slachtoffer 2] met een vlindermes in de rug heeft gestoken. Over het moment waarop de verdachte heeft gestoken lopen de verklaringen uiteen. Het hof gaat bij de beoordeling van de zaak uit van de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd over de feitelijke gang van zaken.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - kort gezegd – verklaard dat hij in elkaar is geslagen door [slachtoffer 2] en [betrokkene 1]. De verdachte heeft klappen in zijn gezicht gehad en is op de grond gevallen. Toen hij op de grond lag, heeft de verdachte het mes uit zijn rugzak gepakt. Toen [slachtoffer 2] en [betrokkene 1] wegrenden heeft de verdachte ‘gelijk’ gereageerd. Na ‘een, twee stappen’ had de verdachte [slachtoffer 2] te pakken en heeft hij hem gestoken ‘zodat hij niet kon vluchten’. De verdachte heeft niet gezien dat [slachtoffer 2] een rugzak op zijn rug had.

(Voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer 2]

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde poging tot doodslag. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte geen opzet had op de dood van [slachtoffer 2].

Het hof is van oordeel dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 2] als gevolg van de messteek zou komen te overlijden. Het hof betrekt bij dit oordeel de grootte van het mes en het feit dat daarmee krachtig moet zijn gestoken, omdat er sprake is van een meer dan een oppervlakkige verwonding in de rug, terwijl daarbij ook een rugzak en kleding zijn doorboord. Het hof overweegt voorts dat de rug een kwetsbaar gedeelte is van het lichaam en dat de plek waar [slachtoffer 2] is geraakt in de nabijheid is van belangrijke organen zoals de longen, het hart en slagaders. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de verdachte heeft verklaard dat hij boos was toen hij stak en dat hij niet heeft gezien dat [slachtoffer 2] een rugzak droeg. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte niet bewust heeft gestoken op een plek waar een rugzak zat maar dat hij kennelijk op een betrekkelijk willekeurige plek in de rug heeft gestoken.

Door met een dergelijk mes, met kracht en met een zekere mate van willekeur in de rug van [slachtoffer 2] te steken, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 2] willens en wetens aanvaard.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 2].

Nadere bewijsmotivering (ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 09-818705-15 bewezen verklaarde)

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij op 11 juli 2015 om 22:05 uur richting haar huis in Den Haag liep. Ze was op de kruising van het Hogezand en de Lange Beestenmarkt toen ze werd benaderd door een man op een fiets. Hij plaatste zijn fiets schuin voor de aangeefster zodat zij niet kon doorlopen. Hij greep haar bij de borst. [slachtoffer 1] zei: “ga weg” of “rot op”. De man gebruikte meerdere keren het woord “doeshi”. De man maakte hierna een seksueel getinte opmerking. [slachtoffer 1] belde vervolgens bij haar buren aan. Voordat de buren open deden pakte de man haar van achteren bij haar vagina. Zij voelde de hand van de man tot aan haar clitoris. De man maakte met zijn hand een soort van scheppende beweging. [slachtoffer 1] riep wederom: “ga weg” of “rot op”. De buurman deed open en [slachtoffer 1] zei direct dat ze naar binnen wilde omdat die man haar lastig viel.1

Het hof is van oordeel dat de hiervoor beschreven handelingen zijn aan te merken als ontuchtige handelingen in de zin van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr). Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte de man is die aangeefster [slachtoffer 1] heeft aangerand.

[slachtoffer 1] heeft bij haar aangifte een signalement gegeven van de man die haar heeft aangerand. Het zou gaan om een donkergetinte man van ongeveer 185 tot 190 centimeter lang, rond de 45 jaar oud, met een tenger, atletisch postuur. De man droeg een rood T-shirt.2

Op 11 juli 2015 omstreeks 22:04 uur kreeg verbalisant [verbalisant 1] de melding dat een vrouw zojuist was lastiggevallen. Van de meldkamer kreeg de verbalisant het signalement van de man. De man zou zijn weggefietst in de richting van de Herderstraat. De verbalisant is op zoek gegaan naar de man. Via het portofoonkanaal hoorde de verbalisant dat een man die voldeed aan het opgegeven signalement fietste op de Gedempte Wal (het hof begrijpt: de Gedempte Burgwal) in de richting van het Spui. Gekomen op het Spui hoorde de verbalisant dat de man op de Gedempte Gracht stond. Daar aangekomen zag de verbalisant een persoon staan die voldeed aan het signalement. De man viel een vrouw lastig. De vrouw werd door de man klemgezet met zijn fiets. De man werd omstreeks 22:20 uur aangehouden. Het bleek te zijn [de verdachte], geboren op [geboortedatum] 1963.3

Aan de vrouw werd gevraagd wat er was gebeurd. Zij vertelde dat de man naast haar was komen fietsen en in het Papiamento vroeg of ze met hem wilde neuken. Ze verklaarde dat man opzettelijk tegen haar fiets botste. Zij voelde dat ze door de man werd vastgepakt en dat hij aan haar begon te trekken.4

Het is van algemene bekendheid dat het woord ‘doeshi’ dat meermalen tegen aangeefster [slachtoffer 1] werd gezegd, een woord is dat afkomstig is uit het Papiamento.

De verdachte is Antilliaan en heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard Papiamento te spreken.

Op 12 juli 2015 werd aangeefster [slachtoffer 1] door middel van een spiegelconfrontatie geconfronteerd met de verdachte. Zij herkende de gelaatstrekken en de vorm van het hoofd van de verdachte. Tevens kwamen de lengte, het postuur, de mondvorm, de huidskleur, de 3/4 broek en het rode T-shirt van de verdachte overeen met de kenmerken van de man die haar heeft aangerand.5

Op de 800 meter lange route van de plek waar aangeefster werd lastiggevallen naar de plaats waar de verdachte werd aangehouden6, bevindt zich de Herderstraat.

Een afstand van 800 meter is fietsend binnen 18 minuten af te leggen.

Het korte tijdsbestek tussen de aanranding van de aangeefster en het lastig vallen van de vrouw op de Gedempte Gracht, de passende gegevens met betrekking tot de afgelegde route en de daarvoor beschikbare tijd, het gebruik van het Papiamento en het gebruik van de fiets om de vrouw op de Gedempte Gracht en aangeefster te dwingen te blijven staan en de punten die aangeefster herkende toen zij met de verdachte werd geconfronteerd, brengen het hof tot het oordeel dat de verdachte de man is die de aangeefster heeft aangerand.

Nadere bewijsmotivering (ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 09-837034-15 bewezen verklaarde)

Aangeefster [slachtoffer 3] (die leeft als een vrouw maar lichamelijk nog een man is)7heeft verklaard dat zij op 15 juni 2014 na het uitgaan in Den Haag een groep jongens is tegengekomen. Uiteindelijk stond de aangeefster met een van deze jongens te zoenen. Ineens voelde zij dat een oudere man zich van achteren tegen haar aandrukte, met zijn harde piemel. [slachtoffer 3] zei tegen de man die achter haar stond dat dit echt niet kon. [slachtoffer 3] maakte duidelijk dat zij naar huis zou gaan. De oudere man pakte [slachtoffer 3] beet en trok haar mee in een hoekje. [slachtoffer 3] probeerde zich te verzetten maar de man was heel sterk. [slachtoffer 3] werd in een hoekje geduwd en de man ging overal aan haar zitten. [slachtoffer 3] riep: “nee, laat me met rust”. De man heeft ruw naar/in de borsten, de billen en de penis van [slachtoffer 3] gegrepen/geknepen. Terwijl [slachtoffer 3] haar best deed om los te komen liep er een jongen langs. De jongen vroeg of [slachtoffer 3] de man kende. Toen [slachtoffer 3] zei dat dit niet het geval was, zei de jongen tegen de man dat hij [slachtoffer 3] moest loslaten. De man die [slachtoffer 3] vast had, liep daarop richting de Grote Markt. Toen de politie ter plaatse was, zag [slachtoffer 3] dat de man werd aangehouden.8 Het betreft de verdachte.9

De jongen bleek te zijn genaamd [getuige 1]. Hij heeft verklaard dat hij zag dat een man een meisje mee trok richting een deur. Het meisje werd tegen een muur of deur aangedrukt door de man. Hij zag aan het gezicht van het meisje dat zij het niet leuk vond. Hij vroeg het meisje of zij de man kende. Ze gaf aan dat zij de man niet kende en dat hij aan haar had gezeten. [getuige 1] zei tegen de man dat hij haar moest loslaten. Dat deed de man vervolgens.10

Op camerabeelden is te zien dat de aangeefster door de verdachte bij haar arm wordt gepakt. De aangeefster wordt aan haar arm meegetrokken. Ter hoogte van een nis trekt de verdachte de aangeefster met beide handen in de richting van de nis. De aangeefster probeert te voorkomen dat zij de nis in wordt getrokken door met haar gewicht naar achteren te hangen. De verdachte slaat een arm om de middel van de aangeefster en zij wordt vervolgens helemaal de nis in getrokken, waarna zij uit beeld verdwijnen11.

Het hof is van oordeel dat het in de nis trekken van de aangeefster (die zich daartegen verzette), het tegen de muur drukken van de aangeefster en de (onmiddellijke) mededeling van de aangeefster aan [getuige 1] dat de verdachte aan haar had gezeten voldoende steunbewijs opleveren om de ten laste gelegde aanranding te bewijzen. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aangeefster heeft aangerand.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en strafbaarheid van de verdachte

Het in de zaak met parketnummer 09-827187-15 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het in de zaak met parketnummer 09-818705-15 en in de zaak met parketnummer 09-837034-15 bewezen verklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte een beroep gedaan op (putatieve) noodweerexces.

Hiertoe heeft de raadsvrouw – kort gezegd - aangevoerd dat de verdachte over de rooie was toen hij zijn gewonde gezicht voelde en hij zijn eigen bloed zag stromen. Er was sprake van een wederrechtelijke aanranding en deze heeft een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt waardoor de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden. De boosheid, de paniek en de angst dat de aanvallers zouden terugkomen hebben de verdachte tot zijn handelen gebracht.

Het hof overweegt als volgt.

Zoals reeds bij het bewijs is overwogen, gaat het hof uit van de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - kort gezegd – verklaard dat hij in elkaar is geslagen door [slachtoffer 2] en [betrokkene 1]. Toen [slachtoffer 2] en [betrokkene 1] wegrenden heeft de verdachte ‘gelijk’ gereageerd. Hij is er achteraan gegaan en na ‘een, twee stappen’ had de verdachte [slachtoffer 2] te pakken. Hij stak [slachtoffer 2] zodat hij niet kon vluchten.

Voor de beantwoording van de vraag of het beroep op (putatieve) noodweerexces kan slagen, moet eerst komen vast te staan dat er sprake is (geweest) van een (putatieve) noodweersituatie. Het hof is van oordeel dat onder de door de verdachte genoemde omstandigheden zonder meer sprake is van een noodweersituatie. De verdachte werd immers in elkaar geslagen door twee personen en hij mocht zich tegen die aanranding verdedigen.

Het hof is voorts van oordeel dat de wederrechtelijke aanranding was afgelopen op het moment dat de aanvallers wegrenden bij de verdachte. Voor zover de verdediging met de stelling dat de verdachte angst had dat de aanvallers terug zouden komen een beroep heeft willen doen op putatieve noodweer, wordt dit verworpen. Een dergelijk beroep verdraagt zich niet met de verklaring van de verdachte dat hij stak zodat de aanvallers niet konden vluchten.

Het hof gaat er gelet op het voorgaande van uit dat de verdachte geweld heeft gebruikt nadat de noodweersituatie was beëindigd.

Ten aanzien van het gestelde noodweerexces overweegt het hof het volgende.

Van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan niet alleen sprake zijn in een noodweersituatie maar ook indien - zoals in het onderhavige geval - op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de noodweersituatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat.

Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het "onmiddellijk gevolg" moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging.

Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is dat de gedraging van de verdachte in het onderhavige geval het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Uit de consistente verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar aanleiding van vragen van het hof over de reden van het steken blijkt dat het steken met het mes ertoe diende dat [slachtoffer 2] niet kon vluchten. Het hof leidt hieruit af dat de bewuste keuze om [slachtoffer 2] tot stilstand te dwingen leidde tot het steken met het mes in de rug van [slachtoffer 2]. Nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep eerst op vragen van de raadsvrouw heeft verklaard over boosheid en paniek is het hof van oordeel dat deze emoties niet van doorslaggevende belang kunnen worden geacht voor het steken. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat het beroep op noodweerexces dient te worden verworpen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827187-15 primair, in de zaak met parketnummer 09-837034-15 en in de zaak met parketnummer 09-818705-15 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest. Verder heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de terbeschikkingstelling van de verdachte zal worden gelast waarbij wordt bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft [slachtoffer 2] op straat met een mes in de rug gestoken. De gevolgen van het steken hadden aanzienlijk kunnen zijn, omdat belangrijke organen geraakt hadden kunnen worden. Dat het ‘slechts’ bij een vleeswond is gebleven, is een naar omstandigheden gelukkig gegeven dat niet aan de verdachte is te danken. Door zo te handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van een dergelijk feit nog een lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden. Dit volgt ook uit de bijlage bij het voegingsformulier van de benadeelde partij. [slachtoffer 2] heeft zich gerealiseerd dat het veel slechter had kunnen aflopen. Hij dacht daar vaak aan. Ook voelde hij zich onveilig op straat.

Bovendien worden door dergelijke feiten in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid aangewakkerd. Dit geldt eens te meer nu de onderhavige steekpartij plaatsvond op de openbare weg.

De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan een tweetal aanrandingen. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich uitsluitend laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de seksuele integriteit van de slachtoffers. Een van de slachtoffers verklaart in haar schriftelijke slachtoffer-verklaring dat zij de weken erna bang en op haar hoede was. Ze screende iedereen op straat en schrok als ze iemand zag die op de verdachte leek. Ze was voortdurend op zoek naar vormen van veiligheid. Ze sliep onrustig en had soms angstige en nare dromen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 juli 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Het hof is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten een andere straf dan een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf niet op zijn plaats is. Het hof houdt bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf rekening met het volgende.

Het hof heeft acht geslagen op de rapportages van dr. R.A.R. Bullens, psycholoog, en drs. B.E.A. van der Hoorn, psychiater, beiden als deskundige verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie Pieter Baan Centrum (PBC).

Zij hebben gerapporteerd dat er bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in de vorm van lichte zwakzinnigheid en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Ten aanzien van het geweldsdelict is sprake van een beperkt probleemoplossend vermogen. Dat heeft geresulteerd in een emotionele reactie waarin de verdachte een tegenaanval heeft ingezet om het zo zelf op te lossen. Vanwege de verstandelijke beperking van de verdachte, de beperkte copingstrategieën en de antisociale cognities kan worden gesteld dat de verdachte beperkt was in zijn keuzemogelijkheden. Deze disbalans heeft geresulteerd in een situatie waarin verdachte zijn handelen niet heeft kunnen sturen of beheersen. Hij heeft zelf aangegeven niet te zien hoe hij deze situatie anders had kunnen oplossen. De deskundigen adviseren de verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Voorts zijn zij van oordeel dat de kans groot is dat de verdachte opnieuw in een vergelijkbare situatie belandt als hij niet wordt behandeld. Het recidiverisico wordt dan ook als hoog ingeschat. De deskundigen adviseren om aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. Door de deskundigen is ingeschat dat een terbeschikkingstelling met voorwaarden niet haalbaar zal zijn, temeer nu de verdachte door zijn stugge antisociale cognities en zijn beperkte intellectuele capaciteiten moeilijk beïnvloedbaar zal zijn. De verdachte zal zich zeer waarschijnlijk niet aan de voorwaarden kunnen houden.

Het hof neemt de bevindingen en de conclusies van de deskundigen over. Het hof is derhalve van oordeel dat de door de verdachte gepleegde feiten hem slechts in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend. Dit leidt ertoe dat de aan de verdachte op te leggen vrijheidsstraf aanzienlijk moet worden beperkt. Het hof is verder van oordeel dat het, gelet op al het voorgaande, ter voorkoming van recidive, noodzakelijk is dat de verdachte op korte termijn een behandeling (in het hierna te noemen kader) ondergaat. Gelet hierop zal het hof een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van beperkte duur opleggen.

Het hof acht het noodzakelijk dat aan de verdachte naast de gevangenisstraf de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd. Gelet op het voorgaande, waaronder de grote twijfels van de deskundigen over de haalbaarheid van terbeschikkingstelling met voorwaarden, de daaraan ten grondslag liggende problematiek en het advies van de deskundigen, acht het hof terbeschikkingstelling met voorwaarden, evenals een voorwaardelijke strafoplegging in combinatie met bijzondere voorwaarden, niet haalbaar. Het hof is van oordeel dat, mede gelet op de ernst van de feiten en het gevaar dat verdachte voor de veiligheid van anderen oplevert, dwangverpleging noodzakelijk is.

De terbeschikkingstelling wordt aan de verdachte opgelegd voor misdrijven die gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de dwangverpleging niet gemaximeerd zal zijn.

Het hof is – met in achtneming van het voorgaande -

van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Voorts is het hof van oordeel dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging dient te worden opgelegd.

In beslag genomen voorwerpen

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, zal de rechtbank teruggave gelasten aan [slachtoffer 1] van de in beslag genomen kleding (een grijze capribroek en een blauw shirt).

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte in de zaak met parketnummer 09-818705-15 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 870,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 790,- ter zake van immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De advocaat-generaal heeft verder gevorderd de vordering af te wijzen voor wat betreft de materiële schade.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist. De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij ter zake van de materiële schade af te wijzen en ter zake van de immateriële schade te matigen.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij ter zake van de materiële schade dient te worden afgewezen, nu de benadeelde partij de in beslag genomen kleding zal terugkrijgen.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 09-818705-15 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 790,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 790,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 63, 246 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-827187-15 primair, in de zaak met parketnummer 09-818705-15 en in de zaak met parketnummer 09-837034-15 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het in de zaak met parketnummer 09-827187-15 primair en in de zaak met parketnummer 09-818705-15 en in de zaak met parketnummer 09-837034-15 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

gelast de teruggave aan [slachtoffer 1] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een capribroek, grijs;

- een shirt, blauw;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-818705-15 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 790,00 (zevenhonderdnegentig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-818705-15 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 790,00 (zevenhonderdnegentig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. M.J. de Haan-Boerdijk, mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. I.P.A. van Engelen, in bijzijn van de griffier mr. A.D. Verhoeven.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 augustus 2016.

mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. I.P.A. van Engelen zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

1 Proces-verbaal aangifte d.d. 12 juli 2015 met proces-verbaalnummer PL1500-2015208061-1 (dossierpagina 23 e.v.)

2 Proces-verbaal aangifte d.d. 12 juli 2015 met proces-verbaalnummer PL1500-2015208061-1 (dossierpagina 23 e.v.).

3 Proces-verbaal aanhouding d.d. 11 juli 2015 met proces-verbaalnummer PL1500-2015208061-5 (dossierpagina 8 e.v.).

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juli 2015 met proces-verbaalnummer PL1500-2015208061-10 (dossierpagina 26 e.v.).

5 Proces-verbaal van enkelvoudige confrontatie in persoon (spiegelconfrontatie) d.d. 12 juli 2015 met proces-verbaalnummer PL1500-2015208061-16 (dossierpagina 31 e.v.).

6 Proces-verbaal relaas d.d. 12 juli 2015 met proces-verbaalnummer PL1500-2015208061 (dossierpagina 5).

7 Proces-verbaal aangifte d.d. 15 juni 2014 met proces-verbaalnummer PL1500-2014116755-1 (dossierpagina 20).

8 Proces-verbaal aangifte d.d. 15 juni 2014 met proces-verbaalnummer PL1500-2014116755-1 (dossierpagina 20 e.v.).

9 Proces-verbaal aanhouding d.d. 15 juni 2014 met proces-verbaalnummer PL1500-2014116755-2 (dossierpagina 8 e.v.).

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 juni 2014 met proces-verbaalnummer PL1500-2014116755-10 (dossierpagina 35).

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juni 2014 met proces-verbaalnummer PL1500-2014116755-9 (dossierpagina 23).