Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2310

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
01-08-2016
Zaaknummer
200.175.870/01; 200.175.873/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:6765, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie; werkelijke woonlast aanzienlijk lager dan forfaitaire woonlast; om in de behoefte van de minderjarigen te kunnen voorzien houdt het hof rekening met de werkelijke woonlast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2016/137
FJR 2017/11.7
PFR-Updates.nl 2016-0208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 13 juli 2016

Zaaknummers : 200.175.870/01 en 200.175.873/01

Rekestnummers rechtbank : FA RK 14-1581 en FA RK 15-2601

Zaaknummers rechtbank : C/09/461333 en C/09/486258

[appellante] ,

wonende op een geheim adres,

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat voorheen mr. A.A.G. Balkenende te Katwijk, thans mr. N. Walenkamp te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.C. Carli-Lodder te Den Haag.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de Stichting Jeugdbescherming west Regio Zuid-Holland,

de rechtsopvolgster van de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 31 augustus 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 29 mei 2015 van de rechtbank Den Haag. Bij dat beroep heeft de vrouw tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking ingediend. Dit schorsingsverzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.175.870/02.

Bij beschikking van 11 november 2015 heeft het hof het verzoek van de vrouw tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking verworpen.

De man heeft op 17 december 2015 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 1 februari 2016 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 14 september 2015 een V-formulier van 11 september 2015 met bijlage;

van de zijde van de man:

- op 3 mei 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen.

De raad heeft bij brief van 9 februari 2016 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen, nu de raad in eerste aanleg niet betrokken is geweest in deze specifieke procedure.

De hoofdzaak is op 13 mei 2016 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, alsmede door [naam] , tolk in opleiding in de Engelse taal die ter zitting de belofte heeft afgelegd;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede door [naam] , tolk in de Engelse taal;

- [naam] namens de gecertificeerde instelling. Zij heeft de zitting na de behandeling van de onderwerpen gezag en het traject ‘Ouderschap Blijft’ verlaten.

De hierna te noemen [minderjarige] is in raadkamer gehoord.

Na de zitting is, volgens afspraak ter zitting, het volgende stuk bij het hof ingekomen:

- van de zijde van man op 19 mei 2016 een V-formulier van 17 mei 2016 met als bijlage het inschrijvingsbewijs van de echtscheidingsbeschikking.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank voorts (voor zover voor het hof thans van belang):

- het verzoek van de vrouw om te bepalen dat voortaan alleen aan haar het ouderlijk gezag zal toekomen over de minderjarigen:

o [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , en

o [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen)

afgewezen;

  • -

    bepaald dat de minderjarigen de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;

  • -

    partijen verwezen naar Expertisecentrum Haaglanden voor toeleiding en doorverwijzing naar Ouderschap Blijft voor het onder begeleiding op gang brengen van de contacten tussen de man en de minderjarigen;

  • -

    bepaald dat partijen zich voor 1 september melden bij Expertisecentrum Haaglanden;

  • -

    bepaald dat partijen na het verkrijgen van een doorverwijzing naar het omgangshuis - Ouderschap Blijft - Begeleide Omgang Stichting Jeugdformaat, gaan voor het opstarten van gezamenlijke gesprekken en de begeleide contacten;

  • -

    de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van een dwangsom van € 250,- voor elke dag vanaf 1 september 2015 dat zij in gebreke blijft haar medewerking te verlenen aan Ouderschap Blijft, met een maximum van € 5.000,-;

  • -

    bepaald dat de man gerechtigd is om eenmaal per week het initiatief te nemen tot het leggen van contact met de minderjarigen via telefoon, e-mail, Facetime, Skype of een ander medium;

  • -

    bepaald dat de vrouw met ingang van heden de man voor wat betreft de gezondheid en medische kwesties van de minderjarigen onverwijld zal informeren en hem ten minste iedere drie maanden schriftelijk (per e-mail) informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van de minderjarigen, alsmede over het vermogen van de minderjarigen, en voorts dat partijen maandelijks, buiten de aanwezigheid van de minderjarigen, per e-mail met elkaar overleg zullen plegen teneinde informatie uit te wisselen en elkaar te consulteren over de minderjarigen en over alle overige belangrijke zaken aangaande de minderjarigen, waaronder in elk geval, indien en voor zover reeds van toepassing: de ontwikkeling, de schoolkeuze en door de school te organiseren activiteiten, de gezondheid en medische zaken en het verblijf gedurende vakanties of anderszins buiten Nederland;

  • -

    de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van een dwangsom van € 500,- voor iedere keer dat zij in gebreke blijft aan bovenstaande informatie- consultatieregeling te voldoen, met een maximum van € 5.000,-;

  • -

    het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de informatie- en consultatieverplichting buiten toepassing wordt verklaard afgewezen;

  • -

    bepaald dat de man, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 817,50 per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

  • -

    het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een partneralimentatie afgewezen;

  • -

    bepaald dat de tussen partijen gemaakte afspraken, neergelegd in de (in fotokopie) aan de beschikking gehechte vaststellingsovereenkomst, deel uitmaken van deze beschikking;

  • -

    de verdeling van de tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behorende inboedel vastgesteld.

De beschikking is - tot zover en met uitzondering van de echtscheiding - uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de proceskosten is aangehouden.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

De echtscheidingsbeschikking is op 18 september 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Hieronder zal het hof zo nodig op hele bedragen afronden.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn:

  • -

    het gezag over de minderjarigen;

  • -

    de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, hierna ook kinderalimentatie;

  • -

    de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, hierna ook partneralimentatie;

  • -

    de verdeling van de huwelijksgemeenschap;

  • -

    de proceskostenveroordeling.

2. De vrouw verzoekt, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van, naar het hof begrijpt: de in het beroepschrift gemelde punten, alsmede te bepalen dat:

  • -

    de vrouw voortaan met het eenhoofdige gezag over de minderjarige, het hof begrijpt: minderjarigen, wordt belast;

  • -

    partijen niet deel hoeven te nemen aan het traject “Ouderschap blijft”, subsidiair een bijzondere curator ex artikel 1:250 BW te benoemen over de minderjarigen;

  • -

    er aan de vrouw geen dwangsommen worden opgelegd, subsidiair dat de dwangsommen worden gematigd;

  • -

    de man veroordeeld wordt om maandelijks een bijdrage te leveren in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarigen ten bedrage van € 1.710,- voor beide minderjarigen, bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw;

  • -

    de man veroordeeld wordt om maandelijks een bijdrage te leveren in de kosten van levensonderhoud van de vrouw ten bedrage van € 2.291,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, subsidiair een bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw in goede justitie te bepalen;

  • -

    dat alle Perzische tapijten aan de vrouw worden toebedeeld.

3. De man bestrijdt het beroep en verzoekt in principaal appel, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar grieven ongegrond te verklaren c.q. af te wijzen, althans een zodanige beschikking te wijzen als het hof in goede justitie meent te bepalen. Het subsidiair verzoek tot benoeming van een bijzonder curator af te wijzen.

De man verzoekt in incidenteel appel:

  • -

    de bestreden beschikking te vernietigen met betrekking tot de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten bedrag van € 817,50 per kind per maand en opnieuw recht doende de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking vast te stellen overeenkomstig de huidige wettelijke normen en maatstaven en derhalve in goede justitie vast te stellen op een nog nader te berekenen bedrag per kind per maand, doch niet hoger dan de door de rechtbank vastgestelde bijdrage, dan wel op een door het hof in goede justitie te bepalen bijdrage;

  • -

    de scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen overeenkomstig het standpunt van de man, zoals uiteengezet bij de behandeling van grief 6 in principaal appel;

  • -

    onder handhaving van al het overige.

Met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

4. De vrouw verzet zich daartegen en verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk in zijn incidenteel appel te verklaren, subsidiair de grieven van de man in het incidenteel appel ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking op die punten te bekrachtigen.

5. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat het incidenteel appel van de man te laat is ingediend, zodat hij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het hof heeft de man op 5 november 2015 wegens een wisseling van zijn advocaat zes weken de tijd gegeven een verweerschrift in te dienen. De advocaat van de vrouw heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Het verweerschrift is vervolgens op 17 december 2015, derhalve binnen de gestelde termijn - bij het hof ingekomen. Het stond de man vrij in zijn verweerschrift tevens incidenteel appel in te stellen. Gelet op de datum van de mondelinge behandeling - 13 mei 2016 - heeft de vrouw ruimschoots de tijd gehad op dit incidenteel appel te reageren, hetgeen zij ook heeft gedaan.

Gezag

6. De vrouw is het er niet mee eens dat de rechtbank haar verzoek om eenhoofdig gezag heeft afgewezen. Volgens de vrouw is de verstandhouding tussen partijen ernstig verstoord en communiceren zij niet of nauwelijks. Deze situatie duurt al jaren en verslechtert alleen maar. De man probeert de vrouw in zijn macht te houden. De jeugdbeschermer is er tijdens acht maanden van ondertoezichtstelling ook niet in geslaagd de communicatie tussen partijen te verbeteren en heeft thans nauwelijks contact met de vrouw en de minderjarigen. Voortzetting van het gezamenlijk gezag zal ertoe leiden dat iedere beslissing aangaande de minderjarigen weer tot een machtsstrijd tussen de ouders zal leiden. De man heeft reeds uit emotionele overwegingen geweigerd toestemming te verlenen voor een vakantie van de vrouw met de minderjarigen naar Engeland. Gelet op het vorenstaande zullen de minderjarigen klem komen te zitten tussen de ouders. Sprake is van de in artikel 1:251a BW genoemde gronden voor eenhoofdig gezag, aldus de vrouw.

7. De man ontkent en weerspreekt alle beschuldigingen van de vrouw. Zij toont volgens hem niets aan. Haar weerstand lijkt een direct gevolg van de echtscheiding. De man heeft contact gehad met de kinderen en dat verliep goed. Hij legt diverse verklaringen over waaruit blijkt dat de kinderen in goede geestelijke en lichamelijke gezondheid waren. De man voert voorts aan dat de hulpverlening ten behoeve van verbetering van de onderlinge communicatie nog opgestart moet worden.

8. De gecertificeerde instelling heeft ter terechtzitting verklaard dat naar haar mening het gezamenlijk gezag in stand dient te blijven, aangezien anders het gevaar bestaat dat alle contact tussen de man en de minderjarigen wordt verbroken en zij hun vader niet meer zullen zien.

9. Het hof overweegt als volgt. De rechter kan op grond van artikel 1:251a BW na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

10. Slechts in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het belang van het kind vereist dat één van de ouders met het gezag wordt belast. Het ontbreken van goede communicatie tussen de ouders, in het bijzonder in de periode waarin de echtscheiding en de daarmee verband houdende kwesties nog niet zijn afgewikkeld, brengt niet zonder meer met zich mee dat in het belang van het kind het ouderlijk gezag aan een van de ouders moet worden toegekend.

11. De advocaat van de vrouw heeft ter terechtzitting desgevraagd verklaard dat het enige argument voor eenhoofdig gezag is, dat, als de vrouw naar Engeland moet gaan voor een doktersafspraak voor de jongste minderjarige, zij daarvoor geen toestemming krijgt van de man. Het hof acht - mede gelet op het hiervoor overwogene - dit enkele argument onvoldoende om te komen tot een ingrijpende beslissing als het toekennen van eenhoofdig gezag. Het hof neemt hierbij in aanmerking de verklaring van de advocaat van de man ter terechtzitting dat haar niets bekend is van een dergelijk verzoek tot toestemming voor doktersbezoek en dat zij ervan uitgaat dat de man bij gebleken noodzakelijkheid toestemming voor een medisch consult in Engeland zou verlenen. De bestreden beschikking dient derhalve in zoverre te worden bekrachtigd.

Contactregeling

12. De vrouw heeft haar grief luidende: “Ten onrechte heeft de Rechtbank Den Haag bepaald dat partijen worden verwezen naar Expertisecentrum Haaglanden voor een doorverwijzing naar het traject “Ouderschap blijft” voor het onder begeleiding op gang brengen van contact tussen de man en de minderjarige kinderen. Tevens heeft de Rechtbank ten onrechte bepaald dat partijen naar het omgangshuis moeten gaan voor het opstarten van gezamenlijke gesprekken en begeleide contacten” ter terechtzitting ingetrokken. Zij heeft verklaard mee te zullen werken aan het traject ‘Ouderschap Blijft’. Deze grief behoeft derhalve geen nadere bespreking.

13. Het hof gaat ervan uit dat hiermee ook het subsidiaire verzoek van de vrouw, een bijzondere curator ex artikel 1:250 BW te benoemen, is ingetrokken, zodat het hof daarop geen beslissing hoeft te nemen.

14. Gelet op de zeer zorgelijke situatie in de onderhavige zaak, waarbij zowel bij de vrouw als de minderjarigen forse weerstand bestaat tegen contacten met de man, heeft het hof ter terechtzitting de mogelijkheden van forensische mediation met partijen en de gecertificeerde instelling doorgenomen. Alle belangen van alle partijen afwegende, acht het hof het raadzaam, dat eerst het traject bij de rechtbank wordt afgewikkeld alvorens een traject van forensische mediation wordt opgestart. Het hof wijst partijen er met nadruk op dat zij in het belang van de minderjarigen zich beiden dienen in te zetten voor de totstandkoming van een goede contactregeling tussen de man en de minderjarigen. De ouder die de dagelijkse zorg voor de minderjarigen heeft, heeft niet alleen de morele plicht maar ook een wettelijke plicht om mee te werken aan een goede contactregeling zoals hiervoor vermeld. Uit rechtspraak van de Hoge Raad alsmede uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat de rechter alles in het werk dient te stellen ter bevordering van een contactregeling en dat de rechter daartoe uiteindelijk zware middelen kan inzetten, waaronder het opleggen van een dwangsom aan en/of gijzeling van degene die niet meewerkt aan een dergelijke regeling.

Dwangsommen

15. De vrouw is van mening dat de rechtbank ten onrechte dwangsommen heeft opgelegd met betrekking tot de deelname van de vrouw aan het traject ‘Ouderschap Blijft’ en de opgelegde informatie- en consultatieregeling. Volgens de vrouw zijn deze dwangsommen onredelijk, onterecht en te hoog.

16. De man stelt zich op het standpunt dat de dwangsommen nodig zijn, gelet op de houding van de vrouw en de door haar getoonde weerstand. Ontzegging van contact met de man kan de minderjarigen ernstig nadeel toebrengen dat doorwerkt tot in de volwassen leeftijd. De man merkt op dat de ondertoezichtstelling inmiddels is verlengd, juist met het oog op contactherstel tussen de man en de minderjarigen.

17. Nu de vrouw reeds eerder heeft toegezegd mee te zullen werken aan het traject ‘Ouderschap Blijft’ en deze toezegging niet gestand heeft gedaan, zal het hof de door de rechtbank opgelegde dwangsommen handhaven. Het hof zal de aan de informatie- en consultatieregeling verbonden dwangsommen eveneens handhaven. De vrouw heeft niet weersproken dat zij de man niet heeft geconsulteerd in zaken de minderjarigen betreffende. Het hof ziet voorts geen aanleiding tot matiging van de dwangsommen. De vrouw heeft zelf in de hand of en tot welk bedrag zij dwangsommen verbeurt.

Kinderalimentatie

Wijziging van omstandigheden?

18. Nu de onderhavige zaak een eerste vaststelling van kinder- en partneralimentatie betreft, komt het hof niet toe aan beoordeling van de stelling van de vrouw dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden.

Ingangsdatum

19. Het hof gaat uit van de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum van 18 september 2015, zijnde de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, nu geen van partijen daartegen bezwaar heeft gemaakt.

Behoefte

20. De door de rechtbank bepaalde behoefte van de minderjarigen van in totaal € 1.710,- per maand is tussen partijen niet in geschil. De advocaat van de vrouw heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte de behoefte van de minderjarigen heeft verminderd met het kindgebonden budget en de daarin begrepen alleenstaande ouderkop van € 425,- per maand. De advocaat van de man heeft dit niet weersproken.

21. Het hof zal conform de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) het kindgebonden budget niet in mindering brengen op de behoefte van het kind. Gelet hierop bepaalt het hof de gezamenlijke behoefte van de minderjarigen op € 1.710,- + € 425- = € 2.135,- per maand.

Algemeen

22. Het hof overweegt als volgt. In de rechtspraak is met betrekking tot de berekening van kinderalimentatie gekozen voor een forfaitair rekensysteem. De Advocaat-Generaal (AG) heeft in zijn conclusie bij de beschikking van de Hoge Raad van 24 oktober 2014 (ECLI:NL:PHR:2014:1908) de contouren aangegeven waarbinnen het forfaitair systeem kan worden gebruikt. Hij heeft daarin onder meer overwogen:

“2.9 Over de wenselijkheid van het in aanmerking nemen van forfaitaire woonlasten bij de vaststelling van kinderalimentatie kan men verschillend denken. Enerzijds kan het tot onbegrip leiden als de alimentatie niet aansluit bij de werkelijke draagkracht zoals betrokkenen die percipiëren. Nog daargelaten dat, althans in het geval dat de werkelijke woonlasten hoger zijn dan de forfaitaire woonlasten, een beroep op de aanvaardbaarheidstoets de justitiabele soelaas zou kunnen bieden, zijn aan een forfaitaire norm als die met betrekking tot de woonlasten onmiskenbaar ook voordelen verbonden. Een dergelijke norm vergroot de voorspelbaarheid van de hoogte van kinderalimentatie (hetgeen mede van belang is indien partijen daarover buiten rechte willen overeenkomen) en maakt een eenmaal vastgestelde alimentatie minder gevoelig voor wijzigingen in de woonsituatie van de betrokken onderhoudsplichtige.

2.10

Bij dit alles blijft uiteraard randvoorwaarde dat de vaststelling van de kinderalimentatie, mede op basis van forfaitaire woonlasten, aan de wettelijke maatstaven zal moeten voldoen. Naar mijn mening is het niet bij voorbaat in strijd met de wet als de alimentatierechter bij de vaststelling van kinderalimentatie redelijk te achten, forfaitaire woonlasten hanteert, ook niet voor zover die forfaitaire woonlasten de actuele, werkelijke woonlasten van de onderhoudsplichtige overstijgen.”

23. Kinderalimentatie heeft maatschappelijk gezien een zeer hoge prioriteit. Bij de vaststelling van kinderalimentatie dient de alimentatierechter in beginsel rekening te houden met alle feiten en omstandigheden van het geval. Dit laatste brengt niet met zich mede, zoals ook door de AG overwogen, dat het in strijd is met het wettelijke kader indien de alimentatierechter bij de bepaling van de draagkracht rekening houdt met forfaitaire normen omdat niet iedere post met betrekking tot de draagkracht kan worden vastgesteld. Een forfaitair rekensysteem met betrekking tot de draagkracht kan naar het oordeel van het hof echter niet worden gehanteerd indien (i) de werkelijke lasten van de alimentatieplichtige aanmerkelijk lager zijn en (ii) uitsluitend als gevolg van deze rekenmethode niet meer in de (volledige) behoefte van het kind of de kinderen kan worden voorzien.

Draagkracht

24. Tussen partijen staat als onbestreden vast dat de vrouw wegens gebrek aan inkomsten niet kan bijdragen in de behoefte van de minderjarigen.

25. Gebleken is dat de man per 1 mei 2015 binnen het bedrijf waar hij reeds werkte een andere functie is gaan vervullen. Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat de man in zijn vorige functie - mede vanwege de echtscheidingsperikelen - niet langer naar behoren kon functioneren. Naar het oordeel van het hof is derhalve geen sprake van het door de vrouw gestelde verwijtbare inkomensverlies.

26. Bij het bepalen van de draagkracht van de man gaat het hof - gelet op de ingangsdatum van de kinderalimentatie - uit van het nieuwe lagere bruto inkomen van de man inclusief bonus van € 97.969,- per jaar, zoals blijkt uit de door de man overgelegde werkgeversverklaring, getekend op 9 maart 2016 (productie 12). Het hof acht het aannemelijk dat de man ieder jaar een vorm van bonus zal ontvangen. Rekening houdende met de voor de man geldende algemene heffingskorting en arbeidskorting, berekent het hof het netto besteedbaar inkomen van de man voor kinderalimentatie op € 4.628,- per maand.

27. De rechtbank heeft in het kader van het beroep op de aanvaardbaarheidstoets van de man rekening gehouden met de aflossing van thans € 600,- per maand op het flexibel krediet bij de ABN AMRO Bank. Zij heeft - voor zover in hoger beroep nog van belang - de door de man in eerste aanleg aangevoerde aflossing op de schuld aan zijn advocaat van € 1.500,- per maand niet in aanmerking genomen. De vrouw heeft voormelde schulden op zich niet betwist.

28. Zijdens de man zijn ter terechtzitting in hoger beroep daarnaast nog andere schulden aan onder meer het LBIO, zijn vorige advocaat, de ING Bank en een schuld aan zijn familie opgevoerd, voor een bedrag van in totaal € 40.000,-. In het kader van de kinderalimentatie wenst de man hieraan kennelijk geen verdere consequenties te verbonden aangezien deze schulden niet in de als productie 11 overgelegde draagkrachtberekening zijn verwerkt.

29. Het hof acht het redelijk om met de aflossing van € 600,- per maand op de schuld aan de ABN AMRO Bank rekening te houden nu dit geen verwijtbare en vermijdbare schuld betreft. Het hof zal in het kader van het bepalen van de kinderalimentatie de aflossing op de schuld aan de advocaat van de man buiten beschouwing laten nu de man niet gegriefd heeft tegen de voormelde beslissing van de rechtbank de advocaatkosten niet in aanmerking te nemen en hij in zijn eigen berekening van de kinderalimentatie (productie 11) deze schuld evenmin heeft opgenomen.

30. Met betrekking tot de woonlasten overweegt het hof als volgt. Ter zitting heeft de vrouw er bezwaar tegen gemaakt dat rekening wordt gehouden met de forfaitaire woonlast aangezien deze aanmerkelijk afwijkt van de werkelijke woonlasten die de man moet voldoen. De forfaitaire woonlast van de man bedraagt 30% x € 4.628,- = afgerond € 1.388,- per maand. Zijn werkelijke woonlast bedraagt afgerond € 484,- per maand. Dat deze woonlasten in de toekomst wellicht hoger zullen worden, zoals de advocaat van de man ter terechtzitting heeft gesteld, is een onzekere omstandigheid die het hof derhalve buiten beschouwing zal laten. Indien het hof met de forfaitaire woonlast rekening moet houden, heeft zulks tot gevolg dat niet volledig voorzien kan worden in de behoefte van de minderjarigen. Indien het hof rekening houdt met de werkelijke lasten van de man, heeft de man meer draagkracht om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Naar maatschappelijke normen bezien, heeft kinderalimentatie een zeer hoge prioriteit en het is algemeen aanvaard dat kinderen geen last mogen hebben van de echtscheiding van hun ouders. Voor de kinderen is het van essentieel belang dat ook in financiële zin goed voor hen wordt gezorgd zodat zij zich op hun eigen toekomst goed kunnen gaan voorbereiden. Nu er een aanmerkelijke discrepantie is tussen de werkelijke woonkosten en de forfaitaire woonkosten en dit ten koste gaat van de kinderen, acht het hof het hanteren van het forfaitair systeem in het onderhavige geval in strijd met de uitgangspunten van de wetgever waarin is gekozen voor behoefte en draagkracht op grond van de werkelijke gegevens (maatwerk).

31. Gelet op het vorenstaande berekent het hof - uitgaande van de werkelijke woonlasten van de man - de draagkracht van de man als volgt: 70% x [€ 4.628,- - (€ 484,- + € 875,- + € 600,-)] = afgerond € 1.868,- per maand voor de twee minderjarigen tezamen, ofwel € 934,- per maand per kind.

Zorgkorting

32. Beide partijen hebben bezwaar gemaakt tegen de door de rechtbank gehanteerde zorgkorting van 10%. Het hof is van oordeel dat de rechtbank omtrent de hoogte van dit percentage terecht heeft geoordeeld zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel moeten leiden.

33. De rechtbank heeft voor het berekenen van de zorgkorting voorts de behoefte van de minderjarigen verminderd met de kosten van de internationale school ad € 960,- per maand, aangezien de man niet bijdraagt in deze kosten. Nu de man hiertegen niet heeft gegriefd en de vrouw ter terechtzitting heeft gesteld dat met 10% zorgkorting rekening kan worden gehouden mits de kosten van de internationale school daarbij niet worden meegenomen, zal het hof deze kosten eerst van de behoefte aftrekken, zodat de zorgkorting wordt berekend over een bedrag van € 2.135,- - 960,- = € 1.175,- per maand. Het hof berekent deze zorgkorting op 10% x € 1.175,- = afgerond € 118,- voor de twee minderjarigen tezamen, ofwel € 59,- per maand per kind.

34. De gezamenlijke draagkracht van partijen is € 267,- minder dan de gezamenlijke behoefte van de minderjarigen [2.135,- - (€ 0,- + € 1.868,-)]. Nu dit tekort aan gezamenlijke draagkracht om in de behoefte van de minderjarigen te voorzien meer dan twee keer zo groot als de zorgkorting waarop de man recht heeft, dient hij tot het volledige bedrag van zijn draagkracht bij te dragen.

CONCLUSIE

35. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man een alimentatie toelaat van € 934,- per maand per kind, zodat de bestreden uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd.

36. Gelet op het consumptief karakter van de kinderalimentatie alsmede het gebrek aan inkomen bij de vrouw zal het hof bepalen dat de vrouw de eventueel te veel ontvangen kinderalimentatie niet hoeft terug te betalen.

Partneralimentatie

Draagkracht

37. Nu de man niet eens volledig kan voorzien in de behoefte van de minderjarige kinderen komt het hof niet meer toe aan de berekening van partneralimentatie. Op basis van art 1:400 BW prevaleert kinderalimentatie boven partneralimentatie. De bestreden beschikking dient derhalve te worden bekrachtigd voor zover daarin het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie is afgewezen.

Verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap

38. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de twee Perzische tapijten, die door de ouders van de vrouw aan de minderjarigen zijn geschonken, ten onrechte aan de man zijn toegedeeld. De tapijten hebben voor de man geen emotionele waarde. Hij gebruikt ze slechts om in ruil voor de tapijten zaken bij de vrouw af te dwingen. Nu de man bijna de gehele inboedel toegedeeld heeft gekregen, is de vrouw van mening dat alle tapijten aan haar hadden moeten worden toegedeeld.

39. De man wijst erop dat de tapijten een hoge waarde (€ 14.000,-) vertegenwoordigen. Partijen waren daarover al tot een regeling gekomen, te weten dat de man de tapijten aan de vrouw zou gunnen, in welk geval de vrouw zou afzien van haar aanspraken op een spaardepot verbonden aan de hypothecaire schuld betreffende de voormalige echtelijke woning (productie 6). Daarnaast stelt de man dat - anders dan tussen partijen is overeengekomen - de vrouw haar deel van de aflossing van het doorlopend krediet van partijen niet betaalt. De man wenst daarom thans toedeling van de auto aan hem voor een waarde van € 5.000,-, in plaats van de afgesproken verkoop van de auto, waarna de opbrengst in mindering zou worden gebracht op het doorlopend krediet.

40. Het hof overweegt als volgt. Uit de aan de bestreden beschikking gehechte vaststellingsovereenkomst van 21 april 2015 blijkt dat partijen - kort gezegd - overeenstemming hebben bereikt omtrent onder meer:

  • -

    toedeling van de echtelijke woning aan de man voor een waarde gelijk aan de hoogte van de hypotheek, waarbij de waarde van de aan de woning gekoppelde polissen en het spaardepot tussen partijen bij helfte zal worden verdeeld;

  • -

    de verkoop van de auto van de man en het aanwenden van de opbrengst daarvan voor de aflossing op het krediet bij ABN-AMRO, waarna partijen vervolgens het restant van dit krediet, ieder voor de helft, voor hun rekening zullen nemen.

41. Voorts blijkt uit de stukken dat partijen daarna kennelijk nadere overeenstemming hebben bereikt over de twee roze Perzische tapijten, in die zin dat de vrouw voormelde tapijten zou ontvangen, in ruil voor haar aanspraak op de helft van de waarde van de aan de voormalige echtelijke woning gekoppelde polissen en het spaardepot, wat van die afspraak verder ook zij. De vrouw heeft zulks niet weersproken, maar enkel in haar beroepschrift opgemerkt dat op het moment dat zij op dit volgens haar onredelijke voorstel van de man ingaat, hij aangeeft de tapijten toch te zullen verkopen. Ter terechtzitting heeft haar advocaat nog eens benadrukt dat het de vrouw alleen om de tapijten te doen is.

42. Het hof gaat er derhalve van uit dat partijen reeds overeenkomsten hebben gesloten over de in dit hoger beroep ter zake de verdeling door hen aan de orde gestelde onderwerpen. Op grond van artikel 3:185 BW heeft de rechter dienaangaande dan geen rechtsmacht meer. Dat partijen zich over en weer niet aan de overeenkomsten houden, doet daaraan niet af. De verzoeken van partijen die op de verdeling zien, zullen derhalve worden afgewezen.

Proceskosten

43. Gelet op de familierechtelijke aard van deze zaak ziet het hof geen aanleiding voor de door de man verzochte proceskostenveroordeling van de vrouw. Het hof zal dit verzoek derhalve afwijzen en de proceskosten tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van 18 september 2015 op € 934,- per maand per kind, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de vrouw de eventueel te veel ontvangen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen niet hoeft terug te betalen;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

compenseert de proceskosten van dit hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, E.A. Mink en L.C.A. Verstappen, bijgestaan door mr. T. de Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juli 2016.