Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2254

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-06-2016
Datum publicatie
26-07-2016
Zaaknummer
22-004377-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op straat schuldig gemaakt aan de mishandeling van een destijds 11 jaar oude jongen, omdat de verdachte meende dat de jongen zijn 3-jarige dochtertje iets had misdaan en aan het huilen had gebracht.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 600,00 (zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004377-15

Parketnummer: 10-124989-15

Datum uitspraak: 16 juni 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 28 september 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortejaar] 1970,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 2 juni 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 juni 2015 te Rotterdam [benadeelde partij] heeft mishandeld door hem (meermalen) te schoppen tegen/in de benen en/of knieën en/of het kruis en/of de buik en/of rug, althans tegen het lichaam van voornoemde [benadeelde partij];

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 24 juni 2015 te Rotterdam [benadeelde partij] heeft mishandeld door hem (meermalen) te schoppen tegen/in de benen en/of knieën en/of het kruis en/of de buik en/of rug, althans tegen het lichaam van voornoemde [benadeelde partij];.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een - eventueel in termijnen te betalen - geldboete van € 600,00, subsidiair twaalf dagen hechtenis.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op straat schuldig gemaakt aan de mishandeling van een destijds 11 jaar oude jongen, omdat de verdachte meende dat de jongen zijn 3-jarige dochtertje iets had misdaan en aan het huilen had gebracht. Dat is een ernstig feit, waardoor het jonge slachtoffer pijn heeft ondervonden. De mishandeling door een grote volwassen man heeft de jongen bovendien veel angst aangejaagd. Ook zijn klasgenootjes, die dicht in de buurt waren, zullen door het incident zijn aangedaan. De juffrouw van de klas heeft eveneens angst ondervonden.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat uit oogpunt van generale en speciale preventie een deels voorwaardelijke in termijnen te betalen geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt. Bij de vaststelling van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces is namens de benadeelde partij [benadeelde partij] een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Deze vordering bestaat uit de volgende posten:

-kledingschade € 23,00

-reiskosten € 9,00

-immateriële schade € 400,00 +

€ 432,00

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg toegewezen en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 409,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist voor wat betreft de gevorderde vergoeding van kledingschade, alsmede de hoogte van de gevorderde vergoeding van immateriële schade.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij, anders dan ten aanzien van de gevorderde vergoeding van reiskosten, niet aangetoond dat kledingschade is geleden die een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Derhalve dient de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaard te worden in de vordering tot vergoeding van materiële schade.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 200,00.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De vordering zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van € 209,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 209,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 600,00 (zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 6 (zes) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 50,00 (vijftig euro).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 209,00 (tweehonderdnegen euro) bestaande uit € 9,00 (negen euro) materiële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 209,00 (tweehonderdnegen euro) bestaande uit € 9,00 (negen euro) materiële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.J.M. Kaptein, mr. H.P.Ch. van Dijk en mr. J.M. van de Poll, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 juni 2016.

Mr. J.M. van de Poll en griffier zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.