Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2241

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-08-2016
Datum publicatie
02-08-2016
Zaaknummer
200.145.486/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gezondheidsrecht

Wetsverwijzingen
Zorgverzekeringswet
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 446
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2016-0325 met annotatie van B.A. van Schelven
GJ 2016/124
AR 2016/2271

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.145.486/01

Zaaknummer rechtbank : 2152386/13-19093

arrest van 2 augustus 2016

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. O.J. Praamstra te Zoetermeer,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.E. Aalders te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij arrest van 3 juni 2014 is een comparitie van partijen gelast. Voor de loop van het geding tot deze datum wordt verwezen naar het arrest. De comparitie heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2014. Van de comparitie is een proces verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Bij memorie van grieven met producties heeft [appellant] vijf grieven genummerd I tot en met IV en VII) aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. [appellant] heeft bij akte gereageerd op de memorie van antwoord overgelegde producties.

Vervolgens heeft [appellant] de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2.1.

De door de rechtbank, team kanton (hierna: de kantonrechter) in het vonnis van 9 december 2013 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

2.2.

Het gaat in deze zaak om het volgende:

  1. [appellant] is in periode van 5 januari 2011 tot 4 januari 2012 onder psychiatrische behandeling geweest van [geïntimeerde];

  2. Na het einde van de behandeling bleek dat de zorgverzekering van [appellant] de behandeling door [geïntimeerde] niet vergoedt;

  3. [geïntimeerde] heeft op 15 augustus 2012 een factuur gezonden aan [appellant] voor een totaalbedrag van € 4.546,70 met het verzoek het verschuldigde bedrag over te maken op het rekeningnummer van [geïntimeerde] B.V.;

  4. [appellant] heeft de factuur onbetaald gelaten.

2.3.

In dit geding vordert [geïntimeerde] betaling door [appellant] van € 5.344,76. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen tot het bedrag van € 4.546,70, met rente.

2.4.

Met grief I bestrijdt [appellant] de overweging van de kantonrechter dat partijen een geneeskundige behandeling naar Nederlands recht zijn overeengekomen..

2.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] [appellant] behandelde als psychiater. Niet in geschil is voorts dat [appellant] in Nederland woonachtig was toen het contact met [geïntimeerde] tot stand kwam, dat [geïntimeerde] in Nederland praktijk hield en houdt en dat de volledige behandeling in Nederland heeft plaatsgevonden. De rechts-verhouding tussen partijen kan daarom niet anders worden benoemd dan als overeenkomst tot geneeskundige behandeling (zoals gedefinieerd in artikel 7:446 BW) die door Nederlands recht wordt beheerst. Een aankopingspunt voor een ander rechtsstelsel dan Nederlands recht, anders dan het feit dat [appellant] werkzaam was voor het Internationaal Strafhof (ICC), onbreekt. Dat laatste feit is voor de bepaling van het recht dat van toepassing is op deze overeenkomst niet relevant. Dit betekent dat de overeenkomst wordt beheerst door Nederlands recht. Nu [geïntimeerde] als psychiater in Nederland is gevestigd en hier de praktijk uitoefent zijn de in Nederland geldende publiekrechtelijke normen voor het verlenen van psychiatrische zorg van toepassing. Dit betekent ook dat de tarieven van de Nederlandse zorgautoriteit van toepassing zijn.

2.6.

In de toelichting op grief I bewist [appellant] dat een overeenkomst tot geneeskundige behandeling is gesloten tussen hem en [geïntimeerde], nu de overeenkomst tot stand is gekomen met [geïntimeerde] B.V. [geïntimeerde] heeft daarom geen vordering op hem, aldus [appellant]. Bij gelegenheid van de comparitie na aanbrengen in hoger beroep heeft [geïntimeerde] dit betwist. Zij heeft gesteld dat zij als psychiater in persoon haar patiënten behandelt en dat ook de de behandelovereenkomst met haar in persoon tot stand is gekomen.

2.7.

Niet in geschil is dat de intake voor de behandeling is gedaan door [geïntimeerde] persoonlijk. Bij akte na memorie van grieven heeft [appellant] wel gesteld dat hij in de praktijk van [geïntimeerde] ook door anderen is geholpen, maar hij heeft dat niet nader onderbouwd. Het hof zal hieraan voorbij gaan, zodat het er voor moet worden gehouden dat alle contacten tussen [appellant] en [geïntimeerde] in persoon verliepen. Tegen deze achtergrond heeft [appellant] zijn stelling dat hij met de B.V. heeft gecontracteerd onvoldoende onderbouwd. De inschrijving in het handelsregister van de B.V. en het verzoek in de factuur om op de bankrekening van de B.V. te betalen zijn daarvoor ontoereikend. Grief I faalt in al zijn onderdelen.

2.8.

Ook de overige grieven falen.

2.9.

In de verhouding tussen [appellant] en [geïntimeerde] is het uitgangspunt dat de patiënt, in dit geval [appellant], zelf nagaat of de zorgverzekeraar een behandeling vergoedt, en of hij, indien dit eventueel niet zo is, zelf de kosten van een behandeling kan dragen. Het is voorts in beginsel de eigen verantwoordelijkheid van [appellant] om, indien vereist, toestemming of machtiging voor een behandeling door een zorgverlener, in dit geval [geïntimeerde], te vragen. De opmerking van [geïntimeerde] bij de aanvang van de behandeling, inhoudende dat zij bekend was met Van Breda International en dat zij voor financiële afhandeling zou zorgdragen, is onvoldoende om deze verantwoordelijkheid van [appellant] en het risico dat geen dekking wordt verleend onder de zorgverzekeringspolis over te laten gaan op [geïntimeerde]. [appellant] was en bleef verantwoordelijk met betrekking tot het vragen van voorafgaande toestemming van de verzekeraar voor de kosten van de psychiatrische behandeling voor zover vereist. Dat hij dit heeft nagelaten, dient voor zijn risico te blijven.

2.10.

Vast staat dat [geïntimeerde] [appellant] heeft behandeld voor psychische klachten. [appellant] heeft de door [geïntimeerde] gestelde werkzaamheden en de daarmee gemoeide tijd (productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg) niet betwist. [appellant] heeft evenmin betwist dat [geïntimeerde] de tarieven van de Nederlandse zorgautoriteit correct heeft gehanteerd. De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] terecht toegewezen. Of de kantonrechter in rechtsoverweging 4.1. al dan niet terecht een erkenning door [appellant] van de vordering heeft geconstateerd, behoeft geen bespreking.

2.11.

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Nu [appellant] in het ongelijk is gesteld, bestaat aanleiding hem te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het gerechtshof;

  • -

    bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag, team kanton Den Haag, van 9 december 2013;

  • -

    veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 308,-- aan verschotten en € 1.264,-- aan salaris advocaat, en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 68,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;

  • -

    verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.C.M. van Dijk, J.M.T. van der Hoeven - Oud en P.M. Verbeek en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 augustus 2016 in aanwezigheid van de griffier.